Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:4007

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-06-2020
Datum publicatie
16-06-2020
Zaaknummer
8298682 \ CV EXPL 20-386
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering jegens een BV uit hoofde van opdracht toegewezen (betaling facturen). Vordering jegens de bestuurder uit hoofde van od (bestuurdersaansprakelijkheid) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 8298682 \ CV EXPL 20-386 WD

Uitspraakdatum: 10 juni 2020

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de naamloze vennootschap

Tanger Advocaten N.V.

gevestigd te Velsen-Zuid

eiseres

verder te noemen: Tanger

gemachtigde: mr. M. Schildwacht

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Greenwood International B.V.

gevestigd te Egmond aan den Hoef

gedaagde

verder te noemen: Greenwood

gemachtigde: [XX]

2 [gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

procederend in persoon

1 Het procesverloop

1.1.

Tanger heeft bij dagvaarding van 27 januari 2020 een vordering tegen Greenwood en [gedaagde] ingesteld. Greenwood en [gedaagde] hebben schriftelijk geantwoord.

1.2.

Tanger heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna Greenwood en [gedaagde] een schriftelijke reactie hebben gegeven.

2 De feiten

2.1.

Tanger is een advocatenkantoor.

2.2.

Greenwood is een groothandel in hout en plaatmateriaal. [gedaagde] is bestuurder van Greenwood.

2.3.

Tanger heeft in opdracht van Greenwood aan laatstgenoemde rechtskundige bijstand gegeven naar aanleiding van een juridisch conflict tussen Greenwood en R. Stender Holding B.V. Dit conflict had, kort gezegd, betrekking op de verkoop door Greenwood van een partij hout aan R. Stender Holding B.V. en de weigering van laatstgenoemde om de koopsom geheel te voldoen. De door Tanger aan Greenwood verzonden opdrachtbevestiging is gedateerd op 28 augustus 2018.

2.4.

Een eerste factuur voor de werkzaamheden van Tanger, groot € 1,816,82, is door Greenwood betaald. Tanger heeft Greenwood voor haar werkzaamheden daarnaast een bedrag van € 10.494,26 (waarvan € 684,28 ziet op een eerdere aan Tanger gegeven opdracht) in rekening gebracht. Greenwood heeft het verschuldigde factuurbedrag niet volledig aan Tanger betaald.

2.5.

Op of na 29 november 2019 heeft R. Stender Holding B.V. ten behoeve van Greenwoord een betaling van € 20.000,00 overgemaakt op de derdenrekening van Tanger. Dit bedrag is aan R. Stender Holding B.V. terugbetaald.

2.6.

Tanger heeft Greenwood en [gedaagde] gedagvaard en daarbij onderhavige vordering ingesteld. Tanger heeft na het uitbrengen van de dagvaarding een betaling van € 5.000,00 van Greenwood en/of [gedaagde] mogen ontvangen.

3 De vordering

3.1.

Tanger vordert, na wijziging van eis, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Greenwood en [gedaagde] hoofdelijk, des de één betalende de ander zal zijn bevrijd, veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 6.359,76, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 4.855,85 vanaf 20 december 2018, alsmede over de bedragen van € 2.312,31 en € 2.641,82 vanaf 17 januari 2019, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van voldoening, alsmede te vermeerderen met de kosten van dit geding en de nakosten en tot slot met de rente over voornoemde kosten.

3.2.

Tanger voert daartoe, kort gezegd, als volgt aan. Op grond van de tussen Tanger en Greenwood gesloten overeenkomst is Greenwood gehouden het totaalfactuurbedrag aan Tanger te betalen. Desondanks weigert Greenwood aan deze betalingsverplichting te voldoen. Vanwege de wanbetaling dient Greenwood daarnaast aan Tanger te vergoeden de buitengerechtelijke kosten van 865,50 en de verschuldigde wettelijke handelsrente. Rekening houdend met deze kosten en de na het uitbrengen van de dagvaarding verrichte betaling, resteert een saldo van € 6.359,76.
[gedaagde] is als bestuurder van Greenwood uit hoofde van onrechtmatige daad hoofdelijk naast Greenwood voor betaling van het gevorderde aansprakelijk. Tanger baseert deze aansprakelijk met name op de gang van zaken aangaande de terugbetaling van het door R. Stender Holding B.V. betaalde bedrag van € 20.000,00 en de volgens Tanger door [gedaagde] met R. Stender Holding B.V. in deze periode gemaakte afspraken.

4 Het verweer

4.1.

Greenwood heeft geen inhoudelijk verweer tegen de vordering gevoerd.

4.2.

[gedaagde] voert verweer op, kort gezegd, de navolgende gronden. [gedaagde] betwist onrechtmatig jegens Tanger te hebben gehandeld. Gezondheidsproblemen van [gedaagde] hebben hun weerslag gehad op de financiële omstandigheden van Greenwood, reden waarom de openstaande facturen tot op heden nog niet volledig konden worden betaald. [gedaagde] heeft uiteindelijk namens Greenwoord het geschil met R. Stender Holding B.V. geschikt om verdere kosten van Tanger te voorkomen. Er is geen sprake van opzet om de facturen van Tanger niet te betalen, maar van tijdelijke onmacht. [gedaagde] heeft namens Greenwood betaling toegezegd en een betalingsvoorstel gedaan, maar Tanger heeft geweigerd hierop in te gaan.

