Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:389

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-01-2020
Datum publicatie
10-02-2020
Zaaknummer
7124153
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Appartementsrecht, aanvulling op beschikking. Zie ook ECLI:NL:RBNHO:2019:7842.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./repnr.: 7124153 \ EJ VERZ 18-179

Uitspraakdatum: 22 januari 2020

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

[verzoeker]

wonende te [woonplaats]

verzoeker en verweerder in de tegenverzoeken

verder te noemen: [verzoeker]

gemachtigde: mr. R. Vos

tegen

de Vereniging van Eigenaars [VvE]

gevestigd te [woonplaats]

niet in de procedure verschenen

en

[verweerster]

wonende te [woonplaats]

verweerster en verzoekster van de tegenverzoeken

verder te noemen: [verweerster]

thans procederend in persoon

1 Het procesverloop

1.1.

Op 17 september 2019 is een beschikking gegeven met het hierboven vermelde zaaknummer.

1.2.

De griffie heeft op 23 september 2019 een brief ontvangen van mr. Vos. In deze brief verzoekt [verzoeker] om aanvulling van de beschikking.

1.3.

[verweerster] heeft, nadat zij hiertoe in de gelegenheid is gesteld, tegen dit verzoek bezwaar gemaakt.

2 Het verzoek en het verweer

2.1.

[verzoeker] verzoekt de kantonrechter om de beschikking op de voet van artikel 32 Rv aan te vullen. Hij stelt dat verzuimd is te beslissen op het subsidiaire verzoek onder I om hem met terugwerkende kracht te machtigen de omschreven dakwerkzaamheden uit te voeren onder bepaling van betaling door [verweerster] . [verzoeker] stelt dat hij ter zitting de primair gevorderde verklaring voor recht over de besluitvorming over de dakwerkzaamheden heeft ingetrokken, maar dat die intrekking niet het subsidiaire verzoek omvat. Ter onderbouwing van zijn stelling verwijst [verzoeker] naar het verslag van de zitting waarin staat vermeld dat alle verzoeken om verklaringen voor recht zijn ingetrokken, maar niet dat een machtigingsverzoek zou zijn ingetrokken.

2.2.

[verweerster] heeft bezwaar gemaakt tegen het verzoek. Zij voert aan dat uit het proces verbaal van de zitting blijkt dat alles wat een verklaring voor recht omvatte tijdens de mondelinge behandeling werd ingetrokken en dat daarmee het hele petitum vanaf regel 1 is ingetrokken. Verder voert zij aan dat in het petitum één verzoek tot vervangende machtiging wordt gedaan en dat in de beschikking ook één verzoek tot vervangende machtiging wordt behandeld.

3 De verdere feiten

3.1.

[verzoeker] heeft op 6 augustus 2018 het volgende verzoek ingediend:

OM WELKE REDENEN verzoeker zich wendt tot uw Rechtbank, Afdeling kantonzaken, met het verzoek bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren:

I. dat de werkzaamheden in november 2016 aan het dak van het gebouw aan [adres] te [woonplaats] zijn uitgevoerd op grond van het besluit daartoe over te gaan van de ledenvergadering van 12 juli 2016 van de Vereniging van Eigenaars [VvE] en de kosten daarvan € 27.709,09 (hebben) bedragen, subsidiair met terugwerkende kracht verzoeker te machtigen die werkzaamheden uit te voeren, één dan wel ander onder de bepaling dat verzoeker twee/derde deel van deze kosten dient bij te dragen en verweerster [verweerster] een/derde deel, te weten

€ 9.236,33, als door haar aan verzoeker te betalen binnen één maand na betekening van deze beschikking [onderstreping kantonrechter];

II. dat op de ledenvergadering van 20 juli 2016 van de Vereniging van Eigenaars [VvE] door haar is besloten dan wel

aan te nemen:
a. (…)

b. (…)
c. (…)
i. (…)
ii. (…)

III. Subsidiair [verzoeker] te machtigen de werkzaamheden als genoemd onder II.c.i uit te voeren volgens de eveneens genoemde verdeling van kosten;

IV. (…)”.

3.2.

Op 18 december 2018 heeft [verzoeker] het verzochte onder III uitgebreid.

3.3.

De mondelinge behandeling van de verzoeken en tegenverzoeken heeft op 18 maart 2019 plaatsgevonden.

