Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:4285

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-06-2020
Datum publicatie
11-06-2020
Zaaknummer
15/027949-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag bewezen verklaard. Beroep op noodweer en noodweerexces is door de rechtbank afgewezen, nu niet voldaan is aan het proportionaliteitsvereiste.

De rechtbank heeft verdachte 180 dagen jeugddetentie opgelegd, waarvan 152 dagen voorwaardelijk. Ook heeft de rechtbank hem een werkstraf van 160 uur opgelegd.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank aan de ene kant gekeken naar de ernst van het feit en de gevolgen voor het slachtoffer en aan de andere kant naar de omstandigheden van de verdachte. Daarbij speelt mee de jonge leeftijd van de verdachte en zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid, het feit dat hij geen strafblad heeft en de omstandigheid dat hij zich sinds zijn vrijlating aan strenge voorwaarden heeft gehouden, waaronder een verblijf van enkele maanden in een ‘safehouse’ en een avondklok, gecontroleerd door een enkelband. Ook de komende tijd blijven nog strenge voorwaarden gelden en wordt hij begeleid door de jeugdreclassering. Verder moet hij de nodige behandelingen ondergaan om herhaling te voorkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd

Locatie Alkmaar

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer: 15/027949-20

Uitspraakdatum: 11 juni 2020

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 28 mei 2020 in de zaak tegen:

[Verdachte ] ,

geboren op [geboortedatum] te Zaanstad,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A. van Loon en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. P.K. de Blieck-Willemsen, advocaat te Zaandam, naar voren hebben gebracht.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen [aangever], [de vader] en [de moeder] en de gegeven toelichting hierop ter terechtzitting door de gemachtigde raadsman mr. R. Korver.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 30 januari 2020 te Zaandam, gemeente Zaanstad
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[aangever] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een mes, althans met een
scherp en/of puntig voorwerp, in het hart, althans de borst van die [aangever] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair
althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 januari 2020 te Zaandam, gemeente Zaanstad
aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gat in een
van de hartkamers (harttamponade), heeft toegebracht
door met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in
het hart, althans de borst van die [aangever] te steken.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit, te weten een poging tot doodslag. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte in ieder geval voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [aangever] (hierna ook: [aangever]).

3.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is, waaruit blijkt dat verdachte [aangever] heeft neergestoken met een mes. Namens verdachte is vervolgens een beroep gedaan op noodweer(exces), daar er sprake zou zijn geweest van een noodweersituatie waarin verdachte zich mocht verdedigen tegen een aanval (zie onder punt 4 en punt 5). De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte daarom dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

3.3.

Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – omdat verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 28 mei 2020 afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 2 februari 2020 (dossierpagina’s 122-126);

  • -

    een geschrift, te weten de geneeskundige verklaring van 21 februari 2020 (dossierpagina 132);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van de getuige [getuige 1] van 1 februari 2020 (dossierpagina’s 77-81, 83);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van de getuige [getuige 2] van 1 februari 2020 (dossierpagina’s 86-88).

3.4.

Bewijsoverweging

Poging doodslag

Verdachte wordt primair verweten dat hij opzettelijk geprobeerd heeft [aangever] om het leven te brengen. De rechtbank overweegt dat in juridische zin van opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – gesproken kan worden indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden (voorwaardelijk opzet).

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat tijdens de worsteling tussen verdachte en [aangever] deze laatste een stap naar achteren heeft gezet en verdachte vervolgens met het mes een stekende beweging richting de borststreek van [aangever] heeft gemaakt. Daarbij is [aangever] met het mes in zijn hartzakje geraakt. De algemene ervaring leert dat messteken in de borst -nabij het hart- dodelijk letsel kunnen veroorzaken, omdat het hart een vitaal orgaan betreft. De rechtbank is daarom van oordeel dat de kans op het dodelijk treffen van [aangever] aanmerkelijk was. Verder kan het naar de uiterlijke verschijningsvorm niet anders zijn dan dat verdachte met deze gedraging de kans op een dodelijk gevolg bewust heeft aanvaard. De rechtbank overweegt dan ook dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [aangever].

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend kan worden bewezen.

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 30 januari 2020 te Zaandam, gemeente Zaanstad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een mes in het hart van die [aangever] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte dient hiervan te worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Beroep op noodweer

4.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is geweest van een noodweersituatie. Zij stelt echter dat verdachte geen gerechtvaardigd beroep op noodweer toekomt omdat de verdediging niet proportioneel was. Ondanks dat het een gevecht van twee tegen één was, heeft verdachte door het gekozen verdedigingsmiddel (een mes) en de wijze waarop hij dit heeft gebruikt, de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden. Verdachte heeft immers direct nadat hij door [persoon 2] (hierna: persoon 2) geslagen werd naar het mes in zijn broeksband gegrepen en uiteindelijk een stekende beweging gemaakt richting de borststreek van [aangever], met als gevolg dat [aangever] in zijn hart is geraakt. De officier van justitie stelt dat verdachte zich op een minder ingrijpende manier had moeten verdedigen.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een noodweersituatie waarin verdediging door verdachte tegen de aanranding van zijn lijf door [persoon 2] en [aangever] noodzakelijk was. Volgens de raadsvrouw is voldaan aan het subsidiariteitsvereiste, nu verdachte zich niet kon onttrekken aan de situatie. Ook aan het proportionaliteitsvereiste is voldaan, nu verdachte in angst leefde, gelet op de verschillende bedreigingen die [aangever] gedurende een langere periode via social media- in zijn richting heeft geuit. Het gebruik van een mes is volgens de raadsvrouw proportioneel geweest, omdat er geen andere middelen binnen handbereik waren, waarmee verdachte zich effectief tegen de aanval kon verdedigen. Verdachte heeft zich ten tijde van de aanval onmachtig gevoeld in de confrontatie met de twee belagers. Hij kon geen kant op en heeft toen in een reflex zijn mes gepakt en daarmee een stekende beweging richting [aangever] gemaakt. De raadsvrouw wijst erop dat het feit dat verdachte een mes bij zich droeg, niet in de weg hoeft te staan aan het oordeel dat het gebruik daarvan in een noodweersituatie gerechtvaardigd is. Hierbij is relevant het moment en de wijze waarop verdachte het mes heeft gebruikt, alsmede de omstandigheden waaronder van het mes gebruik is gemaakt. Hierbij wordt onder meer gewezen op de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 5 februari 2019 (ECLI:NL:RBNNE:2019:381). De raadsvrouw wijst erop dat ook in de onderhavige zaak verdachte bij zijn hoofd/nek is gepakt en voorovergebogen stond. Getuigen verklaren dat het leek alsof verdachte viel, al bleef hij staan. Vanuit die houding heeft verdachte naar voren gestoken. Verdachte had absoluut niet de intentie om [aangever] te raken. Sterker nog, hij besefte pas later dat hij [aangever] daadwerkelijk had geraakt. De intentie van verdachte was om met het mes de aanvallers af te schrikken en los te komen uit de greep van [aangever]. Gelet op deze omstandigheden doet verdachte volgens de raadsvrouw terecht een beroep op noodweer en dient verdachte ontslagen te worden van alle rechtsvervolging.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

