Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:4009

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-06-2020
Datum publicatie
02-06-2020
Zaaknummer
15/284413-18, 15/128979-18, 15/180068-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Strafzaak. 18 maanden gevangenisstraf voor twee aanrandingen, mishandeling van zwangere vrouw en diefstal.

Y-chromosomaal onderzoek. Eigen waarneming rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/128979-19 en 15/180068-18 (ttz gev) en 15/248413-18 (ttz gev)

Uitspraakdatum: 2 juni 2020

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 mei 2020 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,

thans gedetineerd in Justitieel Complex Schiphol.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A. van Eck en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. R.M.G. Sussenbach,

advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (feiten 1 en 2) en na wijziging van de tenlastelegging (feit 3), ten laste gelegd dat:

Feit 1

hij op of omstreeks 24 november 2018 te Haarlem, in elk geval in Nederland

(telkens) door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid (telkens) [aangeefster feit 1 en 2] , geboren op 16 september 1991, heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), (telkens) bestaande uit

- het aanraken met zijn, verdachtes, hand(en) van de billen van die [aangeefster feit 1 en 2] en/of

- het aanraken met zijn, verdachtes, hand (en) van de vagina van die [aangeefster feit 1 en 2] en/of daarbij het met zijn, verdachtes hand(en) op en neer gaan bij/over de vagina van die [aangeefster feit 1 en 2] en/of

-met zijn, verdachtes, vinger (door de kleding heen) duwen/drukken tegen de vagina van die [aangeefster feit 1 en 2] en/of

-met zijn geslachtsdeel tegen (de voorkant en/of achterkant van) het lichaam van die [aangeefster feit 1 en 2] aan te duwen en/of daarbij heen en weer (“rijdende”) bewegingen te maken

en (telkens) bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit

- het met zijn, verdachtes, vuist(en) slaan tegen het hoofd en/of het gezicht van die [aangeefster feit 1 en 2] en/of

- het duwen van die [aangeefster feit 1 en 2] tegen een hek en/of tegen het glas van een bushalte en/of

- het reiken met zijn, verdachtes, hand(en) naar de voorkant van de broek van die [aangeefster feit 1 en 2] en/of

- die [aangeefster feit 1 en 2] (met kracht) één of meermalen in haar buik te schoppen (nadat die [aangeefster feit 1 en 2] aan verdachte had verteld dat zij zwanger was)

Feit 2

hij op of omstreeks 24 november 2018 te Haarlem, in elk geval in Nederland, [aangeefster feit 1 en 2] heeft mishandeld door

-die [aangeefster feit 1 en 2] (met kracht) één of meermalen in haar buik te schoppen, (nadat voornoemde [aangeefster feit 1 en 2] aan verdachte had verteld dat zij zwanger was) en/of

-met zijn, verdachtes, vuist(en) slaan tegen het hoofd en/of het gezicht van die [aangeefster feit 1 en 2] en/of

Feit 3

(dagvaarding onder parketnummer 15/180068-18)

hij op of omstreeks 11 september 2018 te Haarlem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer rollen dakbedekking, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [aangever feit 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 11 september 2018 te Haarlem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader (s) voorgenomen misdrijf om een of meer rollen dakbedekking, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [aangever feit 3] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, voornoemde rollen dakbedekking vanaf een bouwstijger naar beneden heeft gegooid en/of tegen een container heeft geplaatst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 4

(dagvaarding onder parketnummer: 15/248413-18)
hij op of omstreeks 8 april 2018 te Haarlem, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [aangeefster feit 4] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten
- het een of meerdere ma(a)l(en) (over de kleding heen) betasten van en/of knijpen in de billen en/of vagina en/of borsten, en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkheid uit het:
- onverhoeds (tegen een hek) duwen en/of (stevig) vastpakken van die [aangeefster feit 4] en/of
- onverhoeds en of meerdere ma(a)l(en) (over de kleding heen) betasten van en/of knijpen in de billen en/of vagina en/of borsten van die [aangeefster feit 4] en/of
- een of meerdere ma(a)l(en) schoppen en/of trappen tegen die [aangeefster feit 4]

(terwijl die [aangeefster feit 4] (op dat moment) (erge) pijn in haar buik had en/of voor die [aangeefster feit 4] een zodanig bedreigde situatie is ontstaan dat zij zich niet aan de seksuele handeling(en) met verdachte kon en/of durfde te onttrekken).

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

Verdachte heeft de ten laste gelegde feiten ontkend. De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Ten aanzien van de feiten 1 en 2 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat aannemelijk geacht moet worden dat van verdachte aangetroffen DNA indirect is overgedragen op de handschoenen van aangeefster [aangeefster feit 1 en 2] . Ten aanzien van het nadere

Y-chromosomale onderzoek naar de sporen op de broek van aangeefster heeft de raadsman gesteld dat de aangetroffen match een lagere bewijswaarde heeft en dat niet uit te sluiten valt dat het DNA afkomstig is van een andere man. Daarnaast voldoet verdachte op meerdere punten niet aan het signalement dat is opgegeven door [aangeefster feit 1 en 2] . Wat betreft feit 3 heeft de raadsman betoogd dat de vastgestelde feiten tot de conclusie leiden dat alleen sprake was van een poging tot diefstal, nu de rollen dakbedekking de bouwplaats niet hebben verlaten maar dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte samen met een ander deze poging tot diefstal heeft gepleegd. Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman gewezen op de verklaringen van [aangeefster feit 4] die volgens hem tegenstrijdig zijn en niet worden ondersteund door enig ander bewijsmiddel.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van feit 1, feit 2, feit 3 en

feit 4

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de als feiten 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde gedragingen op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.3.2

Bewijsmotivering/nadere bewijsoverwegingen feit 1 en 2

[aangeefster feit 1 en 2] heeft aangifte gedaan van aanranding en mishandeling. Deze feiten zouden hebben plaatsgevonden bij een bushokje waar zij de bus wilde nemen naar haar werk. Aangeefster heeft verklaard dat een onbekende man onder meer haar vagina over haar broek heen heeft aangeraakt en dat hij haar heeft geschopt in haar buik. Aangeefster heeft de man met haar handen in zijn gezicht geduwd. Zij droeg op dat moment handschoenen, die zij even later heeft uitgedaan toen zij wilde bellen. Ze heeft die handschoenen toen in haar tas gestopt en heeft ze niet meer aangehad totdat ze in beslag werden genomen. Toen aangeefster kort na het voorval naar het ziekenhuis ging, is daar tevens de broek die zij droeg in beslag genomen. De handschoenen en broek zijn door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) onderzocht.

De rechtbank stelt voorop dat het DNA-profiel dat door het NFI is aangetroffen op de linkerhandschoen van aangeefster overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte en derhalve een zeer aanzienlijke objectieve bewijswaarde heeft. Gelet op de plaats waar het celmateriaal is aangetroffen, te weten aan de buitenzijde van de handschoen aan de kant van de handpalm, gaat de rechtbank er vanuit dat deze sporen zijn achtergelaten toen aangeefster de man in zijn gezicht duwde om hem af te weren en dus dadersporen zijn.

Uit Y-chromosomaal DNA-onderzoek naar het mannelijk DNA dat is aangetroffen op de buitenzijde van de broek van aangeefster ter hoogte van het kruis, is een Y-chromosomaal DNA-mengprofiel verkregen van minimaal drie mannen. Uit dit Y-chromosomale DNA-mengprofiel is een Y-chromosomaal DNA-hoofprofiel afgeleid en dit blijkt overeen te komen met het Y-chromosomale DNA-profiel van verdachte. Dit betekent dat de bemonstering van dit gedeelte van de broek een prominente hoeveelheid mannelijk DNA bevat dat afkomstig kan zijn van verdachte. Het aantreffen van mannelijk DNA-materiaal in het kruis van de broek van aangeefster past bij haar verklaring dat een man over haar broek heen haar vagina heeft betast. De raadsman heeft betoogd dat verdachte in de directe omgeving van de bushalte woont en vaak in de bus zit, waardoor zijn celmateriaal zeker in de bus aanwezig kan zijn. Het verweer van de raadsman van verdachte dat dus sprake kan zijn van contaminatie, of dat aangeefster het DNA van verdachte heeft opgelopen bij het bushokje, acht de rechtbank gelet op de hierboven weergegeven onderzoeksbevindingen echter onaannemelijk. Zij gebruikt de uitkomsten van het onderzoek van het NFI dan ook voor het bewijs.

De rechtbank overweegt voorts dat aangeefster heeft verklaard dat de dader moeite had met de uitspraak van de letter ‘s’ en dat verdachte in het van hem afgenomen verhoor bij de politie op de vraag of het hem bekend is dat hij slist, aangeeft dat hij nadat hij een beugel heeft gehad, spalkjes heeft gekregen, dat tussen de spalkjes gaatjes zitten waar lucht doorheen komt met praten en dat het een automatisme is geworden. Aangeefster kent verdachte niet, zodat een dergelijke mededeling van aangeefster naar het oordeel van de rechtbank alleen gebaseerd kan zijn op eigen feitelijke waarneming en deze haar aangifte en het DNA-bewijs ondersteunt.

3.3.3

Bewijsmotivering/nadere bewijsoverwegingen feit 4

[aangeefster feit 4] heeft verklaard dat verdachte – kort gezegd – tegen haar zin haar billen en borsten heeft betast. Wat betreft haar verklaringen is de rechtbank van oordeel dat deze weliswaar niet naadloos over elkaar heen te leggen zijn, maar dat deze verklaringen in de kern wel steeds overeenkomen, namelijk dat verdachte haar bleef aanraken, ook nadat aangeefster aangaf dat zij dit niet wilde. De aangifte van [aangeefster feit 4] wordt ondersteund door camerabeelden die op 8 april 2018 zijn gemaakt en die deel uitmaken van het dossier. Deze beelden zijn gemaakt door twee verschillende camera’s, te weten camera 202 aan de Smedestraat ter hoogte van de Morinnesteeg respectievelijk camera 203 van de Smedestraat Zuid. Aangeefster heeft zichzelf en verdachte herkend op deze beelden. Ook verdachte heeft zichzelf op beelden bij de Morinnesteeg herkend. Uit eigen waarneming ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat op de beelden bij de Morinnesteeg is te zien hoe verdachte aangeefster aanraakt op onder meer haar billen en dat aangeefster hierbij een afwerende beweging maakt. Deze waarneming ondersteunt daarmee haar verklaring dat zij van de aanrakingen van verdachte niet was gediend en dit ook aan hem heeft kenbaar gemaakt.

De door de twee genoemde camera’s opgenomen beelden zijn elkaar opvolgend; aansluitend op het moment dat op de beelden bij de Morinnesteeg aangeefster op haar fiets met verdachte achterop uit beeld verdwijnt, komt zij op de beelden van Smedestraat Zuid weer in beeld fietsen met een persoon achterop. De verklaring van verdachte dat hij tussentijds is afgestapt en tussen de Morinnesteeg en de Grote Markt een steegje is ingelopen richting parkeerterrein en dat de persoon die achterop de fiets zit op de beelden van Smedestraat Zuid iemand anders is, acht de rechtbank onaannemelijk. De rechtbank heeft daarbij gelet op de aangifte, het feit dat de beelden elkaar opvolgen, de zeer korte afstand tot het door verdachte bedoelde steegje alsmede de omstandigheid dat de camerabeelden laten zien dat er op dat moment geen andere mensen meer in de Smedestraat lopen. De rechtbank concludeert daarom dat het niet anders kan zijn dat het ook verdachte is die op de beelden van Smedestraat Zuid samen met aangeefster zichtbaar is en op welke beelden te zien is dat zij schoppende bewegingen naar elkaar maken. De rechtbank is van oordeel dat gelet op het hiervoor overwogene in combinatie met de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte [aangeefster feit 4] heeft aangerand.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de als feiten 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde gedragingen heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1

hij op 24 november 2018 te Haarlem door geweld [aangeefster feit 1 en 2] , geboren op 16 september 1991, heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit

- het aanraken met zijn, verdachtes, hand(en) van de billen van die [aangeefster feit 1 en 2] en

- het aanraken met zijn, verdachtes, hand van de vagina van die [aangeefster feit 1 en 2] en daarbij het met zijn, verdachtes, hand op en neer gaan over de vagina van die [aangeefster feit 1 en 2] en

- met zijn, verdachtes, vinger door de kleding heen duwen tegen de vagina van die [aangeefster feit 1 en 2] en

- met zijn geslachtsdeel tegen de voorkant en achterkant van het lichaam van die [aangeefster feit 1 en 2] aan te duwen en daarbij heen en weer (“rijdende”) bewegingen te maken

en bestaande dat geweld uit

- het met zijn, verdachtes, vuisten slaan tegen het hoofd en het gezicht van die [aangeefster feit 1 en 2] en

