Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:4273

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-06-2020
Datum publicatie
15-06-2020
Zaaknummer
AWB - 18 _ 5660
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wia-schatting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/5660

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.M. Bonsen-Lemmers),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop

Bij besluit van 18 mei 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met ingang van 9 mei 2018 berekend op 66,97%.

Bij besluit van 20 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is berekend op 75,46%.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Verweerder heeft bij brief van 15 juli 2019 nadere rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het geding gebracht.

Eiseres heeft daarop bij brieven van 18 en 26 september 2019 gereageerd. Verweerder heeft vervolgens nadere aanvullende rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het geding gebracht.

De rechtbank heeft partijen bericht dat de uitspraak door een andere rechter zal worden gedaan dan de zittingsrechter. Partijen hebben desgevraagd niet te kennen gegeven prijs te stellen op een nadere zitting. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten en uitspraak bepaald op heden.

Overwegingen

1.1

Eiseres was werkzaam als [functie] , voor gemiddeld 43,08 uur per week, tot 1 april 2012. Aansluitend heeft zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangen. Daaruit heeft ze zich op 5 oktober 2012 ziek gemeld met psychische klachten. Per 30 mei 2013 is eiseres hersteld gemeld, maar zij heeft zich op 24 juni 2013 opnieuw ziek gemeld, met dezelfde klachten. Verweerder heeft eiseres een uitkering ingevolge de Ziektewet toegekend. Op 16 januari 2014 is eiseres betrokken geweest in een ernstig verkeersongeval, waardoor onder meer diverse botbreuken zijn veroorzaakt.

1.2

Verweerder heeft eiseres per 3 oktober 2014 een WIA-uitkering toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.3

Op 22 maart 2018 is eiseres door de verzekeringsarts gezien. Deze heeft een functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. De arbeidsdeskundige heeft op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 66,97%.

1.4

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de FML aangepast op de aspecten lopen en traplopen en eigen gevoelens uiten. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van de aangepaste FML berekend op 75,46%.

2. Eiseres heeft (in haar aanvullend beroep van 7 juni 2019) aangevoerd dat de verzekeringsarts ten onrechte de resultaten van het nieuw te verrichten neuropsychologisch onderzoek niet heeft afgewacht of ten onrechte niet zelf zo’n onderzoek heeft laten verrichten. Ook in bezwaar is dat niet gebeurd. Hierdoor is volgens eiseres sprake van onzorgvuldig en onvolledig onderzoek.

Eiseres heeft verder aangevoerd dat ze last heeft van concentratieproblemen. Verder kan ze geluid en drukte niet verdragen. Ze heeft een evenwichtsstoornis. Ze kan niet lang zitten of staan in verband met bekken- knie- en dijbeenproblemen. Ze kan haar hoofd niet lang in één stand houden, zij kan niet met het openbaar vervoer reizen. Daarnaast is sprake van psychische klachten, en trauma’s vanuit de jeugd. Verweerder heeft hiermee te weinig rekening gehouden. Volgens eiseres zouden er meer beperkingen moeten worden aangenomen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres medische informatie van behandelend artsen in het geding gebracht.

3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanvullende medische informatie geen aanleiding vormt om meer en/of andere beperkingen aan te nemen.