Voor een geslaagd beroep op noodweer in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat de handeling geboden is door de noodzakelijk verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed, tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Hierin ligt besloten dat moet zijn voldaan aan de eis van subsidiariteit; was verdediging tegen de aanranding noodzakelijk, en de eis van proportionaliteit; stond de reactie in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding (Hoge Raad 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, rechtsoverwegingen 3.5.2 en 3.5.3).

Onder bijzondere omstandigheden kunnen gedragingen van de verdachte aan het slagen van een beroep op noodweer in de weg staan, bijvoorbeeld als de verdachte het latere slachtoffer heeft geprovoceerd of bewust de confrontatie heeft gezocht en een gewelddadige reactie heeft uitgelokt. De enkele omstandigheid dat een verdachte zich willens en wetens in een gevaarlijke situatie heeft begeven of dat een verdachte zich als voorzorgsmaatregel van een wapen heeft voorzien, is daartoe evenwel onvoldoende (rechtsoverweging 3.7.1).

Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen en de overige inhoud van het dossier gaat de rechtbank uit van de volgende feitelijke toedracht.

Op 30 januari 2020 zijn [aangever], [persoon 2] en een derde persoon naar het winkelcentrum ‘t Kalf in Zaandam gegaan om met verdachte te vechten. Verdachte heeft op dezelfde dag via social media contact gehad met [aangever] en heeft daarbij afgesproken hem daar te ontmoeten om te vechten. Verdachte had sinds die middag een (keuken)mes bij zich, dat hij op een gegeven moment in zijn broeksband heeft gestopt. In het winkelcentrum zijn [persoon 2], [aangever] en de derde persoon op verdachte afgestapt en om hem heen gaan staan. Vrijwel direct heeft [persoon 2] verdachte bij de keel gepakt en hem met zijn rug tegen het raam van een fietsenwinkel geduwd. [Persoon 2] heeft verdachte vervolgens een- of tweemaal in het gezicht geslagen met zijn vuist. Schoppen of trappen tegen het lichaam van verdachte acht de rechtbank niet komen vast te staan, nu alleen verdachte hierover heeft verklaard. Na deze klap of klappen heeft verdachte naar het mes in zijn broeksband gegrepen. [aangever] heeft geprobeerd om het mes van verdachte af te pakken door zijn hand op de arm van verdachte te leggen, waarop een worsteling tussen hen is ontstaan. Verdachte heeft zich losgetrokken uit de greep van [aangever] en [aangever] heeft hierna een stap naar achteren gedaan. Direct hierop heeft verdachte met het mes een stekende beweging gemaakt richting de borststreek van [aangever] en heeft hij hem daarbij geraakt in het hartzakje.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het bestaan van een noodweersituatie aannemelijk is geworden, omdat verdachte werd aangevallen.

Verder is voldaan aan het subsidiariteitsvereiste, omdat verdachte door meerdere personen werd omringd en daarbij met zijn rug tegen een raam is geduwd, waardoor hij op dat moment redelijkerwijs geen mogelijkheid had zich te onttrekken aan de aanval.

De omstandigheid dat verdachte en [aangever] klaarblijkelijk hebben afgesproken met de bedoeling te gaan vechten en de omstandigheid dat verdachte een mes bij zich had, staan naar het oordeel van de rechtbank niet aan het slagen van het beroep op noodweer in de weg. Gelet op de hiervoor genoemde overweging van de Hoge Raad in het arrest van 22 maart 2016, is geen sprake van een culpa-in-causa situatie.

De rechtbank is echter van oordeel dat niet voldaan is aan de eis van proportionaliteit. Deze eis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien deze -als verdedigingsmiddel- niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling hiervan centraal. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat in beginsel het ter verdediging met kracht toebrengen van een diepe, potentieel dodelijke steekwond niet in verhouding staat tot een aanval die bestaat uit het slaan met de blote handen dan wel een vuist (vergelijk HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5982, NJ 2008/233). Uit de verklaring van getuige [getuige 2] van der Biezen (dossierpagina 89) blijkt verder nog het volgende: ‘voordat ik, [persoon 3] of [getuige 1] tussen de ruzie konden komen zag ik dat [verdachte] een mes pakte (…) en een steekbeweging maakte naar een van die drie jongens, namelijk naar [aangever].’ Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte direct na de eerste klap(pen) naar zijn mes heeft gegrepen. De rechtbank is van oordeel dat de aard, intensiteit en duur van de aanval -in dat stadium- niet dusdanig ernstig waren dat verdediging door middel van het onmiddellijk steken met een mes in de borststreek te rechtvaardigen is. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte met het mes gewaarschuwd of gedreigd heeft richting [persoon 2] of [aangever] om de aanval te stoppen. Daar komt bij dat vast staat dat [aangever], na de worsteling met verdachte en voordat verdachte de stekende beweging maakte, een stap naar achteren heeft gezet. De ruimte die daardoor ontstond heeft verdachte niet benut om zijn belagers af te schrikken met het mes; hij heeft meteen een stekende beweging in de richting van de borststreek van [aangever] gemaakt, waarbij hij hem raakte in zijn hart.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich onder de geschetste omstandigheden op een minder ingrijpende manier tegen de aanval had kunnen en moeten verdedigen, dan hij heeft gedaan. Gelet hierop verwerpt de rechtbank het beroep op noodweer.