5 De beoordeling

5.1.

Greenwood heeft de vordering niet weersproken en de jegens haar ingestelde vordering ligt voor toewijzing gereed. De aangedragen gronden kunnen het gevorderde dragen. Voor een betalingsregeling dient Greenwood zich tot Tanger te wenden. De kantonrechter voorziet daar niet in. Greenwood zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van Tanger worden veroordeeld. De nakosten zijn toewijsbaar als na te melden. De over de proceskosten en nakosten gevorderde rente is toewijsbaar als na te melden.

5.2.

Met betrekking tot de jegens [gedaagde] ingestelde vordering wordt als volgt overwogen.

5.3.

In het geval een schuldeiser (Tanger) van een vennootschap (Greennwood) wordt benadeeld door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene ( [gedaagde] ) die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 van het Burgerlijk Wetboel (BW), een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, nr. C98/208, NJ 2000, 295).

5.4.

Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen (Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758).

5.5.

Dat [gedaagde] bij het aangaan van de financiële verplichtingen jegens Tanger wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat Greenwood niet aan haar financiële verplichtingen zou kunnen voldoen is niet (gemotiveerd) gesteld en evenmin gebleken.

5.6.

Het meest verstrekkende verwijt dat Tanger [gedaagde] maakt, is dat [gedaagde] in de periode na 29 november 2019 Tanger heeft verzocht om een door R. Stender Holding B.V. ten behoeve van Greenwood verrichte betaling op de derdenrekening van Tanger terug te boeken naar R. Stender Holding B.V.. Dit vanwege door Greenwood c.q. [gedaagde] enerzijds en R. Stender Holding B.V. anderzijds na ontvangst van deze betaling gemaakte afspraken.

5.7.

De kantonrechter overweegt als volgt. Wat hier verder ook van zij, vastgesteld kan worden dat Tanger uit vrije wil heeft ingestemd met de overboeking waar zij thans bezwaar tegen maakt. Immers, Tanger heeft als beheerder van haar derdenrekening de instructie van [gedaagde] tot terugboeking van de ontvangen betaling aanvaard en uitgevoerd. Van enig onrechtmatig handelen van de zijde van [gedaagde] is dan ook geen sprake. Ook niet indien in ogenschouw wordt genomen dat, zoals Tanger aanvoert, de door Tanger aanvaarde betalingsinstructie indruiste tegen een eerder gemaakte afspraak die Tanger de bevoegdheid gaf om haar openstaande declaraties te verrekenen met ten behoeve van Greenwood ontvangen betalingen. Immers, Tanger heeft zelf met deze consequentie ingestemd.

5.8.

Tanger heeft nog gesteld dat [gedaagde] op het moment van de betalingsinstructie al wist dat Greenwood jegens Tanger niet aan haar betalingsverplichting zou kunnen voldoen, maar Tanger heeft deze stelling niet nader onderbouwd, zodat daaraan voorbij wordt gegaan.

5.9.

Tanger heeft verder nog aangevoerd dat [gedaagde] regelmatig namens Greenwood betaling heeft toegezegd, maar dit enkele feit rechtvaardigt evenmin dat een uitzondering wordt gemaakt op het in 5.3. omschreven uitgangspunt.

5.10.

Wat Tanger voor het overige heeft aangevoerd, rechtvaardigt evenmin dat [gedaagde] aansprakelijk wordt gehouden voor de betaling van de aan Greenwood verzonden facturen. Met name de stelling van Tanger dat [gedaagde] buiten Tanger om het met R. Stender Holding B.V. op een akkoordje heeft gegooid en Tanger met loze toezeggingen in de kou heeft gezet, is te vaag om de aansprakelijkheid van [gedaagde] op te baseren.

5.11.

De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van Tanger jegens [gedaagde] zal afwijzen.

5.12.

De proceskosten in de zaak tussen Tanger en [gedaagde] komen voor rekening van Tanger, omdat zij ongelijk krijgt. Deze kosten zijn te begroten als na te melden.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt Greenwood tot betaling aan Tanger van een bedrag van € 6.359,76, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6: 119a BW over een bedrag van
€ 4.855,85 vanaf 20 december 2018, alsmede over de bedragen van € 2.312,31 en € 2.641,82 vanaf 17 januari 2019 tot aan de dag van voldoening;

6.2.

veroordeelt Greenwood tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Tanger tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 112,68

griffierecht € 499,00

salaris gemachtigde € 720,00;

6.3.

veroordeelt Greenwood in de nakosten voor zover daadwerkelijk nakosten worden gemaakt met een maximum van €120,00;

6.4.

veroordeelt Greenwood in de wettelijke rente ex artikel 6: 119 BW over de proceskosten en de nakosten vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van betaling;

6.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.6.

wijst de vordering voor het overige af;

6.7.

veroordeelt Tanger in de proceskosten van [gedaagde] die tot op heden worden vastgesteld op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. Voogd en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter