Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:4255

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-06-2020
Datum publicatie
17-06-2020
Zaaknummer
7999681 CV EXPL 19-12770
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweer dat passagier niet aan zijn substantiëringsplicht heeft voldaan, slaagt. Niet kan worden vastgesteld dat passagier met meer dan drie uur vertraging op eindbestemming is aangekomen. Buitengewone omstandigheden bovendien niet weersproken. Afwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2020/183
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 7999681 CV EXPL 19-12770

Uitspraakdatum: 17 juni 2020

Vonnis in de zaak van:

[eiser]

wonende te [plaats]

eiser

hierna te noemen de passagier

gemachtigde mr. D.E. Lof

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

DEUTSCHE LUFTHANSA AKTIENGESELLSCHAFT

te Keulen, Duitsland, mede kantoorhoudend te Schiphol

gedaagde

hierna te noemen Lufthansa

gemachtigde mr. E.C. Douma

1 Het procesverloop

1.1.

De passagier heeft bij dagvaarding van 23 juli 2019 een vordering tegen Lufthansa ingesteld. Lufthansa heeft schriftelijk geantwoord. Hoewel daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft de passagier niet meer gereageerd op de conclusie van antwoord van Lufthansa. Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De passagier heeft met Lufthansa een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan Lufthansa de passagier op 3 mei 2019 diende te vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Frankfurt, Duitsland met vlucht LH989 en eveneens op 3 mei 2019 met vlucht LH498 van Frankfurt naar eindbestemming Mexico City, Mexico, hierna gezamenlijk: de vlucht.

2.2.

Vlucht LH989 is met vertraging uitgevoerd, als gevolg waarvan de passagier de aansluiting met vlucht LH498 heeft gemist. Lufthansa heeft de passagier omgeboekt naar vlucht LH110 van Frankfurt naar München, Duitsland en vlucht LH520 van München naar Mexico City, waar de passagier later dan oorspronkelijk gepland is aangekomen.

2.3.

De passagier heeft compensatie van Lufthansa gevorderd in verband met voornoemde vertraging.

2.4.

Lufthansa heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3 De vordering

3.1.

De passagier vordert dat Lufthansa bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 mei 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 90,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

De passagier heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschap-pelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat Lufthansa vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is hem te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 600,00.

4 Het verweer

4.1

Lufthansa heeft vóór alle weren aangevoerd dat de passagier niet aan zijn substantiërings-plicht heeft voldaan, doordat hij heeft nagelaten te vermelden met welke vlucht(en) en op welk tijdstip hij op zijn eindbestemming is aangekomen. Voorts betwist Lufthansa de vordering en voert daartoe – samengevat – aan dat de vlucht is vertraagd wegens doorwerking van buitengewone omstandigheden. Vlucht LH989 maakte onderdeel uit van de rotatievlucht Frankfurt-Amsterdam (LH988) en Amsterdam-Frankfurt (LH989), zodat voor de uitvoering van vlucht LH989 van Amsterdam naar Frankfurt de – tijdige – aanwezigheid van een vliegtuig in Amsterdam een conditio sine qua non was. De inkomende vlucht LH988 uit Frankfurt had een vertraging die onder meer werd veroorzaakt door buitengewone omstandigheden, te weten het uitladen van ruimbagage van een ontbrekende passagier, en een door de luchtverkeersleiding ingetrokken en vervangen ‘slot’. Lufthansa moest gevolg geven aan de instructies van de luchtverkeersleiding en kon de vertraging van vlucht LH988 niet voorkomen. Lufthansa voert voorts aan dat zij in deze omstandigheden niet in staat was om andere preventieve maatregelen te treffen om de mogelijke gevolgen van de instructies van de luchtverkeersleiding te verkleinen of weg te nemen, dan het boeken van de passagier op de eerstvolgende beschikbare vlucht naar de eindbestemming.

5 De beoordeling

5.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

5.2.

Het verweer dat de passagier niet aan zijn substantiëringsplicht heeft voldaan, slaagt. Lufthansa heeft weliswaar bij conclusie van antwoord erkend dat de passagier als gevolg van de vertraging van vlucht LH989 van Amsterdam naar Frankfurt de aansluitende vlucht LH498 van Frankfurt naar Mexico City heeft gemist, en heeft ook aangegeven dat de passagier is omgeboekt naar de hierboven in r.o. 2.2. genoemde vluchten, maar heeft daarbij – evenals de passagier – nagelaten te vermelden op welk tijdstip (en dus, zo voegt de kantonrechter daaraan toe, met welke precieze vertraging) de passagier op zijn eindbestemming is aangekomen.

5.3.

Reeds omdat dientengevolge niet kan worden vastgesteld dat de passagier met een vertraging van meer dan drie uur is aangekomen op de eindbestemming, dient de vordering van de passagier te worden afgewezen.

5.4.

Maar ook indien veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat de passagier wél met een vertraging van meer dan drie uur is aangekomen op de eindbestemming, moet de vordering worden afgewezen. Lufthansa heeft immers bij conclusie van antwoord aangevoerd dat sprake was van een buitengewone omstandigheid. De passagier heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet gereageerd op het inhoudelijke verweer van Lufthansa, zodat de door die laatste aangevoerde feiten en omstandigheden daarmee zijn komen vast te staan. Voorts heeft Lufthansa voldoende aannemelijk gemaakt dat zij alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging te voorkomen, zodat zij op grond van artikel 5 lid 3 van de Verordening niet verplicht is compensatie te betalen. Gelet op het voorgaande zou de vordering van de passagier bij inhoudelijke beoordeling dus eveneens zijn afgewezen.

5.5.

De afwijzing van de hoofdvordering leidt ertoe dat ook de nevenvorderingen moeten worden afgewezen.

5.6.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal de passagier worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

wijst de vordering af;

6.2.

veroordeelt de passagier tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor Lufthansa worden vastgesteld op een bedrag van € 120,00 aan salaris van de gemachtigde van Lufthansa;

6.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.E. van Oosten-van Smaalen, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter