Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:3966

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-05-2020
Datum publicatie
03-08-2020
Zaaknummer
C/15/301486 / FA RK 20-1786
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanhouding verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de ouders, omdat een gezagsbeeindiging nu voor veel verdriet en onrust zal zorgen en mogelijk het evenwicht en de goede samenwerking binnen het netwerk dat betrokken is bij de minderjarige, zal verstoren. Een gezagsbeëindiging wordt daarom op dit moment niet in het belang van de minderjarige geacht. Ook zal er nog nader onderzoek moeten worden gedaan naar wie met de voogdij belast dient te worden. De minderjarige wordt wel onder toezicht gesteld en een machtiging uithuisplaatsing wordt verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

Zittingsplaats: Alkmaar

Zaakgegevens : C/15/301486 / FA RK 20/1786 en C/15/302879 JU RK 20/969

datum uitspraak: 28 mei 2020

beschikking aanhouding verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag en beschikking ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de Raad,

gevestigd te Haarlem,

betreffende

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , hierna te noemen: [de minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] , hierna te noemen: de moeder,

wonende te [plaats] ,

advocaat: mr. T.M. Melissen, kantoorhoudende te Noord-Scharwoude,

[de vader] , hierna te noemen: de vader,

wonende te [plaats] ,

[de pleegouders] , grootouders vaderszijde (vz) tevens pleegouders, hierna te noemen: de pleegouders,

wonende te [plaats] ,

de gecertificeerde instelling de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, hierna te noemen: de GI,

gevestigd te Amsterdam.

1 Het procesverloop

1.1

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoek met bijlagen van de Raad van 24 maart 2020, ingekomen bij de griffie op 26 maart 2020,

- de aanvullende stukken van de Raad van 6 april 2020, ingekomen bij de griffie op 8 april 2020,

- de pleitnotities van de advocaat van de moeder, ter zitting overgelegd,

- het aangepaste verzoekschrift van de Raad van 8 mei 2020, ingekomen bij de griffie op

8 mei 2020.

1.2

Op 7 mei 2020 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Verschenen en gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,

- de vader,

- de pleegvader (tevens grootvader van [de minderjarige] ),

- [vertegenwoordiger van de Raad] , namens de Raad,

- [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI.

2 De feiten

2.1

Het ouderlijk gezag over [de minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.

2.2

[de minderjarige] verblijft sinds [datum] bij de pleegouders (grootouders vaderszijde).

2.3

De GI heeft zich bij brief van 6 april 2020 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.

3 Het verzoek en het standpunt van de Raad

3.1

De Raad verzoekt allereerst het gezag van de ouders te beëindigen en de GI tot voogd over [de minderjarige] te benoemen. Mocht de rechtbank niet over gaan tot gezagsbeëindiging dan verzoekt de Raad om [de minderjarige] onder toezicht te stellen en een machtiging tot uithuisplaatsing voor [de minderjarige] te verlenen voor de duur van twaalf maanden.

3.2

Ter onderbouwing van het verzoek tot gezagsbeëindiging stelt de Raad dat de ouders onvoldoende opvoedvaardigheden hebben en onvoldoende leerbaar zijn om voor [de minderjarige] te kunnen zorgen. De Raad vindt het noodzakelijk dat [de minderjarige] in het pleeggezin bij zijn grootouders blijft wonen, met ondersteuning van het betrokken netwerk. De Raad vindt het van belang dat [de minderjarige] daar veilig en stabiel opgroeit. Een gezagsbeëindigende maatregel zal volgens de Raad alle betrokkenen duidelijkheid geven over het woon- en opvoedperspectief van [de minderjarige] . De Raad is van mening dat - gelet op de verschillende standpunten van alle betrokkenen over waar [de minderjarige] zou moeten opgroeien - het in het belang van [de minderjarige] is om een neutrale instantie als de GI de voogdij te geven, zodat belangrijke beslissingen in het belang van [de minderjarige] genomen kunnen worden en knopen worden doorgehakt.

3.3

Mocht de rechtbank het ouderlijk gezag van de ouders niet beëindigen, dan vindt de Raad het noodzakelijk dat [de minderjarige] onder toezicht wordt gesteld en er een machtiging tot uithuisplaatsing voor [de minderjarige] wordt verleend voor verblijf bij zijn grootouders. De Raad vindt de betrokkenheid van de GI vanuit een gedwongen kader immers nodig. De Raad heeft echter een voorkeur voor de gezagsbeëindigende maatregel, nu de Raad voorziet dat anders de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing jaarlijks verlengd moeten worden.

