Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:4331

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-06-2020
Datum publicatie
12-06-2020
Zaaknummer
15/041414-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot zware mishandeling van een medewerkster van een instelling voor mensen met een beperking door een aldaar opgenomen patiënt. Vrijspraak poging doodslag. Overweging met betrekking tot opzet. Gevangenisstraf van 6 maanden en TBS met dwangverpleging opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15.041414.20 (P)

Uitspraakdatum: 12 juni 2020

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 mei 2020 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,

thans gedetineerd in het Justitieel Complex Zaanstad (PPC).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. D. Sarian en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. J.G. Schmidt, advocaat te Schagen, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1

hij op of omstreeks 13 februari 2020 te Heerhugowaard, in elk geval in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangeefster] opzettelijk van het leven te beroven,

- ( meerdere malen) haar tegen het hoofd heeft gestompt/geslagen en/of

- nadat zij vluchtte, haar onderuit heeft gehaald en/of bovenop haar is gaan zitten en/of

- heeft getracht te voorkomen dat zij om hulp zou roepen en/of zou gillen door een of meer vingers in haar mond te stoppen en/of

- tegen haar heeft gezegd "ik ga je vanavond vermoorden" en/of

- haar in een wurggreep heeft vastgepakt en/of vastgehouden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 13 februari 2020 te Heerhugowaard, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangeefster] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- ( meerdere malen) haar tegen het hoofd heeft gestompt/geslagen en/of

- nadat zij vluchtte, haar onderuit heeft gehaald en/of bovenop haar is gaan zitten en/of

- heeft getracht te voorkomen dat zij om hulp zou roepen en/of zou gillen door een of meer vingers in haar mond te stoppen en/of

- haar in een wurggreep heeft vastgepakt en/of vastgehouden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 13 februari 2020 te Heerhugowaard, in elk geval in Nederland, [aangeefster] heeft mishandeld door

- haar een of meerdere malen tegen het hoofd te stompen en/of te slaan en/of

- haar onderuit te halen en/of

- haar in een wurggreep vast te pakken en/of vast te houden;

Feit 2

hij op of omstreeks 13 februari 2020 te Heerhugowaard, in elk geval in Nederland, [getuige 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [getuige 1] dreigend de woorden toe te voegen, dan wel ten aanzien van die [getuige 1] de volgende woorden te zeggen "Als ik daar nog terugkom dan maak ik die vent af" en/of "Als ik terug moet naar de [a-straat] dan neem ik een AK47 mee en schiet ik die vent dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, en 2 ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft – samengevat – aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder feit 1 primair en subsidiair ten laste is gelegd. Volgens de verdediging is er geen bewijs dat verdachte het slachtoffer zo hard en lang bij de keel heeft gegrepen, dat kan worden gesproken van een poging tot verwurging en dus van een poging tot doodslag. Ook stelt de verdediging dat geen sprake is geweest van zwaar lichamelijk letsel en dat ook niet is gebleken van een intentie, gericht op het toebrengen van meer of ander letsel dan uiteindelijk het geval is geweest, zodat verdachte ook moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde.

Wat betreft feit 2 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte ook dient te worden vrijgesproken van dit feit, omdat er in het dossier geen aanwijzingen zijn waaruit blijkt dat de uitlatingen van verdachte gericht waren tegen [getuige 1] zoals ten laste is gelegd. Het is aannemelijker dat verdachte woedend was op begeleider [getuige 2] met wie hij een dispuut had gehad en die hem, in zijn beleving, onnodig hardhandig had gefixeerd. Bovendien is geen sprake geweest van serieuze bedreigingen waarbij de wil erop was gericht daadwerkelijke vrees teweeg te brengen. De uitlatingen van verdachte moeten worden bezien tegen de achtergrond van zijn mentale gesteldheid op dat moment.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Vrijspraak feit 1 primair en feit 2
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 primair en onder feit 2 ten laste is gelegd, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Ten aanzien van feit 1 primair
Aangeefster [aangeefster] heeft – onder meer – verklaard dat verdachte haar, nadat hij meerdere keren hard met zijn vuisten tegen haar hoofd had geslagen en hij op haar zat, in een wurggreep pakte en dat hij zijn arm om haar nek had. [aangeefster] voelde dat haar keel werd dichtgeknepen en dat zij nog heel weinig adem kreeg. Ook heeft zij verklaard dat zij vlak na het incident rode plekken/striemen in haar nek had.