Het bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag

Er is (ook overigens) geen omstandigheid aannemelijk geworden, waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Beroep op noodweerexces

5.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van noodweerexces, nu het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt dat verdachte handelde vanuit een door de aanval opgeroepen hevige gemoedsbeweging. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat het zwart werd voor zijn ogen maar deze enkele opmerking is onvoldoende om een hevige gemoedsbeweging aan te nemen. Daarnaast is er in de lezing van het openbaar ministerie sprake van kwaadheid vooraf jegens [aangever]. Verdachte heeft een al langer lopend conflict met [aangever] en [persoon 2], spreekt met hen af, neemt een weloverwogen gekozen mes mee en gaat naar de plek toe waar [aangever] zou zijn, met als doel ‘vechten’. Al deze omstandigheden leiden ertoe dat er geen ruimte is voor een geslaagd beroep op noodweerexces.

Indien de rechtbank deze visie niet zou volgen en van oordeel is dat er wel sprake is van noodweer dan wel noodweerexces, dan dient nog een aanvullende toets van de ‘eigen schuld’ plaats te vinden. Verdachte heeft zichzelf namelijk in deze situatie gebracht door een mes mee te nemen met het oog op een confrontatie waarbij hij het mes zou kunnen gebruiken. Hierdoor heeft verdachte de kans op escalatie groter gemaakt.

5.2.

Standpunt van de verdediging

Subsidiair heeft de raadsvrouw een beroep gedaan op noodweerexces, nu verdachte als gevolg van de aanval -en gezien de voorgeschiedenis met deze groep- in een hevige gemoedbeweging is geraakt, waarbij hij de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden. Gelet hierop dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

Van noodweerexces is sprake indien de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging, het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt. Uit het wettelijke vereiste dat bij een beroep op noodweerexces de gedraging het ‘onmiddellijk gevolg’ moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van het hier bedoelde ‘onmiddellijk gevolg’, kan betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden, alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging. Niet is uitgesloten dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging. Aan het gevolgvereiste is niet voldaan indien de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op een eerder bestaande emotie, zoals bijvoorbeeld een reeds bestaande kwaadheid jegens het slachtoffer (Hoge Raad 31 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0180, NJ 2009/177). Bij een hevige gemoedbeweging valt ook te denken aan angst, vrees of radeloosheid.

Verdachte heeft over het steken met het mes en zijn gemoedstoestand onder meer verklaard dat hij een steekbeweging met het mes heeft gemaakt nadat [aangever] naar achteren stapte, dat hij adrenaline voelde en dat hij op dat moment moest reageren. Ook heeft verdachte (bij de politie) verklaard dat hij niet wist wat hij moest doen en dat het zwart werd voor zijn ogen.

De rechtbank overweegt verder dat uit het dossier blijkt dat verdachte bewust rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat hij daadwerkelijk met het mes zou gaan steken. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het aannemelijk is dat de voorgeschiedenis tussen de twee rivaliserende groepen heeft meegespeeld in de confrontatie. Vast staat dat verdachte na een afspraak te hebben gemaakt om te gaan vechten zich doelbewust, bewapend met een mes, naar de afgesproken plaats heeft begeven. Verdachte heeft verklaard dat hij het mes eerder die dag bij zich had gestoken en dat hij daarbij heel specifiek heeft nagedacht over wat voor soort mes hij meenam en welke schade dit mes zou veroorzaken als hij ermee zou steken.

Mede tegen die achtergrond leveren de verklaringen van de verdachte en de overige omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten op om te kunnen spreken van een ‘hevige gemoedsbeweging’ bij verdachte die door de aanval zou zijn veroorzaakt. Ook anderszins is niet gebleken dat verdachte ten tijde van het voorval in een dusdanige paniek verkeerde of dermate angstig of radeloos was dat hij de grenzen van de noodzakelijke verdediging -op deze vergaande wijze- heeft mogen overschrijden. Dat de overschrijding van noodzakelijke verdediging het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de aanranding, is al met al niet aannemelijk geworden. Het beroep op noodweerexces wordt daarom eveneens verworpen.

5.4.

Pro Justitia rapport

In opdracht van de officier van justitie heeft drs. [GZ-psycholoog], GZ-psycholoog, een psychologisch onderzoek ingesteld naar de persoon van verdachte. De rechtbank heeft kennisgenomen van de bevindingen van de psycholoog, zoals neergelegd in het Pro Justitia rapport van 20 mei 2020 (hierna ook: PO).

Dit rapport houdt onder meer in dat bij verdachte in de ten laste gelegde periode sprake was

een ziekelijke stoornis, te weten ADHD en ODD, alsmede van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens vanwege een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Er kan gesteld worden dat verdachte beperkt is in zijn informatieverwerking, oplossingsvaardigheden, emotieregulatie en het controleren van impulsen. Hierdoor is hij sterk afhankelijk van sturing en begrenzing vanuit zijn omgeving. In het afgelopen jaar hebben zich verschillende ingrijpende gebeurtenissen voorgedaan binnen zijn familie, wat een negatieve invloed heeft gehad op de pathologie en voor verdere emotionele ontregeling zorgde. Ook de morele ontwikkeling van verdachte wordt beperkt, doordat hij nog sterk redeneert vanuit eigen perspectief en zich moeilijk in anderen kan verplaatsen.

Onderzoeker denkt dat verdachte niet goed bij machte was de risico's van het bij zich hebben van een mes te overzien en hij minder goed in staat was tot een andere oplossing te komen. Daarbij heeft (vanuit de bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling en ODD) de morele ontwikkeling vermoedelijk ook weinig rem gevormd op dergelijke maatschappelijk onaanvaardbare oplossingen. Op basis van bovenstaande is onderzoeker van mening dat verdachte in de aanloop naar het ten laste gelegde door zijn pathologie beperkt werd tot alternatieve oplossingen te komen en onvoldoende de risico's en gevolgen van zijn handelen overzag. Vanuit de gestandaardiseerde risicotaxatie-instrumenten wordt de kans op geweldsrecidive geschat op ‘matig’ als er geen pogingen worden ondernomen tot risicohantering. Dit sluit aan bij de klinische inschatting.

