Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:4294

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-06-2020
Datum publicatie
19-06-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2603
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betreft navorderingsaanslagen geen ambtelijk verzuim. Geen strijd met het correctiebeleid. Beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 19-06-2020
FutD 2020-1873
V-N Vandaag 2020/1625
V-N 2020/40.2.4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 19/2603 en 19/2604

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2020 in de zaken tussen

[X] , wonende te [Z] , eiseres,

(gemachtigde: M. Collij),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 4 januari 2018 voor het jaar 2014 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.161.

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 4 januari 2018 voor het jaar 2015 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.256.

Op 7 september 2018 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 mei 2019 de aanslag ib/pvv 2014 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.967. Tevens is bij beschikking het verzoek om een kostenvergoeding afgewezen.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 mei 2019 de aanslag ib/pvv 2015 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.730. Tevens is bij beschikking het verzoek om een kostenvergoeding afgewezen.

Eiser heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld. Het beroepschrift is door de rechtbank ontvangen op 14 juni 2019.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

De rechtbank heeft op 25 mei 2020 en op 27 mei 2020 nadere stukken van eiseres ontvangen en in kopie doorgezonden naar verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2020 te Haarlem.

Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [A] en mr. [B] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres heeft op 4 maart 2015 aangifte ib/pvv 2014 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.017. In deze aangifte heeft eiseres onder meer een aftrek specifieke zorgkosten van € 1.144 in aanmerking genomen.

2. Verweerder heeft met dagtekening 25 september 2015 de aanslag ib/pvv 2014 opgelegd conform de aangifte.

3. Eiseres heeft op 29 maart 2016 aangifte ib/pvv 2015 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.375. In deze aangifte heeft eiseres onder meer een aftrek specifieke zorgkosten van € 881 in aanmerking genomen.

4. Verweerder heeft met dagtekening 9 september 2016 de aanslag ib/pvv 2015 opgelegd conform de aangifte.

5. Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 14 maart 2017 ten aanzien van de aanslagen over 2014 en 2015 vragenbrieven verzonden.

6. Eiseres heeft niet gereageerd op de vragenbrieven.

7. Verweerder heeft met dagtekening 4 januari 2018 een navorderingsaanslag 2014 opgelegd. Deze resulteert in een te betalen bedrag van € 541 (€ 491 bedrag aan belasting en € 50 belastingrente).

8. Verweerder heeft met dagtekening 4 januari 2018 een navorderingsaanslag 2015 opgelegd. Deze resulteert in een te betalen bedrag van € 404 (€ 380 bedrag aan belasting en € 24 belastingrente).

Geschil
9. In geschil is of verweerder de navorderingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen heeft opgelegd.

10. Eiseres stelt dat een nieuw feit ontbreekt dan wel dat sprake is van een ambtelijk verzuim. Subsidiair voert eiseres aan de navorderingsaanslagen in strijd met het correctiebeleid zijn opgelegd.

Eiseres verzoekt om toekenning van immateriële schadevergoeding.

11. Verweerder neemt het standpunt in dat er wel sprake is van een nieuw feit doch niet van een ambtelijk verzuim en dat niet is gehandeld in strijd met het correctiebeleid.

Ter zitting geeft verweerder aan dat voor het jaar 2014 nog recht bestaat op een extra bedrag aan aftrek van € 57,80 en voor 2015 tot extra bedrag aan aftrek van € 52,20, beide bedragen te vermeerderen met de verhogingsfactor van 40%.

Verweerder concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen.

12. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Nadere stukken overgelegd door eiseres

13. Ten aanzien van de stukken van eiseres door de rechtbank ontvangen op 25 mei 2020 en op 27 mei 2020 overweegt de rechtbank dat deze binnen de termijn van tien dagen voor de zitting zijn ontvangen en daarmee tardief zijn. De rechtbank zal echter, alles overwegende, mede gelet op het feit dat verweerder ter zitting in staat is gebleken op deze stukken te reageren, deze stukken niet tardief verklaren, met dien verstande dat enkel de bijlagen worden meegenomen die in de onderhavige zaken zijn overgelegd. Stukken waarnaar wordt verwezen maar die alleen zijn gefourneerd in andere zaken zal de rechtbank derhalve buiten beschouwing laten.