- het duwen van die [aangeefster feit 1 en 2] tegen een hek en tegen het glas van een bushalte en

- die [aangeefster feit 1 en 2] met kracht meermalen in haar buik schoppen nadat die [aangeefster feit 1 en 2] aan verdachte had verteld dat zij zwanger was;

Feit 2

hij op 24 november 2018 te Haarlem [aangeefster feit 1 en 2] heeft mishandeld door

- die [aangeefster feit 1 en 2] met kracht meermalen in haar buik te schoppen (nadat voornoemde [aangeefster feit 1 en 2] aan verdachte had verteld dat zij zwanger was) en

- met zijn, verdachtes, vuisten slaan tegen het hoofd en het gezicht van die [aangeefster feit 1 en 2] ;

Feit 3

(dagvaarding onder parketnummer 15/180068-18)

hij op 11 september 2018 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander rollen dakbedekking, die aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Feit 4

(dagvaarding onder parketnummer: 15/248413-18)
hij op 8 april 2018 te Haarlem, door een feitelijkheid [aangeefster feit 4] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten
- het meerdere malen over de kleding heen betasten van en/of knijpen in de billen en/of vagina en/of borsten, en bestaande die feitelijkheid uit het:
- stevig vastpakken van die [aangeefster feit 4] en/of
- onverhoeds over de kleding heen betasten van en/of knijpen in de billen en/of vagina en/of borsten van die Vane

(terwijl die [aangeefster feit 4] (op dat moment) (erge) pijn in haar buik had en/of voor die [aangeefster feit 4] een zodanig bedreigende situatie is ontstaan dat zij zich niet aan de seksuele handelingen met verdachte kon onttrekken).

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1 en feit 4

telkens: feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd

ten aanzien van feit 2

mishandeling

ten aanzien van feit 3

diefstal door twee of meer verenigde personen

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Verder heeft zij gevorderd dat de in beslag genomen handschoenen en broek worden teruggegeven aan de rechthebbende [aangeefster feit 1 en 2] .

6.2.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan onder meer aanranding van twee vrouwen die hij op straat tegen kwam. Door zijn handelswijze heeft verdachte de lichamelijke integriteit van beide vrouwen geschonden. Verdachte heeft tevens één van deze vrouwen mishandeld door haar onder meer meermalen in haar buik te schoppen, terwijl zij hem nota bene had gezegd dat zij in verwachting was. De rechtbank acht dergelijk gedrag stuitend en getuigen van gebrek aan enig respect voor aangeefster en haar ongeboren kind. Uit de in het kader van een verzoek tot schadevergoeding door en namens [aangeefster feit 1 en 2] overgelegde stukken blijkt hoezeer zij, anderhalf jaar later, nog steeds te kampen heeft met de gevolgen van de onzedige betastingen en de mishandeling. Haar leven is er door toedoen van verdachte geheel anders uit komen te zien en zij heeft behandeling nodig door een psycholoog. Uit onder meer de nadere verhoren van [aangeefster feit 4] , waarbij zij geconfronteerd werd met de beelden van de aanranding, maakt de rechtbank op dat ook zij nog lange tijd nadien emotionele hinder heeft ondervonden. Feiten als aanranding en mishandeling, gepleegd op de openbare weg, brengen bovendien ook gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg bij de maatschappij in het algemeen. Daarnaast heeft verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan diefstal. De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 9 april 2020, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder ter zake van vermogens- en geweldsdelicten onherroepelijk is veroordeeld. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van verdachte mee bij de straftoemeting. Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van de over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapporten gedateerd 5 maart 2019, 21 januari 2020 en

4 mei 2020 van Reclassering Nederland en het rapport van het Pieter Baan Centrum gedateerd 24 april 2020.

Het rapport van het Pieter Baan Centrum houdt onder meer het volgende in:

Verdachte heeft consequent geweigerd medewerking aan het onderzoek te verlenen en deed dit, mede op basis van advies van zijn advocaat, vanuit een weloverwogen procespositie. Er zijn geen aanwijzingen dat verdachte het onderzoek (ook) op basis van pathologische gronden heeft geweigerd zoals bijvoorbeeld een psychose of een ernstige verstandelijke beperking.