Gezien voornoemde conclusies wordt geadviseerd verdachte het ten laste gelegde, indien bewezen, in verminderde mate toe te rekenen.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundige over en maakt deze tot de hare. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bewezenverklaarde aan verdachte kan worden toegerekend, zij het in verminderde mate.

Omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden, die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit, is verdachte wel strafbaar.

6 Motivering van de sancties

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van tien 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht en een proeftijd van twee jaar. Daarbij heeft zij gevorderd de algemene en bijzondere voorwaarden op te leggen zoals de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft geadviseerd. Oplegging van een locatieverbod als bijzondere voorwaarde acht de officier van justitie, evenals Raad, niet langer aan de orde.

Oplegging van onvoorwaardelijke jeugddetentie acht de officier van justitie passend en geboden, gelet op de aard en de ernst van het feit. Tevens sluit de eis aan bij het regionaal preventiebeleid dat ten aanzien van dit soort feiten gevoerd wordt.

6.2.

Standpunt van de verdachte/de verdediging

Indien de rechtbank, anders dan door de verdediging bepleit, tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde en tot strafbaarheid van verdachte komt, heeft de verdediging verzocht om bij de strafmaat rekening te houden met het advies van de Raad. Een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest in combinatie met een voorwaardelijk strafdeel acht de raadsvrouw meer passend dan verdachte wederom jeugddetentie te laten ondergaan. Zij heeft erop gewezen dat een justitiële jeugdinrichting geen goede plek is voor verdachte en dat hij meer gebaat is bij de door de Raad geadviseerde behandelingen. Desgewenst zou aan verdachte voorts nog een onvoorwaardelijke werkstraf kunnen worden opgelegd van een door de rechtbank te bepalen duur.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 30 januari 2020 opzettelijk gepoogd [aangever] van het leven te beroven door met een mes een voorwaartse steekbeweging in de richting van de borststreek te maken, waarbij [aangever] in een hartzakje is geraakt. [aangever] is naar het ziekenhuis overgebracht, waar hij acuut een urenlange operatie heeft moeten ondergaan, waarbij de artsen [aangever] zelfs hebben moeten reanimeren. Het is een feit van algemene bekendheid dat een gebeurtenis zoals deze voor het slachtoffer vaak vergaande en langdurige nadelige psychische gevolgen heeft. Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring en de gegeven toelichting op de vorderingen van de benadeelde partijen blijkt dat daar in dit geval ook sprake van is. [aangever] kampt als gevolg van het incident nog regelmatig met nachtmerries en een drukkend gevoel op de borst. Ook is hij angstig en heeft hij een groot ontsierend litteken op zijn lichaam (borst), waarmee hij dagelijks wordt geconfronteerd, ook in sociale situaties. Verdachte heeft met zijn handelen ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [aangever]. Ook de ouders van [aangever] hebben uren in onzekerheid verkeerd of [aangever] het steekincident zou overleven. Daarnaast hebben zij lange tijd hun zoon moeten verzorgen. Door zijn handelen heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig feit, dat [aangever] maar ternauwernood heeft overleefd. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf verder in aanmerking genomen dat de achtergrond van dit misdrijf gelegen is in de strijd tussen twee rivaliserende groepen, die al geruime tijd gaande is.

Verder veroorzaakt het feit, zeker nu dit op de openbare weg en in het zicht van het winkelend publiek heeft plaatsgevonden, ook in de samenleving in het algemeen gevoelens van onrust en onveiligheid. Daarbij zijn meerdere jongeren, waaronder bekenden van [aangever], van heel dichtbij getuige geweest van dit schokkende incident. Dit alles rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op de volgende stukken:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 7 mei 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, en

- het hiervoor genoemde PO, en

- de over de verdachte uitgebrachte rapportage van de Raad, gedateerd 22 mei 2020, uitgebracht door mw. [medewerker bij de Raad voor de Kinderbescherming].

De Raad heeft de rechtbank geadviseerd om -bij een bewezenverklaring van het feit- verdachte onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest en daarnaast voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met als bijzondere

voorwaarden dat:

*verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de gecertificeerde instelling de William Schrikker Stichting, Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna ook te noemen: de WSJ)

te Amsterdam;

*verdachte meewerkt aan een intensieve behandeling (zowel individueel als gezinstherapie) bij De Waag of een vergelijkbare organisatie;

*verdachte verboden wordt contact te leggen of te laten leggen met het slachtoffer en de betrokkenen van het incident;

*verdachte zich houdt aan een avondklok (nader te specificeren door de jeugdreclasseerder);

*verdachte verboden wordt om zich op of in de directe omgeving van de plaats delict te bevinden, mede vanwege zijn eigen veiligheid; gemonitord door een Elektronisch Controle. De Elektronisch Controle zal langzaam afgebouwd kunnen worden, onder regie van de jeugdreclassering;

*verdachte zich blijft houden aan een social-mediaverbod, waarbij het verdachte verboden wordt om zonder toezicht van ouders zich te bevinden op social media en op zijn telefoon; dit ter bescherming van verdachte zelf en van het slachtoffer;

waarbij de WSJ opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de nakoming van de bijzondere voorwaarden.

Daarnaast adviseert de Raad om aan verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen in de vorm van een werkstraf.