Op de zaak betrekking hebbende stukken

14. Eiseres stelt dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd, aangezien verweerder de verslaglegging die aan het Excelsheet ten grondslag ligt, alsmede het preweegdocument van 9 november 2016 en het verslag van het tripartiteoverleg van 16 november 2016 niet aan de rechtbank heeft doen toekomen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat tot de op de zaak betrekking hebbende stukken meer stukken behoren dan verweerder in de loop van de procedure bij de belastingrechter heeft overgelegd. De door eiseres genoemde stukken hebben betrekking op het onderzoek naar de gemachtigde van eiser en diens kantoorgenoot. Niet valt in te zien waarom die stukken van belang kunnen zijn voor de beslechting door de belastingrechter van het onderhavige geding. De enkele omstandigheid dat het onderzoek heeft geleid tot het stellen van vragen aan eiseres, maakt dat niet anders. Hier komt bij dat verweerder heeft gesteld dat de door eiseres genoemde stukken geen onderdeel uitmaken van het fiscale dossier van eiser. De rechtbank begrijpt deze stelling aldus dat de stukken verweerder niet ter raadpleging ter beschikking hebben gestaan bij het opleggen van de navorderingsaanslagen en ook thans niet ter raadpleging ter beschikking staan. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen, zodat ook op die grond geen sprake kan zijn van op de zaak betrekking hebbende stukken ingevolge artikel 8:42 van de Awb.

Wettelijk kader

15.1.

Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gebleven of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Op verweerder rust de bewijslast aannemelijk te maken dat aan de vereisten van dit artikel is voldaan.

Daarbij heeft volgens vaste jurisprudentie te gelden dat verweerder bij het vaststellen van een aanslag in de ib/pvv mag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. De Hoge Raad spreekt ook van ‘een niet onwaarschijnlijke mogelijkheid’. Met andere woorden, verweerder is alleen dan verplicht de aangifte op een punt nader te onderzoeken wanneer het onwaarschijnlijk is dat de aangifte op dit punt juist is.

In het onderhavige geval mocht verweerder naar het oordeel van de rechtbank uitgaan van de juistheid van de aangiftes ib/pvv 2014 en ib/pvv 2015. De door eiseres ingediende aangiftes zijn niet zodanig ongebruikelijk dat onmiddellijk duidelijk was dat deze niet zonder onderzoek naar de juistheid ervan kon worden gevolgd. Omstandigheden die voor verweerder aanleiding waren om nader onderzoek te doen naar de in de onderhavige jaren opgevoerde aftrek bijzondere zorgkosten, zijn pas gebleken naar aanleiding van het bij het kantoor van de gemachtigde gestarte strafrechtelijk onderzoek. Tijdens dat onderzoek is immers het vermoeden ontstaan dat bij aangiftes ingediend door het kantoor van de gemachtigde van eiseres sprake zou kunnen zijn van gefingeerde aftrekposten. De rechtbank komt tot het oordeel dat aan het vereiste van het nieuwe feit is voldaan.

15.2.

Eiseres heeft nog aangevoerd dat de navorderingsaanslagen zijn opgelegd op basis van de bevindingen van een strafrechtelijk onderzoek bij de gemachtigde welk onderzoek ondeugdelijk is geweest, zodat deze resultaten onbruikbaar zijn als basis voor de navorderingsaanslagen. De rechtbank kan eiseres niet volgen. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd op basis van antwoorden op vragenbrieven aan eiseres naar een onderbouwing van de aftrekposten. Dat deze vragenbrieven zijn verzonden naar aanleiding van vragen die waren gerezen over aangiftes die waren verzorgd door het kantoor van de gemachtigde eiseres, maakt dat niet anders.