Voor bewezenverklaring van de aan verdachte primair ten laste gelegde poging tot doodslag moet komen vast te staan dat verdachte op zijn minst genomen het voorwaardelijke opzet heeft gehad om aangeefster van het leven te beroven. Voor het aannemen van voorwaardelijk opzet is vereist dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangeefster als gevolg van het door hem aangewende geweld zou komen te overlijden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Algemene ervaringsregels leren dat een wurggreep en het dichtknijpen van de keel tot de dood kan leiden, mits daarbij voldoende langdurig voldoende kracht wordt gebruikt. Uit het verhandelde op de zitting en de stukken in het dossier, waaronder de letselverklaring van B. Kruyver, forensisch arts KNMG, die hierover niets heeft vermeld, blijkt onvoldoende concreet dat verdachte de keel van aangeefster langdurig en met kracht heeft dichtgeknepen. De rechtbank kan evenmin op basis van het letsel bij aangeefster - een rode striem in de nek die redelijk snel weg is getrokken - vaststellen dat verdachte veel kracht heeft gebruikt.

Uit het dossier is komen vast te staan dat het slachtoffer meermalen tegen het hoofd, een kwetsbaar lichaamsdeel is geslagen, maar niet is gebleken met welke mate van al dan niet gerichte intensiteit dat is gebeurd.

De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is van een aanmerkelijke kans op de dood van aangeefster. De rechtbank acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en zal hem daarvan vrijspreken.

Ten aanzien van feit 2

Vaststaat dat verdachte op 13 februari 2020 tegen verbalisanten tijdens het transport naar het politiebureau heeft gezegd: “Als ik daar nog terugkom dan maak ik die vent af. Hoe hij mij fixeerde is niet normaal” en “Als ik terug moet naar de [a-straat] dan neem ik een AK47 mee en dan schiet ik die vent dood.” Deze bewoordingen kunnen in redelijkheid – objectief gezien – de vrees opwekken dat de bedreiging zal worden waargemaakt. De rechtbank acht echter in dit geval onduidelijk jegens wie verdachte de bedreigingen heeft geuit.

Uit het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat op de bewuste avond twee incidenten met verdachte zijn voorgevallen. Het eerste incident speelde binnen, waarbij begeleider [getuige 2] betrokken was. Het conflict met verdachte ontaardde in een handgemeen en verdachte moest hierbij gefixeerd worden. Vaststaat dat verdachte hierom erg boos was op [getuige 2] . Het tweede incident, waarbij aangeefster [aangeefster] betrokken is geraakt, speelde zich buiten af en hier is verdachte (in eerste instantie) door [getuige 1] gefixeerd, teneinde verdachtes aanval op [aangeefster] te stoppen.

Uit de verklaringen van verdachte kan worden opgemaakt dat verdachte van meet af aan het gebeurde als één geheel ziet en hetgeen precies is gebeurd anders heeft waargenomen dan alle andere betrokkenen. Dit maakt dat onvoldoende is komen vast te staan dat de uitlatingen van verdachte tijdens het transport waren gericht tegen [getuige 1] , zoals ten laste is gelegd. De rechtbank acht gelet hierop niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 ten laste gelegde heeft begaan en zal hem daarvan vrijspreken.

3.3.2

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde onder feit 1 subsidiair op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.3.3

Bewijsmotivering

Op grond van de in de bewijsmiddelen opgenomen verklaring van aangeefster en de getuigenverklaring van [getuige 1] staat volgens de rechtbank vast dat verdachte meerdere keren met volle kracht met zijn vuisten tegen het hoofd van aangeefster heeft geslagen. Het met kracht meermalen met de vuisten slaan tegen een kwetsbaar lichaamsdeel als het hoofd van iemand die op de grond ligt, levert naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op dat zwaar lichamelijk letsel ontstaat. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van de handelingen van verdachte kan het niet anders zijn dan dat hij de aanmerkelijke kans dat zijn handelen zwaar lichamelijk letsel tot gevolg zou hebben bewust heeft aanvaard.

