Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:4185

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-06-2020
Datum publicatie
15-06-2020
Zaaknummer
HAA 20_2635
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat verzoekster van het bestreden besluit geen feitelijke gevolgen ondervindt. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening omdat de verwachting is dat verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk zal verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/2635

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 juni 2020 in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. [naam] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 maart 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten omgevingsvergunning te verlenen voor het maken van een uitweg op het adres [adres] te [woonplaats] .

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

  1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

  2. In een reactie van 12 mei 2020 op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat verzoekster, gelet op de afstand van haar woning tot de uitrit waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft, niet als belanghebbende kan worden aangemerkt bij het in bezwaar bestreden besluit.

3. Om belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb te zijn bij de omgevingsvergunning, dient verzoeker een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hen in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. Als uitgangspunt geldt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Echter, als een betrokkene daarvan geen gevolgen van enige betekenis ondervindt, is hij toch geen belanghebbende (uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:737). Gevolgen van enige betekenis ontbreken als de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie en risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

4. Nu vaststaat dat verzoekster woonachtig is op een afstand van ruim een kilometer tot de uitrit die de omgevingsvergunning mogelijk maakt en zij daarop vanaf haar perceel ook geen zicht heeft, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat verzoekster van het bestreden besluit geen feitelijke gevolgen ondervindt zodat zij niet als belanghebbende bij het besluit kan worden aangemerkt. Dat verzoekster door het voeren van procedures de handelwijze van – in dit geval – verweerder wil nagaan en aan de orde wenst te stellen, maakt dit niet anders. Omdat aldus de verwachting is dat door verweerder, zoals overigens ook door hem is aangekondigd, het bezwaar van verzoekster niet-ontvankelijk zal worden verklaaard, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening.

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan op 9 juni 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier.

griffier voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.