Ambtelijk verzuim

16.1.

De door eiseres geschetste omstandigheid dat de door het kantoor van zijn gemachtigde ingediende aangiften ib/pvv vanaf begin 2015 als ‘verdacht’ zouden zijn aangemerkt en als zodanig aan verscherpte controles zijn onderworpen rechtvaardigt niet de conclusie dat in die gevallen waarin een verscherpte controle achterwege is gebleven reeds daarom kan worden gesproken van een ambtelijk verzuim dat aan de bevoegdheid tot navordering in de weg staat. Verweerder heeft dienaangaande verklaard dat naar aanleiding van de gerezen verdenking in eerste instantie een beperkt onderzoek is ingesteld naar de juistheid van 173 door het kantoor van de gemachtigde ingediende aangiften ib/pvv. Op basis van de beantwoording van de in die zaken met dagtekening 30 juni 2015 verzonden vragenbrieven en het onderzoek naar de juistheid daarvan is vervolgens geconcludeerd dat een uitgebreider onderzoek naar de juistheid gerechtvaardigd was. Voorts zijn eerst met ingang van maart 2017 onderzoeken gestart naar de aangiften ib/pvv die aan het kantoor van de gemachtigde van eiseres konden worden gerelateerd. In het kader van dit bredere onderzoek is ook de vragenbrief van 14 maart 2017 aan eiseres toegezonden. De rechtbank acht deze werkwijze van verweerder zorgvuldig en voldoende voortvarend.

16.2.

De omstandigheid dat de aanslag ib/pvv voor het belastingjaar 2014 op 25 september 2015 en de aanslag ib/pvv voor het belastingjaar 2015 op 9 september 2016 nog zonder onderzoek conform de voor het betreffende jaar ingediende aangifte en dus nog met inachtneming van de betwistbare aftrekposten bij het aangegeven inkomen uit werk en woning zijn opgelegd, leidt niet tot de conclusie dat voor deze belastingjaren gesproken kan worden van een ambtelijk verzuim. Eiseres heeft in de onderhavige zaken geen stukken overgelegd die aanleiding zouden kunnen vormen tot een ander oordeel.

Correctiebeleid

18. Het door verweerder gehanteerde correctiebeleid van 30 maart 2011, versie 2.1, luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. In de visie van de Belastingdienst past het niet om aan belastingplichtige een belastingaanslag naar aanleiding van positieve1 [voetnoot: Positief vanuit de fiscus gezien, resulterend in een aan de ontvanger te betalen of af te dragen bedrag. Positief hier ook in de zin van een positief saldo van positieve en negatieve correcties.] correcties op de grondslag op te leggen, die slechts een “gering bedrag” aan te betalen belasting inhoudt. Hier kan gesproken worden van een bepaalde irritatiegrens bij belastingplichtige die invloed kan hebben op zijn complient gedrag. Zeker als het “bedrag” voor de belastingplichtige in geen verhouding staat tot de administratieve gevolgen van de correcties.

Tevens moet ook in ogenschouw worden genomen, de verhouding tussen de kosten van het opleggen van een aanslag sec en de opbrengst.

[…]
4. Het te hanteren bedrag bij een navordering bedraagt € 450 (c.q. € 1.000 inkomen), behoudens in gevallen waarin sprake is van kwade trouw of repeterende onjuistheden.

[…]

9. In die gevallen dat belastingplichtige inspeelt op dit interne correctiebeleid is het mogelijk dat hiervan afgeweken kan worden. Bijvoorbeeld dat de belastingplichtige door het verstrekken van onjuiste gegevens inspeelt op het correctiebeleid.”

