Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:4026

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-06-2020
Datum publicatie
02-06-2020
Zaaknummer
15.144681.18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op noodweerexces slaagt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLANDa

Team Straf, locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15.144681.18 (P)

Uitspraakdatum: 2 juni 2020

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 mei 2020 in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A. Hof en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw mr. L.M. Oldenburg, advocaat te Westzaan, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 21 juli 2018 te Zaandam, gemeente Zaanstad openlijk, te weten Burgemeester in 't Veldpark, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], door

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (met gebalde vuist) op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te slaan/stompen en/of

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (met gebalde vuist) op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te trappen/schoppen en/of

- meermalen, althans eenmaal, met een steen, althans met een hard voorwerp, (met kracht) in/op/tegen het gezicht en/of hoofd van die [slachtoffer 1] te slaan/stompen en/of gooien terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel, te weten een schedelbasisfractuur voor [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

Subsidiair (zware mishandeling)

hij op of omstreeks 21 juli 2018 te Zaandam, gemeente Zaanstad aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere (schedelbasis en/of aangezichts-) fracturen, heeft toegebracht, door hem meermalen, althans eenmaal, met een (bak)steen, althans een hard voorwerp, (met kracht) in/op/tegen het gezicht en/of hoofd van die [slachtoffer 1] te slaan/ stompen en/of te gooien;

meer subsidiair (poging zware mishandeling)

hij op of omstreeks 21 juli 2018 te Zaandam, gemeente Zaanstad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, althans eenmaal, met een (bak)steen, althans een hard voorwerp,

(met kracht) in/op/tegen het gezicht en/of hoofd van die [slachtoffer 1] te slaan/ stompen en/of gooien, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van het primair ten laste gelegde feit, maar dat verdachte ontslagen moet worden van alle rechtsvervolging, omdat sprake was van noodweer dan wel noodweerexces.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder primair ten laste gelegde feit ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 21 juli 2018 te Zaandam, gemeente Zaanstad openlijk, te weten in het Burgemeester in 't Veldpark, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1], door

- met kracht met gebalde vuist tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te stompen en

- met een steen tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] te slaan, terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbasisfractuur voor [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie

Het primair bewezenverklaarde levert op:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

5
5. De strafbaarheid

5.1

Het standpunt van de Officier van Justitie

De officier van justitie is van mening dat geen sprake is van noodweer(exces). De officier van justitie gaat er daarbij vanuit dat het slachtoffer [slachtoffer 1] weliswaar de agressor was en de eerste klap heeft uitgedeeld, maar dat de verdachte en zijn broer [naam] vervolgens samen geweld tegen [slachtoffer 1] hebben gebruikt. De officier van justitie gaat er daarbij ook vanuit dat [slachtoffer 2] zich pas op een later moment, nadat [slachtoffer 1] al op de grond lag, in het gevecht mengde zodat feitelijk sprake was van een twee tegen één situatie, waarbij het geweld dat door verdachte is gebruikt alle proporties te buiten gaat. In die omstandigheden kan volgens de officier van justitie niet gesproken worden van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

5.2

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging, omdat hij gehandeld heeft uit noodweer dan wel noodweerexces. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat verdachte op het moment dat zijn broer [naam] bijna letterlijk dood werd getrapt, in paniek is geraakt, omdat hij dacht dat zijn broer het niet zou overleven. Hij was volledig ontdaan en wilde dat het geweld stopte. De verdediging meent dat het aannemelijk is dat de toestand van verdachte door de mishandeling van hemzelf en daarna van zijn broer voortduurde en dat die gemoedstoestand hem ertoe heeft gedreven zijn broer te verdedigen door een steen op het hoofd van [slachtoffer 1] te slaan.

5.3

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer allereerst de vraag moet worden beantwoord of sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding (of een onmiddellijke dreiging daartoe) van, in dit geval, het lijf van verdachte en zijn broer. Indien hiervan sprake was, moet worden bezien of het noodzakelijk was dat verdachte zich verdedigde (de zogeheten subsidiariteit) en dat de manier waarop hij zich verdedigde geboden was (de zogeheten proportionaliteit).