Door de beperkingen van het onderzoek is er geen goed zicht gekomen op de persoonlijkheid en seksuele belevingswereld van verdachte. Er zijn tijdens de observatieperiode geen aanwijzingen voor ernstige persoonlijkheidsproblematiek naar voren gekomen, al kan dit op grond van de beperkingen van het onderzoek ook niet uitgesloten worden.

Alles overziend is het multidisciplinaire onderzoek uiteindelijk te beperkt geweest om conclusies te kunnen trekken of te kunnen onderbouwen of er bij verdachte al dan niet sprake is van een psychische stoornis, met name in de zin van persoonlijkheidsproblematiek of een seksuele stoornis. Voor psychiatrische problematiek en/of een verstandelijke handicap zijn geen aanwijzingen. Door het voorgaande kan er geen uitspraak worden gedaan of er bij verdachte sprake was van een psychische stoornis ten tijde van het ten laste gelegde.

Gezien de conclusies van het Pieter Baan Centrum kan de rechtbank niet anders dan verdachte volledig verantwoordelijk houden voor de bewezenverklaarde feiten. Vanwege de weigering van verdachte aan onderzoek mee te werken is niet duidelijk geworden of enige behandeling noodzakelijk zou zijn, zodat de rechtbank deze ook niet zal bevelen. Het feit dat verdachte zich in nog geen half jaar tijd aan twee forse aanrandingen heeft schuldig gemaakt, acht de rechtbank niettemin zeer zorgelijk. Verdachte heeft er bovendien ter terechtzitting geen blijk van gegeven de aard en de ernst van de door hem gepleegde misdrijven in te zien. Om de maatschappij tegen verdachte te beschermen, rest de rechtbank daarom niets anders dan aan verdachte een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De strafeis van de officier van justitie is in overeenstemming met de straf die ten aanzien van dit soort strafbare feiten in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd. Noch in de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, vindt de rechtbank aanleiding daarvan af te wijken.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7 Beslissing omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen,

te weten een paar handschoenen en een broek, dienen te worden teruggegeven aan

[aangeefster feit 1 en 2] , aangezien zij redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

8 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [aangeefster feit 1 en 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 13.143,32 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit eigen risico ziektekostenverzekering

(€ 885,00), verlies arbeidsvermogen (€ 7.258,32) en immateriële schade (€ 5.000,00).

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering wat betreft het eigen risico van de zorgverzekering en de immateriële schade moet worden toegewezen (totaal € 5.885,00), met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van het gedeelte dat betrekking heeft op het verlies van arbeidsvermogen moet volgens de officier van justitie de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat dit een kwestie betreft die niet eenvoudig van aard is.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de vordering van de benadeelde partij [aangeefster feit 1 en 2] af te wijzen dan wel te matigen omdat verdachte onvoldoende draagkracht heeft.

De rechtbank oordeelt als volgt. De vraag of verdachte voldoende draagkracht heeft, is in deze niet relevant omdat het antwoord op die vraag toekenning van een gevorderde schadevergoeding niet in de weg staat. De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 885,00 rechtstreeks voortvloeit uit de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten. Tevens komt de rechtbank vergoeding van de gestelde immateriële schade tot een bedrag van € 4.000,00 billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 november 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank is van oordeel dat het gestelde verlies van arbeidsvermogen een post betreft die niet eenvoudig van aard is en zal de benadeelde partij in dat gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, evenals voor wat betreft het restant aan gevorderde immateriële schade. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijk rechter aanbrengen.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder de feiten 1 en 2 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: aanranding en mishandeling] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 36f, 55, 57, 246, 311 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de als feiten 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde gedragingen heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (zegge: achttien) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [aangeefster feit 1 en 2] geleden schade tot een bedrag van € 4.885,00, bestaande uit € 885,00 als vergoeding voor de materiële en € 4.000,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf

24 november 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [aangeefster feit 1 en 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [aangeefster feit 1 en 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.885,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 58 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

24 november 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Gelast de teruggave aan de rechthebbende [aangeefster feit 1 en 2] van:

1) 2 STK Handschoen (955311);

2) 1 STK Broek (955312).

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van die voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van de opgelegde gevangenisstraf.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J.M. Verpalen, voorzitter,

mrs. M. Mateman en E.M. ten Bos, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier J.A. Huismans,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 juni 2020.