Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:4276

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-06-2020
Datum publicatie
19-06-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2265
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om handhaving afgewezen. Zaak te complex voor voorlopige beoordeling. De voorzieningenrechter beperkt zich daarom tot afweging van de betrokken belangen en wijst gelet op die belangen het verzoek af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2020-0158
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/2264

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 juni 2020 in de zaak van tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster,

en

Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, verweerder

(gemachtigde: ing. J.E. Benz).

Tevens heeft aan het geding deelgenomen:

[derde belanghebbende]

(gemachtigde mr. J.C. Ellerman).

Procesverloop

Bij besluit van 13 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het handhavingsverzoek van verzoekster afgewezen. Het bezwaar van verzoekster hiertegen heeft verweerder bij besluit van 3 april 2020 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om in verband met dat besluit een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 juni 2020 op zitting behandeld.

Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] (voorzitter) en [naam 2] (secretaris). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van [naam 3] en [naam 4] . Derde-partij is vertegenwoordigd door [naam 5] (projectdirecteur), vergezeld van [naam 6] (projectleider), [naam 7] (projectleider groengebied) en [naam 8] (ecologisch adviesbureau [# 1] ), bijgestaan door voornoemde gemachtigde. De zitting heeft vanwege corona-virus plaatsgevonden op afstand met gebruikmaking van elektronische communicatiemiddelen.

Overwegingen

1.1

Op grond van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dit vereist.

1.2

Het oordeel van de voorzieningenrechter is voorlopig en bindt de rechter die in de bodemprocedure oordeelt over het geschil niet.

1.3

De inhoudelijk relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

2.1

In het kader van het door derde-partij uitgevoerde project ‘ [A] ’, dat voorziet in de realisatie van [# 2] woningen met bijbehorende voorzieningen in de [A] , ten zuidoosten van [plaats 1] tussen [plaats 2] en [plaats 3] , heeft verweerder aan derde-partij een aantal ontheffingen verleend van de verbodsbepalingen als opgenomen in de Wet natuurbescherming (Wnb), waaronder die van 1 november 2017, 10 april 2018 en 31 juli 2019.

2.2

Met genoemde ontheffingen heeft verweerder - kort samengevat- onder voorwaarden ontheffing verleend van het verbod als genoemd in

- artikel 3.5, eerste lid, van de Wnb voor zover het betreft het vangen van de

heikikker, rugstreeppad en platte schijfhoren;

- artikel 3.5, eerste lid, van de Wnb voor zover het betreft het (opzettelijk) doden van

de platte schijfhoren;

- artikel 3.5, tweede lid, van de Wnb voor zover het betreft het opzettelijk verstoren

van de heikikker, rugstreeppad en platte schijfhoren;

- artikel 3.5, derde lid, voor zover het betreft het opzettelijk vernielen en rapen van

eieren van de platte schijfhoren;

- artikel 3.5, vierde lid, van de Wnb voor zover het betreft het opzettelijk

beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de

heikikker, rugstreeppad en platte schijfhoren;

- artikel 3.6, tweede lid, van de Wnb voor zover het betreft het onder zich hebben en

vervoeren van exemplaren van de heikikker, rugstreeppad en platte schijfhoren;

- artikel 3.10, eerste lid van de Wnb voor wat betreft het opzettelijk beschadigen of

vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de ringslang,

wezel en hermelijn;

- artikel 3:34, eerste lid, van de Wnb voor het uitzetten van de heikikker,

rugstreeppad en platte schijfhoren.

2.3

Aan genoemde ontheffingen zijn diverse voorschriften verbonden waaronder onder meer de volgende:

Ontheffing 1 november 2017

Voorschrift 18: De biotopen en natuurtypen die in het compensatiegebied zijn en worden ontwikkeld, dienen te worden gerealiseerd conform de inrichtingsplannen (zie bijlagen bij dit besluit) en te voldoen aan de specifieke eisen die de beschermde soorten aan hun biotoop stellen.

Voorschrift 19: Alvorens de beschermde soorten naar (delen van) het compensatiegebied worden verplaatst, dienen deze gebieden functioneel te zijn en te voldoen aan de eisen gesteld onder voorschrift 18.

Voorschrift 30: Bij het afvangen van amfibieën in geschikt landbiotoop dient te worden gewerkt conform de methode zoals is beschreven in het ecologisch werkprotocol en is bijgevoegd bij onderhavige beschikking.

Ontheffing 10 april 2018

Voorschrift 23. Het compensatiegebied dient te worden ingericht overeenkomstig de bij de aanvraag gevoegde ‘inrichtingsschets compensatiegebied’ en voorts te voldoen aan de specifieke eisen die de beschermde soorten aan hun biotoop stellen.

3.1

Verzoekster heeft verweerder bij brief van 19 juli 2019 verzocht om handhavend op te treden tegen derde-partij in verband met overtredingen van de Wet natuurbescherming. Daarbij heeft verzoeker –kort samengevat - gesteld dat:

- derde-partij bij de uitvoering van de werkzaamheden diverse verbodsbepalingen zou overtreden, mede omdat derde-partij zich bij de uitvoering van de werkzaamheden niet zou houden aan de aan de ontheffing van de verbodsbepalingen verbonden voorschriften. Zo zou derde-partij handelen in strijd met voorschrift 19 van de ontheffing van 1 november 2017, omdat voorafgaand aan onttrekking van leefgebied van beschermde soorten voldoende compensatiegebied beschikbaar zou moeten zijn, maar dit, qua oppervlakte en draagkracht niet het geval is;

- derde-partij voorzieningen in de compensatiegebieden aanbrengt en dat dit strijd oplevert met voorschrift 23 van de ontheffing van 10 april 2018;

- derde-partij zich schuldig zou maken aan het verplaatsen van beschermde soorten naar gebieden die daar niet geschikt voor zijn dan wel daarvoor niet als compensatiegebied zijn aangewezen;

- derde-partij zich niet zou houden aan de in de ontheffing voor de diverse beschermde soorten genoemde kwetsbare perioden, en

- de door derde-partij gebruikte faunaschermen de bewegingsvrijheid van de beschermde soorten te zeer beperken. Zo kunnen onder meer overwinteringsplaatsen niet worden bereikt.

3.2

Verweerder heeft het verzoek afgewezen, omdat van overtredingen geen sprake zou zijn.

4.1

Verzoekster heeft tegen deze afwijzing bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om en voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek heeft verzoekster vervolgens weer ingetrokken, en de behandeling van het bezwaar is door verweerder aangehouden, omdat derde-partij bereid bleek om samen met verzoekster te trachten door overleg uit de ontstane impasse te komen.

4.2

Omdat het overleg niet heeft geleid tot doorbreking van de ontstane impasse, is de behandeling van het bezwaar door verweerder hervat. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat van (de gestelde) overtredingen geen sprake was en dat het verzoek om handhaving daarom terecht is afgewezen.

5. Verzoekster heeft hiertegen gemotiveerd beroep ingesteld. Daarnaast heeft verzoekster de voorlopige voorzieningenrechter andermaal om een voorlopige voorziening verzocht. Daarbij heeft verzoekster in het verzoekschrift en ter zitting - kort samengevat - gesteld dat er een voorlopige voorziening dient te worden getroffen, omdat de realisatie en verbetering van de draagkracht van compensatiegebied achterblijft bij de onttrekking van leefgebied van de beschermde soorten, mede omdat delen van de compensatiegebieden worden gebruikt voor andere doeleinden (voor ontsluitingswegen en recreatieve voorzieningen en agrarische doeleinden). Daarnaast heeft verzoekster er in het verzoek op gewezen dat faunaschermen zo zijn geplaatst dat dit de noodzakelijke bewegingsvrijheid en daarmee het functioneel leefgebied van de beschermde soorten ernstig beperkt. Verzoekster vreest daarom voor de gunstige staat van instandhouding van de in de [A] aanwezige beschermde soorten.

6. De voorzieningenrechter stelt voorop dat deze procedure zich naar haar aard niet leent voor een inhoudelijk diepgaande beoordeling van het ingestelde beroep in volle omvang. Het betreft hier immers een procedure met een spoedeisend karakter en daarin is onvoldoende ruimte voor een uitgebreid en diepgaand onderzoek naar alle materiële

(rechts-)vragen. De beoordeling van de voorzieningenrechter zal daarom in de kern globaal van aard moeten zijn, zodat het antwoord op de vraag of thans vooruitlopend op de behandeling in de bodemprocedure en ter voorkoming van de door verzoekster gestelde onomkeerbare situatie, een voorlopige voorziening moet worden getroffen in het bijzonder afhankelijk zal zijn van een daartoe te maken belangenafweging. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

7. Evident is dat er een groot maatschappelijk belang gediend is met voltooiing van het inmiddels gevorderde project ([# 2] woningen) en dat stopzetting van (delen van) het project grote financiële gevolgen voor derde-partij zal hebben. Hiertegenover staat het belang dat verzoekster vertegenwoordigt: het belang bij (het behoud van) de gunstige staat van instandhouding van de beschermde diersoorten die leven in de [A] . Aan verzoekster moet worden toegegeven dat ook dit belang zeer zwaar weegt, maar hetgeen namens verzoekster ter adstructie van haar stellingen naar voren is gebracht biedt naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorshands niet een zodanig houvast dat dit het treffen van een ordemaatregel rechtvaardigt. Verzoekster is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter vooralsnog immers niet in geslaagd voldoende aannemelijk te maken dat (de realisatie van) het compensatiegebied niet voldoet aan de daaraan (kwalitatief en kwantitatief) te stellen eisen. Verzoekster heeft de bevindingen zoals neergelegd in de notitie ‘Uitgangspunten boekhouding natuurcompensatie’ van 28 februari 2020 van [# 3] (waarin geconcludeerd wordt dat er voldoende en voortijdig gecompenseerd wordt op de wijze als voorgeschreven) weliswaar gemotiveerd betwist, maar die betwisting berust - naar het de voorzieningenrechter voorkomt - in de kern op een principieel ander standpunt over de vraag of en in hoeverre bepaalde inrichtingselementen en handelingen (de ontsluitingswegen, de faunaschermen, de recreatieve elementen en het agrarisch gebruik) van invloed (zullen) zijn op de vraag of er voor de beschermde soorten (kwalitatief en kwantitatief) tijdig voldoende compensatiegebied beschikbaar is. Op basis van de thans voorhanden zijnde gegevens valt zonder nader diepgaand onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet leent, naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet met een voldoende mate van zekerheid vast te stellen of en in hoeverre verzoeksters stellingen op dit punt wezenlijk hout snijden. En ook al zou dat zo zijn, dan is daarmee nog niet gezegd dat dat betekent dat daarom ook te vrezen valt voor de gunstige staat van instandhouding van de in de [A] levende beschermde soorten. Partijen verschillen wezenlijk van mening hierover, maar niet valt in te zien dat de materiële onzekerheid over wie hierin het gelijk aan zijn of haar zijde heeft, op dit moment voor rekening en risico van derde-partij zou moeten worden gebracht. In beginsel ligt het immers primair op de weg van verzoekster om haar stellingen aannemelijk te maken en daarin is zij vooralsnog – zoals hiervoor is overwogen – onvoldoende geslaagd. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter dan ook onvoldoende grond om het belang van verzoekster bij een voorlopige voorziening zwaarder te laten wegen dan het belang van derde-partij bij het kunnen voortzetten van de werkzaamheden.

8. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom afwijzen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan op 12 juni 2020 door mr.drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig. alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Bijlage

De Awb

Artikel 8:81

1. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

(…).

De Wnb

Artikel 1.11

1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

2 De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten:

a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel,

b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of

c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

3 Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.

Artikel 3.5

1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

2 Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.

3 Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.

4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.

5 Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Artikel 3.6

1. Het is verboden dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage I of II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, onder zich te hebben voor verkoop, te vervoeren voor verkoop, te verhandelen, te ruilen of te koop of te ruil aan te bieden.

2 Het is verboden, anders dan voor verkoop, dieren of planten als bedoeld in het eerste lid onder zich te hebben of te vervoeren.

3 De verboden, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing ingeval de in dat lid bedoelde dieren en planten aantoonbaar zijn gefokt of gekweekt.

Artikel 3.10

1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden:

a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen;

b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of

c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

2 Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen:

a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of van kleinschalige bouwactiviteiten, met inbegrip van het daarop volgende gebruik van het gebied of het gebouwde;

b. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen;

c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;

d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;

e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;

f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;

g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied;

h. in het algemeen belang, of

i. bestendig gebruik.

3 De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.

Artikel 3.11

1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de bij die regeling aan te wijzen verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel b of c niet van toepassing zijn ten aanzien van bij die regeling aan te wijzen soorten, op bij die regeling aan te wijzen categorieën van handelingen die na een voorafgaande melding aan gedeputeerde staten worden uitgevoerd om een reden, genoemd in artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, of in artikel 3.10, tweede lid.

2 Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen waaraan een melding als bedoeld in het eerste lid moet voldoen.