19. De navorderingsaanslag ib/pvv 2014 is opgelegd naar een te betalen bedrag van

€ 491aan belasting. Dit bedrag is hoger dan de minimumgrens van € 450 zoals opgenomen in het correctiebeleid. Deze navorderingsaanslag is derhalve in overeenstemming met het beleid opgelegd. Eiseres heeft ter zake van de ondergrens aangeboden om nadere stukken toe te zenden indien de rechtbank zulks wenselijk acht. De rechtbank vat dit op als een voorwaardelijk bewijsaanbod en passeert het om die reden. Eiseres had de betreffende stukken hetzij tijdig in deze zaken aan de rechtbank moeten doen toekomen, indien zij zich erop wil beroepen, hetzij een onvoorwaardelijk bewijsaanbod moeten doen, waarover verweerder en de rechtbank zich alsdan had kunnen uitlaten.

20. Ten aanzien van het jaar 2015 kan verweerder naar het oordeel van de rechtbank worden gevolgd in zijn conclusie dat de situatie van repeterende onjuistheden zich in het onderhavige geval voordoet. De gecorrigeerde onjuistheden hebben zich voorgedaan in de aangiftes van eiseres over de jaren 2014 en 2015 zodat sprake is van repeterende onjuistheden. Verweerder was bevoegd tot het opleggen van de navorderingsaanslag 2015.

21.1.

Ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel geldt het volgende. Van schending van het gelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur kan sprake zijn (1) indien sprake is van een begunstigend beleid of (2) een interpretatief beleid, (3) indien ten aanzien van (een) bepaalde belastingplichtige(n) sprake is van een oogmerk van begunstiging of (4) wanneer de zogenoemde meerderheidsregel wordt geschonden.

Voor zover eiseres met een beroep op het de zogenoemde meerderheidsregel aanvoert dat de onderhavige navorderingsaanslagen dienen te vervallen omdat in meer gevallen waarin ook niet aan de ondergrens van het correctiebeleid zou zijn voldaan, niet zou zijn nagevorderd, geldt het volgende. Eiseres dient in de eerste plaats feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken waaruit volgt dat in minstens twee gevallen die feitelijk en rechtens met haar geval vergelijkbaar zijn een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven, waarna het op de weg ligt van verweerder om te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken dat geen sprake is van beleid en de relevante groep groter is en dat in de meerderheid van de vergelijkbare gevallen de wet juist is toegepast (vgl. HR 15 maart 2000, nr. 34.740, ECLI:NL:HR:2000:AA5142, r.o. 3.4 en 3.7 en HR 6 oktober 2006, nr. 40.443, ECLI:NL:HR:2006: AY9489, r.o. 3.3.2).

21.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres met de door hem overgelegde bewijsstukken niet aannemelijk gemaakt dat de door hem genoemde belastingplichtigen feitelijk en rechtens in vergelijkbare omstandigheden verkeerde(n) als zij zelf, en dat bij de meerderheid van deze belastingplichtigen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven. Eiseres heeft met het enkel noemen van de namen van deze belastingplichtigen en het inbrengen van stukken uit hun zaken onvoldoende gemotiveerd waarom deze belastingplichtigen in met eiseres vergelijkbare feitelijke en juridische omstandigheden verkeerden, en bovendien heeft verweerder onweersproken gesteld dat de 29 aanvankelijk door eiseres genoemde gevallen deel uitmaken van een groep van 54 gevallen en dat er in 1 geval wel is nagevorderd, in 19 gevallen geen sprake is van strijd met het correctiebeleid, 9 gevallen waarin de aftrek alsnog door belastingplichtige onderbouwd is en 9 gevallen waarin de gecombineerde heffingskorting hoger was dan de na correctie verschuldigde belasting. Ten aanzien van de 8 bij nader stuk door eiseres ingebrachte gevallen geldt eveneens dat ofwel geen sprake is van strijd met het correctiebeleid, ofwel het wel (deels) alsnog onderbouwen van aftrekposten ofwel dat sprake is van (deels) andere aftrekposten en omstandigheden van belastingplichtigen ten opzichte van eiseres. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat in de meerderheid van de gevallen die feitelijk en juridisch in vergelijkbare omstandigheden als die van eiseres verkeerden, een juiste toepassing van het correctiebeleid achterwege is gebleven.