Ter terechtzitting heeft mevrouw [zittingsvertegenwoordiger bij de Raad voor de Kinderbescherming] namens de Raad voornoemd advies goeddeels gehandhaafd en daarbij opgemerkt dat een locatieverbod voor verdachte als bijzondere voorwaarde niet nodig is. Volgens de Raad strekt een dergelijke voorwaarde te ver, nu het betreffende winkelcentrum in de directe woonomgeving van verdachte ligt. Daarnaast dient bij de bijzondere voorwaarden het gegeven advies aangevuld te worden met de zinsnede ‘zolang de WSJ dat in overleg met de officier van justitie noodzakelijk acht’. Hoewel verdachte zich in de afgelopen periode goed aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden, wordt ingeschat dat hij nog lange tijd toezicht nodig zal hebben. Dit nu verdachte uitdraagt dat, ondanks dat hij bereid is hieraan mee te werken, hij geen hulp nodig heeft. Omdat de intrinsieke motivatie derhalve nog niet aanwezig is, acht de Raad het van belang dat verdachte (intensieve) behandeling krijgt geboden binnen het strafrechtelijk kader, zodat de kans op recidive wordt verkleind.

De heer [jeugdreclasseerder] heeft ter zitting -namens de WSJ- aangegeven, dat verdachte zich in de afgelopen periode goed aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden. De risico’s die ten tijde van de schorsing aanwezig waren, zijn echter nog steeds aanwezig. Er zijn nog steeds spanningen tussen de twee jongerengroepen. Daarnaast is het van groot belang dat voor verdachte en zijn familie de noodzakelijke behandeling wordt ingezet. De heer Mud staat achter het advies van de Raad met betrekking tot de strafoplegging.

Met betrekking tot de strafoplegging overweegt de rechtbank verder nog het volgende.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit is de rechtbank van oordeel dat een aanzienlijke straf op zijn plaats is. De rechtbank heeft bij de bepaling van de modaliteit en de duur van de straf acht geslagen op de straffen die min of meer vergelijkbare zaken worden opgelegd. Gelet hierop is in beginsel een jeugddetentie van geruime duur passend en geboden. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank op grond van de persoonlijke omstandigheden van verdachte oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie langer dan het voorarrest evenwel niet op zijn plaats. Hierbij neemt de rechtbank in het bijzonder in aanmerking de jeugdige leeftijd van verdachte (15 ten tijde van het feit) en het feit dat hij first offender is. Verder is van belang de verminderde toerekenbaarheid van verdachte en de persoonlijke problematiek van verdachte die uit het PO naar voren komt. Ook is meegewogen dat verdachte 28 dagen vast heeft gezeten en dat hij zich, sinds de schorsing uit de voorlopige hechtenis, aan zeer strenge voorwaarden heeft gehouden en gedurende een geruime periode met zijn ouders in een ‘safe house’ heeft verbleven, waarbij zijn vrijheid ook ernstig ingeperkt is geweest. Verder staat verdachte sinds de schorsing onder elektronisch toezicht en heeft hij zich gehouden aan een locatieverbod en een avondklok. Ook is hij de afspraken met de WSJ nagekomen. De verwachting is dat verdachte -mede door de inzet van de ouders- zich aan de strenge voorwaarden zal (blijven) houden en dat hij kan profiteren van de beoogde (intensieve) behandelingen. Het in dit stadium terugsturen van verdachte naar een justitiële jeugdinrichting zal de positieve vorderingen die hij reeds heeft gemaakt doorkruisen, wat niet wenselijk is.

Tot slot heeft de rechtbank -in het voordeel van verdachte- acht geslagen op het feit dat het initiatief voor de confrontatie ter plekke uitging van de kant van [aangever] en [persoon 2], tegen de achtergrond van een lang lopend conflict tussen twee rivaliserende groepen.

De rechtbank zal daarom een groot deel van de aan verdachte op te leggen jeugddetentie voorwaardelijk opleggen. Aan de op te leggen straf zullen algemene en bijzondere voorwaarden -zoals door de Raad is geadviseerd- worden verbonden met een proeftijd van twee (2) jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van de proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met WSJ noodzakelijk. Nu de noodzaak tot behandeling van verdachte groot is, ziet de rechtbank aanleiding om dit ook via het opleggen van bijzondere voorwaarden te waarborgen.

De bijzondere voorwaarden zullen blijven gelden zolang de WSJ dat in overleg met de officier van justitie noodzakelijk acht.

Evenals de Raad, de officier van justitie en de raadsvrouw, acht de rechtbank een locatieverbod bij ’t Kalf in Zaandam als bijzondere voorwaarde niet noodzakelijk en een te grote inbreuk op de bewegingsvrijheid van verdachte, nu dit zijn directe woonomgeving betreft. Daar komt bij dat het slachtoffer niet in dezelfde stad woont, zodat het risico klein is dat het slachtoffer verdachte aldaar tegen komt.

Omdat het een zeer ernstig feit betreft en de rechtbank het van belang vindt dat verdachte de consequenties van het delict ervaart, is naar het oordeel van de rechtbank, naast een (on)voorwaardelijke jeugddetentie en de bijzondere voorwaarden waaraan verdachte zich moet houden, ook een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van 160 uren op zijn plaats.

Dadelijke uitvoerbaarheid voorwaarden en toezicht

Gelet op de omstandigheid dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, te weten een poging tot doodslag, en gelet op het feit dat er op meerdere leefgebieden zorgen bestaan omtrent verdachte, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank ambtshalve bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

7 Vorderingen benadeelde partijen

7.1.1 Vordering benadeelde partij [aangever]

De benadeelde partij [aangever] heeft middels gemachtigde mr. R. Korver een vordering tot schadevergoeding van € 23.029,15 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De gestelde materiële schade van € 3.029,15 bestaat uit:

-opname ziekenhuis van € 150,-

-kleding € 733,24

-beschadiging Iphone 7 € 93,-

-medische kosten € 52,91

-toekomstige reis- en medische kosten € 2.000,-

Daarnaast heeft de benadeelde partij een bedrag gevorderd van € 20.000,- wegens immateriële schade. Ter onderbouwing is namens de benadeelde partij aangevoerd dat het een wonder is dat het slachtoffer het steekincident heeft overleefd. Het slachtoffer heeft een urenlange operatie moeten ondergaan met als gevolg dat hij één groot litteken en meerdere kleinere littekens op zijn lichaam (borst) heeft. Hij zal de rest van zijn leven hiermee dagelijks geconfronteerd worden bij het aan en uitkleden. Naast het fysieke letsel heeft het slachtoffer ook psychisch last van wat hem is overkomen. Zo heeft hij last van angstaanvallen en wordt hij ’s nachts regelmatig wakker met een drukkend gevoel op zijn borst. Ook is het slachtoffer een aantal dagen opgenomen geweest in de Yes-We-Cankliniek om onder andere het door hem opgelopen trauma ten gevolge van het misdrijf te behandelen. Ter onderbouwing van de vordering heeft mr. Korver gewezen op een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 30 juli 2015, waarbij aan het slachtoffer eenzelfde bedrag aan immateriële schade is toegekend. Ook heeft mr. Korver gewezen op de discussie rondom de ontwikkeling in de rechtsdoctrine inhoudende dat binnen de rechtspraak steeds meer stemmen opgaan om hogere immateriële schadevergoedingen op te leggen. Mr. Korver ziet geen ruimte voor beperking van de immateriële schade wegens ‘eigen schuld’ van het slachtoffer.

7.1.2. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de gevraagde materiële schade toe te wijzen nu deze voldoende is onderbouwd, met uitzondering van de posten ‘toekomstige reis- en medische kosten’ van € 2.000,-. Gelet op de context en achtergrond van de zaak is zij verder van mening dat een matiging van de immateriële schade aan de orde is. Met het oog hierop acht zij een bedrag van € 16.029,15 toewijsbaar.

De officier van justitie heeft gevorderd om de schade te vermeerderen met de wettelijke rente en hieraan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden.

7.1.3. Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw acht de gevorderde materiële schade voldoende onderbouwd voor zover deze ziet op de kosten voor ziekenhuisopname, de kleding (sweater, T-shirt, voetbalshirt en jas) van het slachtoffer en de medische kosten. Dit komt neer op een bedrag van € 479,50. Onvoldoende is haars inziens onderbouwd waarom de overige kleding en schoenen van het slachtoffer vergoed moeten worden. Ook dienen de kosten van de mobiele telefoon van het slachtoffer te worden afgewezen, nu onduidelijk is of deze telefoon tijdens het voorval is beschadigd. De post toekomstige reis- en medische kosten dien volgens de raadsvrouw niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De raadsvrouw verzoekt de rechtbank om bij het vaststellen van de hoogte van immateriële schadevergoeding rekening te houden met het eigen handelen van het slachtoffer en het feit dat verdachte degene is geweest die als eerste is aangevallen en behoorlijk is toegetakeld. Ook dient rekening te worden gehouden met het feit dat dit een langer lopend conflict betreft en dat het slachtoffer daarin tevens een aandeel heeft gehad. Zij verzoekt daarom de immateriële schadevergoeding aanzienlijk te matigen.

7.1.4. Oordeel van de rechtbank

Gelet op de onderbouwing van de gestelde materiële schade, is de rechtbank van oordeel dat deze schade van in totaal € 1.029,15 (bestaande uit opname ziekenhuis, kleding, beschadiging Iphone 7 en medische kosten) rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Deze posten zijn voldoende onderbouwd en dit bedrag zal dan ook worden toegewezen. De rechtbank acht aannemelijk dat alle kledingstukken, evenals de schoenen van het slachtoffer, onder het bloed zijn gekomen en derhalve niet meer bruikbaar zijn. Ook de gestelde schade aan de Iphone acht de rechtbank redelijk en voldoende onderbouwd.

De vordering zal voor wat betreft de gestelde toekomstige reis- en medische kosten van

€ 2.000,- niet-ontvankelijk worden verklaard, nu dit toekomstige, nog niet gemaakte kosten betreffen.

Ook komt de rechtbank een vergoeding van immateriële schade billijk voor. Bij de begroting van deze schade heeft de rechtbank rekening gehouden met het levensbedreigende letsel en de blijvende littekens aan de borstkas, die de benadeelde door en ten gevolge van het steekincident heeft opgelopen. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat dit een traumatiserende ervaring is geweest voor de benadeelde partij, die hieraan gevoelens van angst en onveiligheid heeft overgehouden.

De rechtbank ziet reden om de vordering tot vergoeding van immateriële schade te matigen nu is komen vast te staan dat het slachtoffer die bewuste dag zelf met anderen naar ’t Kalf is gegaan met de intentie om een gevecht met verdachte aan te gaan en daarbij -samen met [persoon 2]- als eerste geweld heeft gebruikt. Dit terwijl bij het slachtoffer bekend was dat verdachte vaker een mes bij zich droeg.

De rechtbank is, mede gezien hetgeen blijkens de jurisprudentie in soortgelijke zaken wordt toegewezen, van oordeel dat in beginsel een bedrag van € 10.000,- redelijk zou zijn, maar dat rekening moet worden gehouden met het hiervoor genoemde aandeel van het slachtoffer in de aanloop naar het steekincident. Daarbij komt de rechtbank een vermindering van 25% op het toe te kennen bedrag redelijk en billijk voor. Gelet hierop zal de rechtbank het bedrag voor immateriële schade bepalen op € 7.500,- .

De rechtbank stelt het totaalbedrag van de geleden schade van de benadeelde partij daarom vast op een bedrag van € 8.529,15 (bestaande uit € 1.029,15 aan materiële schade en

€ 7.500,- aan immateriële schade) en zal dit bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 1 primair bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: poging tot doodslag) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

7.2.1 Vordering benadeelde partij [de vader]

De benadeelde partij [de vader] (de vader van het slachtoffer) heeft middels gemachtigde

mr. R. Korver een vordering tot schadevergoeding van € 12.634,26 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De gestelde materiële schade van € 2.634,26 bestaat uit:

-reis- en parkeerkosten i.v.m. ziekenhuisbezoeken € 239,34

-toekomstige reiskosten en medische kosten € 1.000,-

-gemiste inkomsten i.v.m. verzorging en verpleging € 1.112,40

-gemaakte kilometers i.v.m. verzorging en verpleging € 282,52.

Daarnaast heeft de benadeelde partij een bedrag gevorderd van € 10.000,- wegens immateriële schade, bestaande uit shockschade.

