Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:4323

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-06-2020
Datum publicatie
15-06-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2648
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

PW, mondelinge uitspraak, voorlopige voorziening in bezwaar, schending inlichtingenplicht gezamenlijke huishouding, verweerder niet gehouden ambtshalve over te gaan tot omzetting van de uitkering voor alleenstaande naar gehuwdennorm

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/2648

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

3 juni 2020 in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. G.J. de Kaste),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Velsen, verweerder

(gemachtigde: N. de Bruijn).

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder - onder andere - vastgesteld dat de uitkering die verzoekster op grond van de Participatiewet (PW) ontvangt met ingang van 23 januari 2020 wordt beƫindigd en ingetrokken (lees: alleen ingetrokken) omdat vanaf die datum de partner van verzoekster, [naam partner] , waarmee zij op [datum] 2019 is gehuwd, bij haar woont en zij niet meer is aan te merken als alleenstaande. Over het huwelijk en de samenwoning heeft verzoekster geen inlichtingen verstrekt.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft via Skype plaatsgevonden. Gemachtigde van verzoekster heeft deelgenomen. Verzoekster heeft deelgenomen via de telefoonverbinding (speaker) van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

De gronden van de beslissing

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. De voorzieningenrechter acht een spoedeisend belang aanwezig.

2. Het bezwaar van verzoekster is gericht tegen het intrekken van haar uitkering vanaf 23 januari 2020 wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding. Verzoekster erkent dat zij dit niet uit eigen beweging bij verweerder heeft gemeld. Verzoekster, die een uitkering naar de norm van een alleenstaande ontving, heeft aangevoerd dat verweerder de uitkering vanaf 23 januari 2020 ambtshalve had moeten omzetten naar een uitkering naar de norm voor gehuwden dan wel de norm bij een niet-rechthebbende partner.

3. Op grond van jurisprudentie geldt de datum waarop een belanghebbende zich heeft gemeld voor een aanvraag om bijstand als een alleenstaande (ouder) niet als meldingsdatum voor een latere aanvraag als gehuwden. Ingevolge artikel 43, tweede lid van de PW dient gezinsbijstand immers door gehuwden of daarmee gelijk te stellen personen gezamenlijk te worden aangevraagd dan wel door een van hen met schriftelijke toestemming van de ander (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), van 31 oktober 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1583).

Verder blijkt uit jurisprudentie van de CRvB dat verweerder niet is gehouden, in zaken als deze, ambtshalve over te gaan tot omzetting van de uitkering voor een alleenstaande naar de gehuwdennorm (zie de uitspraak van de CRvB, 13 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU8612). Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter volgt hieruit ook dat verweerder niet is gehouden de uitkering ambtshalve om te zetten naar de norm bij een niet-rechthebbende partner zoals door verzoekster ter zitting aangevoerd.

4. Nu verzoekster niet uit eigen beweging melding heeft gedaan van een gezamenlijke huishouding, heeft zij haar inlichtingenplicht, als bedoeld in artikel 17 van de PW, geschonden. Dit heeft geleid tot het ten onrechte verlenen van bijstand. Het gevolg hiervan is dat verweerder, op grond van artikel 54, derde lid, van de PW, gehouden was de uitkering vanaf 23 januari 2020 in te trekken. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het primair besluit dan ook niet onrechtmatig.

5. De voorzieningenrechter wijst erop dat de oplossing voor verzoekster is gelegen in de aanvraag die zij met haar echtgenoot op 2 juni 2020 heeft ingediend.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.A.D. Horn, griffier.

Deze beslissing en een samenvatting van de gronden van die beslissing is op 3 juni 2020 na sluiting van de zitting aan verzoekster en gemachtigden mondeling medegedeeld. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.