21.3.

Evenmin heeft eiseres met hetgeen zij heeft overgelegd aannemelijk genaakt dat verweerder met betrekking tot andere belastingplichtigen het correctiebeleid niet dan wel op andere wijze heeft toegepast hetgeen heeft geleid tot achterwege laten van navordering. Verweerder heeft dit ter zitting expliciet bestreden. Dat verweerder in vergelijkbare gevallen heeft gehandeld op grond van begunstigend beleid dan wel met het oogmerk van begunstiging is derhalve niet gebleken.

Nu geen sprake is van begunstigend beleid, van handelen met het oogmerk van begunstiging en ook de meerderheidsregel niet is geschonden, verwerpt de rechtbank het beroep op het gelijkheidsbeginsel.

22. Verweerder heeft zich ter zitting nader op het standpunt gesteld dat gelet op de in beroep overgelegde motivering van de vervoerskosten voor beide jaren drie maal de vervoerskosten ter zake van een bezoek aan de homeopathisch arts de heer [C] voor aftrek in aanmerking komen, hetgeen leidt tot een extra aftrek van € 52,20 per jaar. Daarnaast bestaat voor het jaar 2014 recht op aftrek van € 5,60 in verband met reiskosten naar het [D] . De rechtbank heeft geen aanleiding verweerder hierin niet te volgen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat recht bestaat op een hoger bedrag aan aftrek specifieke zorgkosten dan verweerder, met inachtneming van het bovenstaande, heeft verleend.

Dit betekent dat de navorderingsaanslag ib/pvv 2014 dient te worden verminderd met € 81 (€ 57,80 vermeerderd met de verhogingsfactor van 40%) tot € 34.886 en dat de navorderingsaanslag 2015 dient te worden verminderd met € 74 (€ 52,20 vermeerderd met 40%) tot € 34.656.

23. Eiseres heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding voor de schade die zij heeft geleden en lijdt in de vorm van de spanning en frustratie als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar.

24. De bezwaarschriften zijn ingediend op 19 januari 2018, de uitspraken op bezwaar zijn gedaan op 4 mei 2019, en de rechtbank doet uitspraak op 16 juni 2020, zodat in deze zaken de redelijke termijn is overschreden met (afgerond) vijf maanden, welke periode geheel is toe te rekenen aan de bezwaarfase. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn verlengd zou moeten worden zijn door verweerder niet gesteld.

Nu sprake is van samenhangende zaken wordt per fase van de procedure voor beide zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd (vergelijk HR 21 maart 2014, nr. 12/04057, ECLI:NL:HR:2014:540 en Hoge Raad 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252). De immateriële schadevergoeding in deze zaken van totaal € 500 zal geheel door verweerder vergoed dienen te worden.

25. Gelet op het onder 22 overwogene dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

26. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1 en een factor 1 wegens minder dan 4 samenhangende zaken).

Eiseres heeft verzocht om toepassing van wegingsfactor 1,5. De rechtbank acht de zaken echter niet dermate gecompliceerd dat moet worden afgeweken van de standaard gehanteerde wegingsfactor 1.

Eiseres kan geen aanspraak maken op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase, aangezien de stukken op grond waarvan verweerder zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat recht bestaat op vermindering, eerst in beroep zijn overgelegd. Eiseres heeft ook niet gereageerd op de vragenbrieven van verweerder van 14 maart 2017.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag ib/pvv 2014 tot een berekend naar een belastbaar

inkomen van € 34.886 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- vermindert de belastingaanslag ib/pvv 2015 tot een berekend naar een belastbaar

inkomen van € 34.656 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade van eiseres tot een bedrag van € 500;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van 1.050;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Anema, griffier. De beslissing is gedaan op 16 juni 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.