Tot slot heeft de benadeelde partij vergoeding gevraagd van gemaakte proceskosten van

€ 112,42.

Mr. Korver heeft ter terechtzitting namens de benadeelde verzocht om integrale toewijzing van de vordering, met uitzondering van de post die ziet op shockschade. Deze laatste post is opgenomen om, nu op dit moment de benodigde vaststelling van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld nog ontbreekt, de rechten in hoger beroep veilig te stellen.

7.2.2. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd vergoeding van de materiële schade toe te wijzen nu de gevorderde schade voldoende is onderbouwd, met uitzondering van de posten ‘toekomstige reiskosten en medische kosten’ van € 1.000,-. Met het oog hierop acht zij een bedrag van € 1.634,26 toewijsbaar, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente en vordert zij hieraan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden.

Voor wat betreft de immateriële schade heeft de officier van justitie gesteld dat niet voldaan is aan de uit de jurisprudentie voortvloeiende eis dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Om die reden dient de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk te worden verklaard.

7.2.3. Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de heer [de vader] in zijn vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard voor wat betreft de gevorderde immateriële schade. Ter onderbouwing heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de vordering niet voldoet aan de zware eisen die gelden voor toekenning van een bedrag voor shockschade.

Verder heeft zij aangegeven dat de materiele schade, voor zover deze reis- en parkeerkosten betreft, voor vergoeding in aanmerking komt. Toekomstige medische kosten en reiskosten komen niet voor vergoeding in aanmerking en dit onderdeel van de vordering dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard. Dit geldt eveneens voor het zorgverlof, nu onduidelijk is waarvoor dit verlof nodig is geweest en deze post onvoldoende is onderbouwd.

7.2.4. Oordeel van de rechtbank

Gelet op de onderbouwing van de gestelde materiële schade, is de rechtbank van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 1.634,26 (bestaande uit reis- en parkeerkosten in verband met ziekenhuisbezoeken, gemiste inkomsten vanwege verzorging en verpleging, gemaakte kilometers in verband met verzorging en verpleging) kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf heden tot aan de dag der algehele voldoening.

De reis- en parkeerkosten en de inkomstenderving zijn gevorderd als verplaatste schade. Verplaatste schade kan op grond van artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en artikel 6:107, eerste lid, onder a, van het Burgerlijk Wetboek worden toegewezen. De rechtbank acht ook de gevorderde inkomstenderving toewijsbaar, nu deze voldoende met stukken is onderbouwd.

De gestelde toekomstige reiskosten en medische kosten van € 1.000,- zullen niet-ontvankelijk worden verklaard, nu dit toekomstige, nog niet gemaakte kosten betreft.

Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank dat de benadeelde partij niet voldoet aan de uit de jurisprudentie voortvloeiende zware eisen voor toekenning van shockschade. Gelet hierop zal de vordering op dat onderdeel niet-ontvankelijk worden verklaard.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op € 112,42.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij in zijn vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 1 bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: poging tot doodslag) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

7.2.1 Vordering benadeelde partij [de moeder]

De benadeelde partij [de moeder] (de moeder van het slachtoffer) heeft middels gemachtigde mr. R. Korver een vordering tot schadevergoeding van € 11.391,74 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De gestelde materiële schade bestaat uit:

-reis- en parkeerkosten i.v.m. ziekenhuisbezoeken € 173,22

-toekomstige medische kosten en reiskosten € 1.000,-

-inkomstenderving € 218,52.

Daarnaast heeft de benadeelde partij een bedrag gevorderd van 10.000,- wegens immateriële schade.

Tot slot heeft de benadeelde partij vergoeding gevraagd van € 6.302,03 aan proceskosten, te weten:

-reis- en parkeerkosten i.v.m. de strafzaak € 52,03

-eigen bijdrage rechtsbijstand € 250,-

-kosten rechtsbijstand € 6.000,-.

De benadeelde partij heeft primair een bedrag van € 6.250,- aan kosten voor rechtsbijstand gevorderd. Hoewel ARAG rechtsbijstand de kosten voor rechtsbijstand tot een bedrag van maximaal € 6.000 vergoedt, heeft mr. Korver bepleit dat uit analoge toepassing van jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:1973:AB3408, NJ 1973/355) volgt dat het de benadeelde partij vrij staat om de gemaakte kosten bij de rechtbank in te dienen. Mr. Korver verwijst verder naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2015:2155), waarin is overwogen dat het een benadeelde partij in beginsel vrij staat om te kiezen voor gefinancierde rechtsbijstand. Die keuze kan een benadeelde partij niet worden tegengeworpen mits de kosten van rechtsbijstand niet exorbitant hoog zijn. De benadeelde partij stelt dat de door haar gemaakte kosten redelijk zijn, gelet op de complexiteit van de zaak en de deskundigheid die de door haar gekozen gemachtigde in een dergelijke zaak kan bieden. Verzocht is om de gemaakte kosten ten behoeve van de rechtsbijstand integraal toe te wijzen en niet aan te knopen bij het liquidatietarief, hetgeen gelet op de jurisprudentie mogelijk is.

Subsidiair verzoekt mr. Korver om de kosten voor rechtsbijstand conform het liquidatietarief toe te wijzen. Dit komt volgens de overgelegde berekening neer op 7 punten. Daarbij is uitgegaan van een bedrag van € 695,- per punt. Dit betekent dat een bedrag van

€ 4.865,- voor de gemaakte kosten voor rechtsbijstand wordt gevorderd.

7.2.2. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de post ‘toekomstige reiskosten en medische kosten’ van € 1.000,- niet-ontvankelijk te verklaren en de materiële schade voor het overige toe te wijzen tot het bedrag van € 391,74, nu deze voldoende is onderbouwd.

Voor wat betreft de kosten ten behoeve van rechtsbijstand heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze kosten al zijn voldaan door ARAG. Gelet hierop is deze kostenpost onvoldoende onderbouwd en dient ook deze post niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De officier van justitie heeft gevorderd om de schade te vermeerderen met de wettelijke rente en hieraan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden.