Dit betekent dat de rechtbank, anders dan de raadsman de aan verdachte ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen acht.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 13 februari 2020 te Heerhugowaard, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangeefster] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- meerdere malen haar tegen het hoofd heeft geslagen en

- nadat zij vluchtte, haar onderuit heeft gehaald en bovenop haar is gaan zitten en

- heeft getracht te voorkomen dat zij om hulp zou roepen of zou gillen door een of meer vingers in haar mond te stoppen en

- haar in een wurggreep heeft vastgepakt

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1

poging tot zware mishandeling

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte zal worden opgelegd de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met bevel tot verpleging van overheidswege. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2

Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte alleen kan worden veroordeeld wegens het onder feit 1 meer subsidiair ten laste gelegde, kort gezegd eenvoudige mishandeling, zodat geen TBS met dwangverpleging kan worden opgelegd. Bovendien vindt de verdediging het meer passend om aan verdachte wat betreft het onvoorwaardelijk deel van een hem op te leggen vrijheidsstraf, een gevangenisstraf ter hoogte tot de duur van de voorlopige hechtenis op te leggen en ingeval van noodzaak van behandeling hoogstens de maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de termijn van een jaar.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van het slachtoffer [aangeefster] door haar veelvuldig hard tegen haar hoofd te slaan en haar in een wurggreep te nemen. Het slachtoffer werd tijdens haar werk bij [instelling] , waar verdachte als patiënt was opgenomen, buiten in het donker uit het niets aangevallen toen zij onderweg was van de ene naar de andere locatie om haar werk te doen. Het handelen van verdachte heeft pijn en letsel – te weten licht traumatisch schedel-hersenletsel en kneuzingen in het gezicht – bij het slachtoffer veroorzaakt en haar lichamelijke integriteit ernstig aangetast. De psychische en lichamelijke gevolgen voor het slachtoffer zijn nader tot uitdrukking gebracht in de namens haar ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat het gebeuren een enorme weerslag op haar heeft gehad en nog steeds heeft. Zij kan tot op heden het werk waarvoor zij is opgeleid, niet meer verrichten en zij is nog altijd heel erg bang. De rechtbank rekent dit verdachte erg aan.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het bewezenverklaarde feit de oplegging van een vrijheidsbenemende straf rechtvaardigt.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank kennis genomen van het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 23 april 2020, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld.

De rechtbank heeft verder kennis genomen van het psychiatrisch onderzoek gedateerd

27 mei 2020, opgesteld door G.F. Nijeboer, psychiater en het psychologisch onderzoek van dezelfde datum, opgesteld door drs. R.S. Turk, GZ-psycholoog.
Uit deze onderzoeken komt onder meer – samengevat – naar voren dat er bij verdachte, ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde, sprake is van een ziekelijke stoornis, te weten een meervoudige complexe ontwikkelingsstoornis (MCDD) c.q. een autismespectrumstoornis en een aandachtsdeficiëntie stoornis/hyperactiviteitsstoornis. MCDD staat op de voorgrond en wordt gekenmerkt door problemen bij het reguleren van emoties en gedachten en disfunctioneren in minder overzichtelijke sociale situaties. Verdachte heeft het moeilijk met het reguleren van affecten en kan angstig of gespannen worden in ongebruikelijke situaties. Hij kan dan met driftbuien of primitieve woedeaanvallen reageren. De gebrekkige ontwikkeling en mogelijk de ziekelijke persoonlijkheidsstoornis hadden volgens de onderzoekers een doorwerking in de aan verdachte tenlastegelegde feiten.

De psycholoog rapporteert dat verdachte over het tenlastegelegde niet veel kon vertellen, wat te maken kan hebben met het feit dat hij sociale situaties niet goed begrijpt, niet weet hoe hij die moet interpreteren en niet opslaat. Als situaties ingewikkeld worden, reageert verdachte met agressie. De MCDD maakt dat verdachte zichzelf verliest in impulsieve en mogelijk grensoverschrijdende gedragingen in reactie op voor hem onbegrijpelijke gebeurtenissen in de sociale realiteit. Uit het feit dat verdachte zich beroept op niet-intentionaliteit met betrekking tot het “zetten van een elleboog” maakt de psycholoog op dat hij enig besef moet hebben gehad van het grensoverschrijdende aspect van zijn handelen. Hij had kunnen proberen zich meer terughoudend op te stellen. De psycholoog adviseert het tenlastegelegde in sterk verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
De psychiater vermeldt dat bij verdachte sprake lijkt te zijn van een opbouw van frustraties en spanningen, zodat bij het ten laste gelegde waarschijnlijk sprake was van een ontlading van boosheid die zich mogelijk al langere tijd heeft opgebouwd. Er kan gesproken worden over een zeer sterke doorwerking van de stoornis in het tenlastegelegde. Er is met name sprake van een gestoorde agressieregulatie en frustratietolerantie, en achterdocht. Deze symptomen komen voort uit de stoornis MCDD. In gesprekken met de onderzoeker geeft verdachte zelf echter wel aan zich te realiseren dat hij een probleem heeft met het beheersen van zijn boosheid en hier dus invloed op te kunnen hebben. Verdachte moet nog in enige mate overwegingen hebben kunnen maken en zijn handelen hebben kunnen sturen. Daarom adviseert de psychiater om het tenlastegelegde verdachte verminderd toe te rekenen.