4.1

De rechtbank is van oordeel dat geen aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat verweerder onzorgvuldig of onvolledig medisch onderzoek heeft verricht. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep eiseres op het spreekuur hebben gezien en de beschikbare medische informatie betrokken hebben in de beoordeling. Ten aanzien van het niet wachten op het verrichten van het neuropsychologisch onderzoek geldt dat de verzekeringsarts met eiseres had afgesproken dat zij bij de huisarts navraag zou doen naar de mogelijkheid van een NPO. De verzekeringsarts heeft de resultaten echter niet afgewacht omwille van de voortgang, zonder echter niet uit te sluiten dat eiseres meer beperkt is op persoonlijk en sociaal functioneren. Vooralsnog gaat de verzekeringsarts er echter vanuit dat zij qua concentratie boven de normaalwaarde functioneert. In de bezwaarfase wordt door de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconstateerd dat er geen informatie door de huisarts is verstrekt. Wel neemt deze een extra beperking aan voor wat betreft het eigen gevoelens uiten. Voor het overige zouden voldoende beperkingen zijn geduid. Bij gelegenheid van de zitting is door de gemachtigde van verweerder naar voren gebracht dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding zag zelf een NPO te laten verrichten, omdat daar geen duidelijke indicatie voor was. Het letsel was vooral frontaal en van invloed op het gedrag, niet op de cognitieve functies. Op zitting is vervolgens afgesproken dat eiseres via de huisarts een NPO zou aanvragen, wat ook is gebeurd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de uitkomsten hiervan ook in de beroepsfase gezien en daarin geen aanleiding gezien om meer beperkingen aan te nemen. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest.

4.2

De rechtbank ziet voorts onvoldoende aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Daartoe is het volgende in aanmerking genomen. Er zijn beperkingen aangenomen ten aanzien van persoonlijk functioneren (voorspelbare werksituatie, geen veelvuldige deadlines/productiepieken, geen veelvuldige storingen / onderbrekingen, geen hoog handelingstempo), sociaal functioneren (eigen gevoelens uiten, omgaan met conflicten, geen leidinggevende aspecten, moet de tijd krijgen om informatie goed te verwerken, indien ingewikkeld), geluidsbelasting, trillingsbelasting, tillen / dragen, frequent zware lasten hanteren, lopen, trappenlopen, klimmen, zitten, staan, geknield of gehurkt actief zijn, gebogen en/of getordeerd actief zijn, het hoofd in een bepaalde stand houden, geen onnatuurlijk gedwongen standen, niet ’s nachts, gemiddeld ongeveer 20 uur per week. Naar aanleiding van de informatie van de anesthesioloog heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat op het aspect zitten geen beperking aangenomen is, omdat geen sprake is van radiculair prikkeling. De door eiseres ondervinden pijnklachten zouden volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep kunnen worden ondervangen door haar niet op een te harde stoel te laten zitten. Het afwisselen van houding is gewaarborgd door eiseres op diverse dynamische en statische onderdelen slechts kortdurend belastbaar te achten. Bij 20 uur per week kan ook 4 uur per dag worden gelezen, maar ook mogelijk is iets langere werkdagen aan te houden, met dus ook een langere recuperatietijd. Naar aanleiding van de resultaten van het neuropsychologisch onderzoek staat vast dat er een beperking geldt op item 2.12.6: “moet de tijd krijgen om info goed te verwerken indien ingewikkeld”. Voorts zijn beperkingen opgenomen ten aanzien van werktijden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder opgemerkt dat er weliswaar tekortkomingen zijn in het cognitief functioneren, maar dat deze niet van dien aard zijn dat hieruit beperkingen kunnen worden afgeleid ten aanzien van vasthouden of verdelen van de aandacht. Het lukt eiseres over het algemeen goed om zich te concentreren en twee taken tegelijk uit te voeren. De rechtbank kan deze toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen. Dat eiseres meer beperkt zou zijn volgt niet uit de door haar in het geding gebrachte medische gegevens.

5. Eiseres heeft vervolgens aangevoerd dat de geduide functies niet geschikt zijn, omdat daarin een te zware belasting met betrekking tot zitten, geluid, productiedruk, te lang in een houding moeten zitten, conflictueuze situaties aan de orde is.

6. De rechtbank overweegt hierover dat de arbeidsdeskundige toereikend heeft toegelicht waarom de functies ondanks ogenschijnlijke overschrijdingen geschikt zijn. De belasting in de functies valt binnen de door de FML gestelde grenzen, zodat gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, betekent dat deze functies in medisch opzicht geschikt zijn voor eiseres.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 11 juni 2020 door mr. L. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.