Voor wat betreft de immateriële schade heeft de officier van justitie gesteld dat niet voldaan is aan de uit de jurisprudentie voortvloeiende eis dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Om die reden dient de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk te worden verklaard.

7.2.3. Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat mevrouw [de moeder] in haar vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard voor wat betreft de gevorderde immateriële schade. Ter onderbouwing heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de vordering niet voldoet aan de zware eisen die gelden voor toekenning van een bedrag voor shockschade.

Ten aanzien van de gevorderde kosten voor rechtsbijstand heeft de raadsvrouw aangevoerd dat, mocht de rechtbank van mening zijn dat de kosten voor rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komen, een bedrag van maximaal € 250,- voor de eigen bijdrage aan ARAG vergoed kan worden. De gevorderde nota van € 6.000,- is de nota die ARAG maximaal zal voldoen aan de benadeelde partij voor het inschakelen van rechtsbijstand. Dit bedrag hoeft mevrouw [de moeder] dus niet zelf te voldoen. Het is gebruikelijk dat de nota wel op naam gesteld wordt van de verzekerde.

Verder komen als materiële kosten de reis- en parkeerkosten voor vergoeding in aanmerking. Toekomstige medische kosten en reiskosten komen niet voor vergoeding in aanmerking en dit deel van de vordering dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard. Dit geldt eveneens voor het zorgverlof, nu onduidelijk is waarvoor dit verlof nodig is geweest en deze post onvoldoende is onderbouwd.

7.2.4. Oordeel van de rechtbank

Gelet op de onderbouwing van de gestelde materiële schade, is de rechtbank van oordeel dat deze schade tot in totaal 391,74 (bestaande uit reis- en parkeerkosten in verband met ziekenhuisbezoeken en inkomstenderving) kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf heden tot aan de dag der algehele voldoening. De reis- en parkeerkosten in verband met ziekenhuisbezoek en de inkomstenderving zijn gevorderd als verplaatste schade. Verplaatste schade kan op grond van artikel 51f, tweede lid, Wetboek van Strafvordering en artikel 6:107, eerste lid, onder a, Burgerlijk Wetboek worden toegewezen. De rechtbank acht ook de gevorderde inkomstenderving toewijsbaar, nu deze voldoende met stukken is onderbouwd.

De verzochte vergoeding voor gestelde toekomstige reiskosten en medische kosten van € 1.000,- zal niet-ontvankelijk worden verklaard, nu dit toekomstige, nog niet gemaakte kosten betreft.

Met de officier van justitie en de raadvrouw is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde kosten voor de rechtsbijstand, met uitzondering van de eigen bijdrage van € 250,-, eveneens niet voor vergoeding in aanmerking komen, nu -uit het overgelegde schrijven van ARAG- blijkt dat deze kosten vergoed worden door ARAG. Niet is gebleken dat de benadeelde partij af heeft gezien van deze vergoeding of dat hieraan bepaalde verplichtingen of voorwaarden zijn verbonden op grond waarvan aangenomen kan worden dat deze kosten door de benadeelde partij gemaakt zijn. Nu niet is komen vast te staan dat de benadeelde partij behalve de eigen bijdrage nog andere kosten voor rechtsbijstand heeft gemaakt, zal de rechtbank de benadeelde partij in dit deel van de gevorderde kosten niet-ontvankelijk verklaren. De door mr. Korver aangehaalde jurisprudentie acht de rechtbank op essentiële punten wezenlijk anders en biedt naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte voor analoge toepassing.

Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank dat de benadeelde partij niet voldoet aan de uit de jurisprudentie voortvloeiende zware eisen voor toekenning van shockschade. Gelet hierop zal de vordering op dat onderdeel niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank stelt het totaalbedrag van de geleden schade van de benadeelde partij vast op een bedrag van € 391,74 en wijst dit bedrag toe, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf heden tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op € 52,03 aan reis- en parkeerkosten en € 250,- aan eigen bijdrage in de kosten van rechtsbijstand.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 1 bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: poging tot doodslag) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36f, 45, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77za, 77aa, 77gg, 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het onder 1 primair bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4.3 vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot honderdtachtig (180) dagen jeugddetentie.

Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot honderd en tweeënvijftig (152) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten achtentwintig (28) dagen, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

- zich houdt aan de aanwijzingen van de gecertificeerde instelling de William Schrikker Stichting, Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te Amsterdam;

- meewerkt aan een intensieve behandeling (zowel individueel als gezinstherapie) bij De Waag of een vergelijkbare organisatie;

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact opneemt, zoekt of heeft met [aangever] en de andere betrokkenen bij het incident;

- zich houdt aan een avondklok (nader te specificeren door de aangewezen jeugdreclasseerder);

- meewerkt aan Elektronisch Controle, welke controle langzaam afgebouwd zal worden onder regie van de jeugdreclassering;

- zich blijft houden aan een "social media"-verbod, waarbij de veroordeelde niet zonder toezicht van zijn ouders gebruikt maakt van “social media”, al dan niet door middel van zijn telefoon,

welke bijzondere voorwaarden blijven gelden zolang de WSJ dat in overleg met de officier van justitie noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan de William Schrikker Stichting, Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te Amsterdam tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie noodzakelijk acht.

Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van honderdzestig (160) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door tachtig (80) dagen jeugddetentie.

Beveelt dat de op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Vorderingen benadeelde partijen

Vordering [aangever]

Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [aangever] geleden schade, te weten tot een bedrag van € 8.529,15, bestaande uit € 1.029,15 voor de materiële en € 7.500,- voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [aangever], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [aangever] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 8.529,15, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Vordering [de vader]

Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [de vader] geleden schade tot een bedrag van € 1.634,26, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf heden tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de vader], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 112,42, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de vader] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.634,26, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf heden tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Vordering [de moeder]

Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [de moeder] geleden schade tot een bedrag van € 391,74 bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf heden tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de moeder], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 302,03, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de moeder] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 391,74 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf heden tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. G. Drenth, voorzitter,

mr. B.M.A. Bataille en mr. N. Cuvelier, rechters, allen tevens kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. S. Nourozi Oranje, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 juni 2020.

Mr. B.M.A. Bataille is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.