3.4.

[verweerster] heeft op 3 april 2019 om een proces-verbaal van de zitting verzocht. Het proces-verbaal is op 11 april 2019 opgemaakt en op 15 april 2019 toegezonden aan partijen.

In het proces-verbaal is onder meer opgenomen:
(…)
De kantonrechter vraagt of [verzoeker] in juli 2016 al bekend was met de akte waarin de splitsingsakte is gerectificeerd.

Vervolgens wordt de zitting enige tijd geschorst opdat mr Vos met zijn cliënt kan overleggen.

Na hervatting van de zitting verklaren partijen als volgt.

Mr Vos:

De akte van rectificatie was toen nog onbekend. Het verzoek om een verklaring voor recht onder I wordt ingetrokken.

Het verzoek om een verklaring voor recht onder II wordt ook ingetrokken.

De kantonrechter stelt vast dat [verzoeker] alle door hem verzochte verklaringen voor recht heeft ingetrokken.

Mr. Vermeij:

Hierbij overleg ik mijn pleitaantekeningen en zal deze vanaf punt 9 uitspreken.

(…)

3.5.

In de pleitaantekeningen van Mr. M.E.M. Vermeij (de opvolgend gemachtigde van [verweerster] destijds) is opgenomen:

“(…)

Subsidiair

9. Subsidiair verzoekt [verzoeker] hem op de voet van artikel 5:121 BW met terugwerkende kracht te machtigen die dakrenovatie uit te voeren, onder de bepaling dat [verzoeker] 2/3e deel van deze kosten dient te dragen en [verweerster] 1/3e deel, te weten € 9.236,33, door haar aan [verzoeker] te betalen binnen één maand na betekening van de beschikking. Ook deze vordering dient te worden afgewezen.

10. (…)”.

3.6.

In het proces-verbaal is verder opgenomen:

“Mr Vermeij:

Zie artikel 9 lid 1 in verband met artikel 14 van het splitsingsreglement. De terugwerkende kracht van een eventuele machtiging kan de door [verzoeker] aangebrachte wijzigingen in het dak niet helen. Verder verwijs ik naar het verweerschrift.

(…)”.

4 De beoordeling van het verzoek tot aanvulling

4.1.

De kantonrechter is van oordeel dat in de beschikking is verzuimd te beslissen op het door [verzoeker] in zijn brief van 23 september 2019 aangegeven subsidiaire deel van onderdeel I van zijn verzoek, zoals bij de feiten onder 3.1. met onderstreping weergegeven. Vastgesteld kan worden dat gelet op het verhandelde ter zitting zoals weergegeven in het proces-verbaal [verzoeker] enkel het eerste deel van onderdeel I van zijn verzoek heeft ingetrokken. Anders dan [verweerster] thans aanvoert in haar brief van 12 november 2019, was dit haar dan wel haar gemachtigde destijds ook duidelijk gelet op het door haar dan wel namens haar ter zitting ingenomen standpunt met betrekking tot die betreffende subsidiair verzochte machtiging, zoals ook blijkt uit het uitspreken vanaf punt 9 van de onder 3.5. aangehaalde pleitaantekeningen. Het verzoek van [verzoeker] tot aanvulling van de beschikking wordt daarom toegewezen.

5 De verdere beoordeling van het verzoek

grondslag van het verzoek
5.1. [verzoeker] heeft aan zijn machtigingsverzoek tot uitvoering van dakwerkzaamheden ten grondslag gelegd dat:

- de noodzaak tot dakherstel al voordat [verzoeker] appartementseigenaar werd bestond,

- [verweerster] vanaf 2013 structureel tracht werkzaamheden aan het dak tegen te houden,

- het onderwerp is geagendeerd en besproken op de VVE vergadering van
12 juli 2016,

- de VVE vergadering en [verweerster] niet hebben ingestemd met de uitvoering van de werkzaamheden,

- de werkzaamheden geen verder uitstel konden lijden, en

- dat op basis van de wetsgeschiedenis machtiging met terugwerkende kracht mogelijk is.
Verder heeft [verzoeker] verzocht om op de voet van lid 2 van artikel 5:121 BW te bepalen dat [verweerster] 1/3e deel van de kosten van de dakwerkzaamheden moet bijdragen en een bedrag van € 9.236,33 moet te betalen aan [verzoeker] .

het verweer
5.2. [verweerster] heeft verweer gevoerd tegen het verzoek en daartoe aangevoerd dat het niet mogelijk is om met terugwerkende kracht een machtiging te verzoeken. Verder is er geen plaats voor een machtiging met terugwerkende kracht omdat [verzoeker] [verweerster] op geen enkele wijze heeft betrokken in het door hem genomen besluit om de opdracht aan [firma 1] voor € 27.709,00 in plaats van [firma 2] ad € 14.495,80 te verstrekken. De bijdrage die [verweerster] zou moeten voldoen is daardoor bijna twee keer zo hoog. Verder heeft [verweerster] zich verzet tegen de uitvoering van de werkzaamheden door [firma 1] en [verzoeker] en de VVE gedagvaard in kort geding ten einde het werk aan het dak te staken. Desondanks heeft [verzoeker] [firma 1] de opdracht tot dakrenovatie laten uitvoeren. Daarbij komt dat [firma 1] het werk slecht en ondeskundig heeft uitgevoerd, het werk nog steeds niet is hersteld en dat het architectonische uiterlijk van het gebouw is gewijzigd door het aanbrengen van rode dakpannen. Die wijziging is zonder toestemming van de vergadering van de VVE in strijd met het splitsingsreglement, aldus [verweerster] .
Tot slot heeft [verweerster] een beroep gedaan op het recht tot verrekening van haar vorderingen op de VVE wegens voorgeschoten kosten ad € 31.476,32 in de periode 2009 – 2013.

de feiten
5.3. Gelet op het verhandelde ter zitting en de door partijen in het geding gebrachte stukken kan – in aanvulling op de in de beschikking van 17 september 2019 opgenomen feiten - worden vastgesteld dat tussen partijen niet (langer) in geschil is dat er in 2016 sprake was van lekkages in beide woningen en dat het dak diende te worden gerenoveerd.
Ook kan worden vastgesteld dat [verzoeker] drie offertes ad € 22.941,60, € 15.554,00 en
respectievelijk € 14.495,80 heeft laten uitbrengen voor renovatie van het dak en dat hij [verweerster] heeft bericht de opdracht te willen verstrekken aan [firma 2] , de indiener met de laagste offerte. Vervolgens heeft [verweerster] op 26 juli 2016 nog een offerte ad € 16.921,85 laten uitbrengen en aangegeven dat opdracht diende te worden gegeven aan een gekwalificeerde aannemer en onder toepasselijkheid van een garantieregeling.
Op 30 september 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoeker] , [verweerster] en mr. Dijkstra (voormalig gemachtigde [verweerster] ) waarbij [verzoeker] kennis heeft genomen van de akte van rectificatie van de splitsingsakte en de daarbij gewijzigde stemverhouding. Verder zijn over de renovatie van het dak geen beslissingen genomen door partijen.

Vervolgens heeft [verzoeker] [verweerster] op 18 oktober 2016 bericht dat [firma 2] geen tijd had om op korte termijn het dak te vervangen maar dat gelet op de ernst van de slechte staat van het dak binnen drie weken door een andere aannemer met de dakrenovatie zal worden gestart en dat na de dakrenovatie er alle tijd zal zijn voor een nieuwe VVE vergadering. Daarop heeft [verweerster] [verzoeker] op 20 oktober 2016 bericht niet in te stemmen met zijn voorstel.
Op 20 oktober 2016 heeft [firma 1] een offerte uitgebracht aan [naam] (partner van [verzoeker] ) voor dakwerkzaamheden aan [adres] [aanduiding] te [woonplaats] ad € 24.417,80.
[verzoeker] heeft de zaak uit handen gegeven aan mr. Vos en die heeft [verweerster] op 25 oktober 2016 geschreven dat ‘langer uitstel gelet op de gevaarlijke situatie en de tijd van het jaar niet aanvaardbaar’ is en dat er sprake is van ‘noodzaak tot onmiddellijk ingrijpen gelet op de permanente en ook ernstige lekkages’ en ‘uw argument dat ook andere werkzaamheden besproken moeten worden, kan er niet toe leiden dat de reparatie van het dak nog langer moet worden uitgesteld’. Ook heeft hij aangekondigd dat de werkzaamheden 7 november 2016 zullen aanvangen en dat voorafgaand aan het werk steigers zullen worden geplaatst. Daarop heeft [verweerster] gesommeerd de werkzaamheden stil te leggen in afwachting van een gesprek tussen partijen dan wel een andere oplossing en geen medewerking verleend aan het plaatsen van steigers in haar tuin. De aanvang van het werk is niet opgeschort doch volgens de eerdere aankondiging van [verzoeker] uitgevoerd. Op 23 november 2016 is het werk opgeleverd. Op de eindfactuur is € 3.291,20 aan meerwerk in rekening gebracht.

Na de oplevering van het dak heeft op 24 november 2016 de zitting in kort geding plaatsgevonden. Ter zitting hebben partijen afgesproken om de zaak aan te houden om in overleg een deskundige aan te wijzen voor het opstellen van een rapportage over de onderhoudsstatus van het pand. Daaropvolgend heeft Bouwteam P&O op 10 april 2017 een inspectie rapportage uitgebracht en is het kort geding op 29 mei 2017 ingetrokken.

machtiging met terugwerkende kracht

5.4.

De kantonrechter neemt tot uitgangspunt dat het dak behoort tot de gemeenschappelijke gedeelten van het gebouw. Daarover voert de vereniging het beheer. De vergadering van appartementseigenaars beslist over het beheer tenzij de beslissing daarover aan het bestuur toekomt. Het besluit over onderhavige dakrenovatie valt niet onder deze tenzij bepaling. In onderhavig geval is het de vergadering van appartementseigenaars die bevoegd is tot het nemen van het besluit tot dakrenovatie. [verweerster] heeft geweigerd in te stemmen met het verlenen van opdracht tot dakrenovatie. De kantonrechter dient op de voet van lid 1 van artikel 5:121 BW te beoordelen of [verweerster] ‘zonder redelijke grond’ haar toestemming heeft geweigerd.

5.5.

Daarbij stelt de kantonrechter voorop dat artikel 5:121 BW is te beschouwen als een bijzondere uitwerking van het beginsel dat de verhouding tussen mede-eigenaars wordt beheerst door redelijkheid en billijkheid. Dit beginsel brengt met zich dat indien voor het verrichten van bepaalde handelingen de toestemming van mede-eigenaars (al dan niet in de vorm van de VVE) nodig is, deze niet zonder redelijke grond kan worden geweigerd. Bij de vraag of zonder redelijke grond toestemming is geweigerd, zijn de omstandigheden van het geval van belang, en bepalen de belangen van [verweerster] mede of sprake is van een weigering zonder redelijke grond. Dit staat evenwel niet gelijk aan een volledig open belangen afweging waarin de individuele wensen van [verweerster] in alle opzichten even zwaar wegen als de belangen en motieven van de overige eigenaren dan wel de gemeenschap.

5.6.

Zoals hiervoor is vastgesteld bestond er in ieder geval in 2016 een noodzaak tot het renoveren van het dak. Desondanks heeft [verweerster] in haar hoedanigheid van bestuurder van de vereniging een en ander niet voortvarend ter hand genomen maar in haar hoedanigheid van appartementseigenaar voortdurend nieuwe hindernissen opgeworpen bij het komen tot aanbesteding en aanvang van de renovatiewerkzaamheden dan wel de besluitvorming vertraagd en/of uitgesteld. Dat [verzoeker] als appartementseigenaar van de bovenwoning vervolgens het initiatief naar zich toe heeft getrokken kan zij hem daarom niet verwijten. [verzoeker] heeft de staat van dak door een deskundige laten vaststellen en drie offertes voor dakrenovatie laten opstellen en [verweerster] daarvan kopieën verstrekt. Van een redelijke grond om niet in te stemmen met de door [verzoeker] in oktober 2016 voorgestelde aanpak is dan ook geen sprake. Dat er ook nog andere punten door de vergadering van appartementseigenaars bespreking en een oplossing behoefden maakte dit niet anders. Duidelijk was immers dat de aanpak van de voortdurende lekkages geen uitstel meer kon dulden en dat renovatie van het dak de daartoe aangewezen oplossing was. Ook het bezwaar van [verweerster] tegen de uitvoering van het dak in rode dakpannen maakt niet dat zij in redelijkheid kon weigeren, gelet op de uitleg van [verzoeker] dat dakpannen een veel langere levensduur kennen dan dakshingles, dat rode pannen goedkoper zijn dan grijze dakpannen, en dat er niet van bezwaar is gebleken van de zijde van de gemeente in het kader van het beschermd stadsgezicht doch juist is aangegeven dat het vervangen van dakshingles door dakpannen paste binnen de historie van het pand en juist bedoeling was.

5.7.

Anders dan [verweerster] heeft aangevoerd volgt uit de parlementaire geschiedenis dat als degene die een machtiging verzoekt een rechtshandeling wil verrichten die naar hij meent geen verder uitstel kan lijden, hij haar kan verrichten onder voorbehoud van de verkrijging van de nodige machtiging die de rechter dan eventueel nog achteraf kan verlenen. Deze formulering van de wetgever duidt er op dat hij het aan de beoordeling van verzoeker overlaat of de werkzaamheden uitstel kunnen dulden en de keuze maakt pas achteraf om toestemming te vragen. Hieruit kan niet worden afgeleid dat op basis van objectieve gegevens moet worden vastgesteld dat de werkzaamheden inderdaad geen uitstel konden lijden, op straffe van verval van het recht om achteraf vervangende machtiging te vragen. Gelet op de in het geding gebrachte brieven van 18 en 25 oktober 2016, de voortdurende lekkages en het standpunt van partijen dat dakrenovatie, en niet enkel reparaties aan het dak, noodzakelijk was, volgt de kantonrechter [verzoeker] in zijn standpunt dat de renovatie van het dak geen verder uitstel kon lijden. Gelet op het voorgaande kan de kantonrechter dus achteraf machtiging verlenen en zal dat dan ook doen.

bijdrageplicht

5.8.

De verrichte werkzaamheden en de factuur komen de kantonrechter redelijk voor. Gelet op het bepaalde in de akte van splitsing moeten [verweerster] en [verzoeker] ieder voor hun aandeel, 1/3e respectievelijk 2/3e gedeelte, bijdragen in de kosten van in totaal € 27.709,00.
Het verzoek van [verzoeker] aan de kantonrechter om te bepalen dat [verweerster] binnen één maand na betekening van onderhavige beschikking een bedrag van € 9.236,33 aan [verzoeker] dient te betalen, is niet toewijsbaar omdat daarmee buiten de grenzen van onderhavige verzoekschriftprocedure ex artikel 5:121 wordt getreden. Deze biedt niet de ruimte om een vordering tot betaling toe te wijzen.

verrekeningsverweer [verweerster]

5.9.

heeft voor het geval dat [verzoeker] enige geldvordering op haar zou hebben, een beroep gedaan op haar recht van verrekening met haar vorderingen wegens voor de VVE voorgeschoten kosten ad € 31.476,32. Zoals hiervoor onder 5.8 is overwogen is onderhavige procedure niet de geëigende procedure voor het instellen van geldvorderingen. Dit geldt eveneens, zoals [verweerster] in punt 84 van haar verweerschrift ook benoemt, voor de door [verweerster] gestelde vordering op de VVE. Nog daargelaten dat [verzoeker] en niet de VVE de wederpartij is van [verweerster] in onderhavig geschil.

proceskosten

5.10.

De kantonrechter ziet geen aanleiding om de beslissing ten aanzien van de proceskosten te herzien.

6 De beslissing

De kantonrechter vult de beschikking van 17 september 2019 aan, zodat de beslissing als volgt luidt:

De kantonrechter:

  • -

    wijst het verzoek tot machtiging van [verzoeker] tot uitvoering van de in november 2016 aan het dak van het gebouw aan [adres] te [woonplaats] uitgevoerde werkzaamheden, met terugwerkende kracht, toe;

  • -

    bepaalt dat [verzoeker] voor twee/derde deel en [verweerster] voor één/derde deel in de totale kosten ad € 27.709,00 dienen bij te dragen;

  • -

    wijst het verzoek van [verzoeker] voor het overige af;

- compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt in de zaak van het verzoek en van het tegenverzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.A.M. Röell-Mulder, kantonrechter, en is gehecht aan de beschikking van 17 september 2019, waarin deze aanvulling als ingelast en overgenomen wordt beschouwd. De aangevulde beschikking is opnieuw uitgesproken ter openbare terechtzitting van bovenvermelde datum in aanwezigheid van de griffier,
mr. A.H.I Hoogendam.


De griffier De kantonrechter