Het recidiverisico op vergelijkbaar agressief delictgedrag wordt door beide onderzoekers als hoog ingeschat.

De psycholoog geeft aan dat MCDD een stoornis is die niet genezen kan worden, maar wel behandeld/begeleid. Begeleiding is gericht op het geven van structuur, het voorkomen en verminderen van angst en decompensatie en het bevorderen van positieve vaardigheden. Zonder zeer langdurige en nauwlettende controle, bescherming, sturing en begeleiding zal verdachte binnen de kortste keren terugvallen in problematisch gedrag. Ambulante behandeling heeft volgens de psycholoog geen enkele zin, omdat de problemen daarvoor te groot zijn. De psycholoog is van oordeel dat verdachte op grond van zijn stoornis een gevaar oplevert voor de veiligheid van anderen, dan wel voor de algemene veiligheid van personen of goederen. Hij meent dat behandeling in het kader van TBS met dwangverpleging de enige realistische mogelijkheid biedt het recidiverisico blijvend te verlagen, in verband met langdurige en passende begeleiding en beveiliging.

De psychiater geeft aan dat het belangrijk is dat verdachte opgenomen wordt op een gesloten verblijfsafdeling met een hoog veiligheidsniveau en veel structuur en weinig prikkels. Verdachte heeft geen ziekte-inzicht en ziektebesef. Een eerdere opname op grond van een rechterlijke machtiging lijkt niet geholpen te hebben. Het is daarom niet aan te raden een nieuwe zorgmachtiging aan te vragen. Ook lijkt de duur van de zorgmachtiging te kort om verdachte goed te kunnen behandelen. Gezien de ernst van het delict, het grote risico op herhaling, en de ernst en complexiteit van de stoornis, adviseert de psychiater TBS met dwangverpleging. TBS met voorwaarden lijkt bij verdachte te hoog gegrepen, omdat het lastig tot onmogelijk zal zijn om met verdachte tot werkbare afspraken te komen.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 20 mei 2020, opgemaakt door [reclasseringswerker] als reclasseringswerker werkzaam bij GGZ Reclassering Fivoor.

Geadviseerd wordt, gelet op het advies van de deskundigen, verdachte een TBS-maatregel met dwang op te leggen. Het risico op recidive wordt door de reclassering als hoog ingeschat. Bij verdachte is vanwege zijn stoornis sprake van een verstoorde regulatie van de emoties en verstoord gedrag. Verdachte zal levenslang afhankelijk zijn van gekaderde zorg. De reclassering stelt dat de gediagnosticeerde psychiatrische problematiek vraagt om specialistische zorg die niet binnen interventies door de reclassering kan worden geboden. Daarom conformeert de reclassering zich aan het advies van de NIFP deskundigen.

De rechtbank verenigt zich met de conclusies van de rapporten psycholoog en de psychiater en neemt die over, voor zover die zien op de bij verdachte vastgestelde stoornissen van de geestvermogens ten tijde van het begaan van het feit en om verdachte ten aanzien van feit 1 subsidiair als (sterk) verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen en dit feit hem aldus minst genomen in verminderde mate toe te rekenen.

De rechtbank is voorts, met de officier van justitie en gelet op het advies van de deskundigen, van oordeel dat de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege van verdachte moet worden gelast. Door de deskundigen is duidelijk uiteen gezet dat gelet op de ernst en de complexiteit van de stoornissen van verdachte, TBS met dwangverpleging de enige realistische mogelijkheid is om het recidiverisico blijvend te verlagen. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor twijfel aan dit advies en zal dit advies dus volgen.
De veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist oplegging van die maatregel.

De rechtbank acht in het licht van al het voorgaande zowel een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, als een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden passend en geboden.

Nu de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten poging tot zware mishandeling, kan de totale duur van de maatregel een periode van vier jaar te boven gaan.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 37a, 37b, 45, 302 van het Wetboek van Strafrecht.

8
8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 primair en onder feit 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld, en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A. Buiskool, voorzitter,

mr. P.H.B. Littooy en mr. I.S. Burggraaff, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier A. Helder,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 juni 2020.

[Bijlage: de bewijsmiddelen]