4 De standpunten van de belanghebbenden

4.1

De vader heeft verzocht om het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag af te wijzen. De vader heeft aangegeven dat hij graag het gezag wil houden en dat hij al veel heeft geleerd over hoe hij met [de minderjarige] moet omgaan en daar nog steeds in leert. Hij groeit als het ware mee met [de minderjarige] . Het doel van de vader is om uiteindelijk zelfstandig (op woensdag en in het weekend) te zorgen voor [de minderjarige] in zijn eigen huis, met ondersteuning van de pleegouders en [zus van de vader] (zus van de vader). De vader wil graag de kans krijgen om te laten zien waar hij over twaalf maanden staat.

4.2

De moeder is het niet eens met het verzoek tot beëindiging van het gezag. Volgens de moeder gaat dit verzoek van de Raad op dit moment te ver en wordt het te vroeg gedaan. De moeder stelt dat er onvoldoende informatie beschikbaar is over haar opvoedingsvaardigheden, haar leerbaarheid. De moeder meent dat één kortdurend hulpverleningstraject - dat plaatsvond in een periode waarin het met haar niet goed ging - te weinig is om vast te stellen dat zij niet leerbaar is. De moeder vindt dat het op dit moment te vroeg is om de conclusie te trekken dat zij ook in de toekomst niet voor [de minderjarige] kan zorgen. Zij wil graag laten zien dat zij wel leerbaar is en dat zij wél voor [de minderjarige] kan zorgen. Namens de moeder is naar voren gebracht dat de beëindiging van het ouderlijk gezag een vergaande inbreuk is op artikel 8 EVRM. Het enkele feit dat het perspectief niet bij de ouders ligt, hoeft niet tot een gezagsbeëindigende maatregel te leiden. De ouders misbruiken het gezag niet, houden zich goed aan de afspraken en hebben een goede samenwerking met het pleeggezin.

De moeder kan zich wel vinden in het verzoek om een ondertoezichtstelling van de Raad. Tijdens de ondertoezichtstelling kan hulpverlening worden ingezet, waarna duidelijk zal worden of de ouders voldoende opvoedingsvaardigheden hebben en wat de beste plek voor [de minderjarige] is om op te groeien. De moeder vraagt de rechtbank om het verzoek tot beëindiging van het gezag af te wijzen. Tegen de ondertoezichtstelling heeft de moeder geen bezwaar.

4.3

De pleegvader heeft aangegeven dat het heel goed gaat met [de minderjarige] . Graag zou hij samen met zijn vrouw of met [zus van de vader] (vz) met het gezag over [de minderjarige] belast willen worden. De pleegvader zou moeite hebben met een ondertoezichtstelling van [de minderjarige] .

5 De beoordeling

Verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag

5.1

De rechtbank overweegt, dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) het gezag van een ouder kan beëindigen, indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

5.2

De kinderrechter heeft vooral gekeken naar de speciale omstandigheden in deze zaak en vindt dat het verzoek van de Raad tot het beëindiging van het gezag van de ouders te vroeg is gedaan. De kinderrechter motiveert dat als volgt.

5.3

Sinds de geboorte van [de minderjarige] hebben zijn moeder en vader niet voor hem kunnen zorgen. [de minderjarige] is vlak na zijn geboorte, vanaf [datum] , bij de grootouders (vz) gaan wonen, waar [de minderjarige] veilig en stabiel opgroeit en zich heel goed ontwikkelt. [zus van de vader] (vz) is veel betrokken en zij is ook beschikbaar als pleegouder voor het geval dat nodig is. Ook is de rest van de familie van zowel de vader als de moeder betrokken en steunend en maken zij goede afspraken met elkaar, allemaal in het belang van [de minderjarige] . Voor de vader en de moeder is er wekelijks ruimte voor contact met [de minderjarige] , al dan niet onder begeleiding van familie of hulpverlening. De liefdevolle en adequate wijze waarop alle betrokkenen deze situatie hebben vormgegeven voor [de minderjarige] is bewonderingswaardig te noemen.