De rechtbank gaat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verdachte en zijn broer waren op 21 juli 2018 in het Burgemeester ’t Veldpark in Zaandam, waar zij zes honden aan het uitlaten waren. In het park was ook het slachtoffer [slachtoffer 1] die kennelijk boos was op (één van) de broers en hen begon uit te schelden. Verdachte en zijn broer hebben getracht het park te verlaten, terwijl [slachtoffer 1] hen enige tijd bleef achtervolgen en uitschelden. Bij de ingang van het park kwam het tot een confrontatie. De broers werden opgehouden door één van de honden. [naam] wilde de hond aanlijnen, toen [slachtoffer 1] hem in het gezicht heeft geschopt. Hierop heeft verdachte [slachtoffer 1] weggeduwd en/of geslagen. Verdachte werd zelf ook door [slachtoffer 1] geslagen. Broer [naam] heeft vervolgens [slachtoffer 1] in een houdgreep genomen en heeft hem een aantal keren geslagen met zijn vuist in het gezicht. Hierop mengde [slachtoffer 2] zich in het gevecht. [naam] heeft [slachtoffer 1] moeten loslaten, waarop [naam] vervolgens werd vastgehouden en geschopt door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Daarop heeft verdachte een nabijgelegen siersteen van de grond geraapt en die op het hoofd van [slachtoffer 1] geslagen.

Gelet op hiervoor omschreven omstandigheden, die worden ondersteund door diverse getuigenverklaringen, was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer 1], waartegen verdediging geboden was.

Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich daaraan niet kon onttrekken. Verdachte en zijn broer hebben immers getracht het park te verlaten en hebben niet de confrontatie opgezocht, maar [slachtoffer 1] bleef hen op een agressieve wijze achtervolgen. Daarbij hadden de broers op dat moment zes honden bij zich, zodat aannemelijk is dat zij hierdoor enigszins vertraagd waren. Vaststaat bovendien dat [slachtoffer 1] vervolgens zonder aanleiding is overgegaan tot geweld door [naam] hard in het gezicht te schoppen.

De manier waarop verdachte zichzelf en zijn broer verdedigde – door met een steen op het hoofd van [slachtoffer 1] te slaan – was naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet proportioneel en staat niet in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding. De rechtbank overweegt in dat verband dat verdachte niet heeft geprobeerd zich op een andere wijze te verdedigen, zoals door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] weg te duwen of te slaan/stompen.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat aan het proportionaliteitsvereiste niet is voldaan. Het beroep op noodweer slaagt om die reden niet en wordt verworpen.

Er is evenwel sprake geweest van een wederrechtelijke aanranding, die bij de verdachte een hevige gemoedsbeweging heeft veroorzaakt. Doordat [slachtoffer 1] hem en zijn broer bleef opzoeken, kon de verdachte zich echter niet onttrekken aan de noodweersituatie en ging hij over tot het gebruik van geweld. Toen [slachtoffer 2] zijn broer [naam] vasthad en [slachtoffer 1] [naam] in het gezicht schopte, heeft verdachte – zo heeft hij kort na het incident verklaard – in een vlaag van verstandsverbijstering de steen gepakt en [slachtoffer 1] hiermee één keer geslagen. Hij dacht op dat moment dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn broer [naam] blind of dood aan het schoppen waren, door het schoppen in zijn gezicht. Verdachte heeft hierover ter terechtzitting, maar ook al tegenover de politie tijdens diens opname in het ziekenhuis, verklaard dat hij in paniek was.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank aannemelijk dat direct voorafgaand aan de klap met de steen die hij [slachtoffer 1] heeft gegeven bij de verdachte sprake is geweest van een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging, waartegen hij geen weerstand kon bieden.

Geoordeeld wordt dat de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden als onmiddellijk gevolg van deze hevige gemoedsbeweging. De rechtbank acht voorts aannemelijk dat deze hevige gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de gedraging van de verdachte.

Dit betekent dat het beroep op noodweerexces slaagt. De rechtbank acht verdachte dan ook niet strafbaar en zal verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.

6 Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 8.291,20 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het primair ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

Ingevolge artikel 361, tweede lid, onder a van het Wetboek van Strafvordering is de benadeelde partij alleen ontvankelijk in zijn vordering indien de verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd, dan wel in geval toepassing van artikel 9a Sr.

Nu verdachte geen straf zal worden opgelegd en evenmin artikel 9a zal worden toegepast, moet de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 41 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het primair bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte daarvoor van alle rechtsvervolging.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.H.B. Littooy, voorzitter,

mrs. H.E.C. de Wit en A. Buiskool, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier D.H. Geuze,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 juni 2020.