Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:4349

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-06-2020
Datum publicatie
16-06-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2760
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Indicatie van de inhoud: verzoek voorlopige voorziening, last tot verwijdering stacaravan, geen voldoende spoedeisend belang, verzoek afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/2760

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 juni 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem

verweerder

(gemachtigde: mr. O. Kocak).

Procesverloop

Bij besluit van 4 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoeker gelast om vóór 6 juli 2020 een bouwwerk dat is geplaatst in de voortuin op de locatie [adres] te verwijderen, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- voor de eerste geconstateerde overtreding en een dwangsom van € 10.000,- voor de tweede geconstateerde overtreding.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft via Skype plaatsgevonden op 9 juni 2020. Verzoeker is verschenen, samen met zijn dochter [dochter] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Verzoeker woont aan de [adres] . In de tuin die hoort bij die woning, heeft verzoeker een stacaravan geplaatst. Op 8 april 2020 heeft een toezichthouder van de gemeente Haarlem geconstateerd dat op de [adres] een bouwwerk is geplaatst in de voortuin zonder omgevingsvergunning. Daarna heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt en gevraagd om een voorlopige voorziening.

4.1

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarom zal de voorzieningenrechter eerst beoordelen of verzoeker voldoende spoedeisend belang heeft.

4.2

De beantwoording van de vraag of sprake is van onverwijlde spoed spitst zich in dit geval in de eerste plaats toe op de vraag of vanuit financieel oogpunt sprake is van een spoedeisend belang. Vaste rechtspraak is echter dat een financieel belang op zichzelf (nog) geen spoedeisend belang oplevert. Voor een voorlopige voorziening is doorgaans slechts plaats wanneer er een acute financiële noodsituatie is of dreigt te ontstaan. Daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het geval van verzoeker geen sprake, althans dit is op geen enkele wijze onderbouwd. Verzoeker stelt weliswaar dat hij de kosten van het verwijderen van de stacaravan en het, bij een gegrond bezwaar, weer terugplaatsen daarvan niet kan dragen, maar dat heeft hij niet onderbouwd.

4.3

Daarnaast heeft verzoeker ter zitting naar voren gebracht dat het verwijderen van de stacaravan veel impact op zijn gezin zal hebben, in die zin dat het gezin in de huidige samenstelling niet in één woning past, dat daardoor heel veel aanpassingen gedaan moeten worden om het gezin in de woning te kunnen huisvesten en dat zijn vrouw daardoor niet meer vanuit huis zal kunnen werken. De voorzieningenrechter begrijpt uit het betoog van verzoeker dat het niet eenvoudig zal zijn om het gezin in één woning te huisvesten, maar dat is onvoldoende om een spoedeisend belang aan te kunnen nemen.

Ten slotte overweegt de voorzieningenrechter dat het op last verwijderen van de stacaravan niet leidt tot een onomkeerbare situatie. Immers, gesteld en gebleken is dat de stacaravan zonder schade kan worden verwijderd en weer teruggeplaatst kan worden. Ook hierin is dus geen spoedeisend belang gelegen.

4.4

Het voorgaande brengt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat verzoeker geen voldoende spoedeisend belang heeft.

5. Het verzoek wordt afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan op 12 juni 2020 door mr. M.H. Affourtit-Kramer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Vermeij, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.