5.4

Het is de kinderrechter duidelijk dat er zorgen bestaan over de opvoedvaardigheden van de ouders waardoor het perspectief van [de minderjarige] onduidelijk is. Het is immers de vraag of zijn ouders ooit, binnen een termijn die voor [de minderjarige] niet te ver weg ligt, voor hem kunnen zorgen. Daardoor wordt [de minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. De ouders willen allebei heel graag, maar worden door de hulpverlening onvoldoende leerbaar geacht om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] zelfstandig te dragen. De kinderrechter maakt echter de afweging dat een gezagsbeëindiging nu, voor veel verdriet en onrust zal zorgen en mogelijk het evenwicht binnen het netwerk zal verstoren, terwijl er zo’n goed samenwerkingsverband is voor [de minderjarige] in zijn familie. Daarom is een gezagsbeëindiging op dit moment niet in het belang van [de minderjarige] . De kinderrechter houdt rekening met de mogelijkheid dat de ouders, binnen het komende jaar, waarin [de minderjarige] zich verder ontwikkelt, via een natuurlijk proces kunnen aanvaarden dat zij wellicht niet zelf de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] op zich kunnen nemen.

5.5

Bovendien is het de kinderrechter ter zitting gebleken dat de pleegouders (grootouders) en [zus van de vader] (vz) graag het gezag zouden willen krijgen. De kinderrechter is van oordeel dat deze mogelijkheid onvoldoende is onderzocht. De kinderrechter zal daarom het verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de ouders aanhouden voor een periode van twaalf maanden. De kinderrechter verzoekt daarbij de Raad om nader onderzoek te doen naar de vraag of het wenselijk is om de pleegouders of [zus van de vader] (vz) met de voogdij te belasten, of dat het belasten van de GI met de voogdij het meest tegemoetkomt aan de belangen van [de minderjarige] .

Verzoek tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing

5.6

De rechtbank overweegt ten aanzien van de verzochte ondertoezichtstelling dat aan de voorwaarden van artikel 1:255 BW is voldaan. Zoals overwogen wordt [de minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Niet doordat hij opgroeit bij zijn grootouders, want dat gaat immers heel goed, maar omdat zijn ouders op dit moment niet voor hem kunnen zorgen. De kinderrechter acht het noodzakelijk dat de GI als regievoerder in het gedwongen kader betrokken raakt. De kinderrechter acht het van belang dat een jeugdzorgwerker in het belang van [de minderjarige] met de ouders afspraken gaat maken en beslissingen met hen gaat nemen, zodat de pleegouders niet zelf de confrontatie met de ouders hoeven aan te gaan. De rechtbank zal de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] uitspreken voor de duur van één jaar. De kinderrechter acht het van belang dat de rol van de vader en de moeder en het perspectief van [de minderjarige] binnen dit jaar nog duidelijker zal worden en dat er meer inzicht zal komen en draagvlak bij de ouders voor het opgroeien van [de minderjarige] bij de grootouders.

5.7

Over de verzochte uithuisplaatsing overweegt de rechtbank dat de plaatsing van [de minderjarige] buiten het gezin, namelijk bij de pleegouders, in geval van een ondertoezichtstelling, op grond van artikel 1:265a BW, alleen kan met een machtiging tot uithuisplaatsing. De rechtbank is van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (artikel 1:265b BW). De kinderrechter zal daarom een machtiging verlenen tot plaatsing van [de minderjarige] in een netwerkpleeggezin (bij zijn grootouders) voor de duur van twaalf maanden.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1

houdt aan de behandeling van het verzoek met betrekking tot beëindiging van gezag van [de moeder] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] en [de vader] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , voor de duur van twaalf maanden, tot 28 mei 2021;

6.2

verzoekt de Raad ten aanzien van het verzoek tot beëindiging van gezag van de ouders een aanvullend onderzoek te verrichten ter beantwoording van de hierboven onder 5.4 vermelde vraag en de rechtbank ter zake te adviseren;

6.3

verzoekt de Raad uiterlijk op 3 mei 2021 zijn rapport aan de rechtbank en de belanghebbenden te doen toekomen;

6.4

stelt de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , onder toezicht van de gecertificeerde instelling de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, voor de duur van twaalf maanden, met ingang van 28 mei 2020 tot 28 mei 2021;

6.5

verleent machtiging tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarige in een netwerkpleeggezin, met ingang van 28 mei 2020 tot uiterlijk 28 mei 2021;

6.6

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.A.M. van Dijk, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Kuip als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Amsterdam