Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:4089

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-05-2020
Datum publicatie
05-06-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2425
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening - goedkeuring om stage van advocaat-stagiaire door opzegging te eindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/2425

uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 mei 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. B.M.J. Anneveld),

en

de algemene raad van de Nederlandse orde van advocaten, verweerder

(gemachtigde: mr. M.E. Veenboer).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Deken van de Amsterdamse orde van advocaten, te Amsterdam.

Procesverloop

Op 30 januari 2020 (het primaire besluit) heeft derde-partij aan verzoeker medegedeeld dat aan mr. [naam 1] goedkeuring is verleend om de stage door opzegging te eindigen.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit administratief beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 18 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het administratief beroep ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

In verband met de uitbraak van het coronavirus heeft het onderzoek ter zitting met instemming van partijen op 25 mei 2020 plaatsgevonden met gebruikmaking van elektronische communicatiemiddelen. Verzoeker heeft deelgenomen aan de zitting, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Derde-partij heeft ook deelgenomen aan de zitting.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.

2.1

Verzoeker is op 17 augustus 2016 beëdigd als advocaat-stagiaire. Vanaf 17 augustus 2016 tot 1 mei 2019 heeft verzoeker als stagiaire-ondernemer praktijk uitgeoefend in Amsterdam. Verzoeker heeft per 1 mei 2019, nog steeds als stagiaire-ondernemer, praktijk uitgeoefend in Amsterdam onder begeleiding van (een andere) patroon mr. [naam 2] ten kantore van [# 1] Op 30 augustus 2019 is besloten tot verlenging van verzoekers stage met een termijn van zes maanden, tot 17 februari 2020.

2.2

Op 6 november 2019 heeft patroon mr. [naam 2] derde-partij verzocht op grond van artikel 3.4, eerste lid, onderdeel c, van de Verordening op de advocatuur (Voda) goedkeuring te verlenen om de stagedoor opzegging te eindigen.

3. Bij het bestreden besluit, waarbij het primaire besluit is gehandhaafd, heeft verweerder de gevraagde goedkeuring verleend. Aan dit besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat sprake is van een onherstelbaar verstoorde relatie, partijen er de facto vanuit gaan dat de breuk definitief is en partijen ernaar streven én er in geslaagd lijken te zijn de gevolgen van die als definitief aangemerkte breuk onderling te regelen. Daarbij heeft verweerder van belang geacht dat mr. [naam 2] met een brief van 28 november 2019 aandacht heeft gevraagd voor de wijze waarop de stage van verzoeker naar zijn mening verloopt. Verzoekers mentor, mr. [naam 3] , heeft daarop verzoeker en mr. [naam 2] uitgenodigd voor een bemiddelingsgesprek. Verzoeker heeft zich daarop – zonder vooraankondiging – als advocaat laten inschrijven bij de Haagse orde van advocaten, als gevolg waarvan verzoeker niet langer deel uitmaakte van het kantoor van mr. [naam 2] en zich onttrok aan feitelijke begeleiding van zijn patroon en de stage van rechtswege was opgeschort. Vervolgens heeft verzoeker de Haagse raad van de orde goedkeuring gevraagd om voortzetting van de stage onder begeleiding van een andere patroon. Verzoeker en mr. [naam 2] maken elkaar over en weer (ernstige) verwijten. Tijdens het bemiddelingsgesprek lijken verzoeker en mr. [naam 2] op hoofdlijnen overeenstemming te hebben bereikt over het vertrek van verzoeker. Daarmee staat vast dat sprake is van een definitieve breuk tussen verzoeker en mr. [naam 2] , zodat hervatting van de (opgeschorte) stage niet aan de orde kan zijn. Ook hebben verzoeker en mr. [naam 2] aangegeven dat het niet reëel is te veronderstellen dat de verhouding tussen hen kan worden hersteld en dat de stage kan worden voortgezet.

4.1

Verzoeker vraagt om schorsing van het bestreden besluit totdat op het beroep is beslist of totdat de raad van de orde van advocaten Midden-Nederland op zijn verzoek om goedkeuring van de stage en de beoogd patroon heeft beslist, zodat verzoeker de gelegenheid krijgt om zijn stage af te maken onder begeleiding van een nieuwe patroon.

4.2

Op grond van artikel 3.4, eerste lid, onderdeel c, van de Voda eindigt de stage zonder stageverklaring door opzegging door de patroon, na daartoe verkregen goedkeuring door de raad van de orde.

Op grond van artikel 3.4, vierde lid, van de Voda wordt de in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde goedkeuring alleen geweigerd indien de opzegging onredelijk is.

4.3

De voorzieningenrechter is, gelet op hetgeen verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aan mr. [naam 1] verleende goedkeuring om de stage door opzegging te eindigen niet onredelijk is. Dat wordt door verzoeker op zichzelf ook niet betwist. Verzoeker maakt het geding breder door bij zijn verzoek gebeurtenissen te betrekken die aan het bestreden besluit vooraf zijn gegaan, zoals de - volgens verzoeker onrechtmatige - verlenging van zijn stage en de - volgens verzoeker gedwongen - overgang van [# 2] naar [# 1] Daarmee treedt verzoeker buiten de omvang van het (bodem)geding, want die gebeurtenissen liggen in deze procedure niet voor en kunnen niet bij de beoordeling worden betrokken. Daarom kunnen die gebeurtenissen geen reden zijn om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen.

5. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zal het bestreden besluit in beroep in stand blijven. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Excel, griffier.

Deze uitspraak is gedaan op 28 mei 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.