Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:3853

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-05-2020
Datum publicatie
02-06-2020
Zaaknummer
C/15/300687 / KG ZA 20-154
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot voortijdig doorhalen/verwijderen A3 codering in BKR afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/300687 / KG ZA 20-154

Vonnis in kort geding van 28 mei 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. D.A. van Poorten te Velsen-Zuid,

tegen

de coöperatie COÖPERATIEVE RABOBANK IJMOND U.A.,

statutair gevestigd en kantoor houdende te Velserbroek,

gedaagde,

advocaat mr. D.S. Volleberg te Leiden.

Partijen zullen hierna [eiser] en Rabobank genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de akte met aanvullende producties van de zijde van [eiser]

  • -

    de mondelinge behandeling van 14 mei 2020, waarbij door partijen pleitaantekeningen zijn voorgedragen.

1.2.

Vanwege het beleid van de rechtbank om ter bestrijding van de verspreiding van het Covid-19 (Corona) virus fysieke zittingen en de daaruit voortvloeiende mogelijkheid van contact tussen procesdeelnemers zoveel mogelijk te vermijden, heeft de zitting met instemming van partijen op afstand, door middel van een beeld- en geluidverbinding (Skype), plaatsgevonden. Bij deze zitting waren aanwezig:

  • -

    [eiser], bijgestaan door mr. Van Poorten voornoemd en

  • -

    namens de Rabobank mevrouw [A.] (BKR Desk medewerker), bijgestaan door

mr. Volleberg voornoemd.

1.3.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[eiser] exploiteerde vanaf 21 september 2007 in een eenmanszaak Grand Café La Belle te IJmuiden. Vanaf november 2008 heeft [eiser] samen met twee anderen de besloten vennootschap LouLou B.V. opgericht, met het doel een tweede horecaonderneming in IJmuiden te exploiteren, Café Toedeloe (hierna: Toedeloe).

2.2.

[eiser] is ten behoeve van de opzet van Grand Café La Belle een financiering aangegaan met Rabobank. [eiser] was in privé aansprakelijk voor de terugbetaling van dit krediet.

2.3.

[eiser] is op 18 september 2013 (in privé) in staat van faillissement verklaard. In het faillissement is voor ruim € 600.000,- aan schulden ingediend, waaronder ruim € 400.000,- door concurrente schuldeisers.

2.4.

Op 27 augustus 2014 is het faillissement van [eiser] omgezet in een de wettelijke schuldsaneringsregeling (wsnp). De schuldsaneringsregeling van [eiser] is op 15 augustus 2017 beëindigd met verlening van de schone lei.

2.5.

Rabobank heeft uit het faillissement noch uit de wsnp enige uitkering ontvangen. In verband hiermee heeft Rabobank haar restantvordering op [eiser] van ruim € 25.000,- afgeboekt en hiervan melding gemaakt bij het Centraal Krediet Informatiesysteem (CKI), waarna een registratie is opgenomen in het Bureau Krediet Registratie (BKR) met codering A3. Deze registratie blijft 5 jaar zichtbaar en is nog van kracht tot 15 augustus 2022.

2.6.

Op 31 maart 2015 is ook LouLou B.V. in staat van faillissement verklaard, welk faillissement op 22 maart 2016 is opgeheven bij gebrek aan baten.

2.7.

[eiser] heeft werk gevonden en heeft in loondienst gewerkt bij de vennootschap onder firma 24 ICE v.o.f. Deze vennootschap is begin 2019 overgenomen door de besloten vennootschap DaklaPack B.V. [eiser] houdt via zijn persoonlijke holding Shelby Beheer B.V. sinds 2019 een aandelenbelang in de nieuwe besloten vennootschap 24 ICE B.V. Hij is één van de twee dagelijks bestuurders van ICE 24 B.V. Het eerste jaar van deze nieuwe vennootschap is succesvol geweest.

2.8.

In 2018 heeft [eiser] Rabobank verzocht de BKR-registratie op zijn naam als gevolg van zijn eerdere financiële problemen te verwijderen. Rabobank heeft dit geweigerd.

2.9.

In verband met relatieproblemen is [eiser] op zoek naar vervangende woonruimte. Hij heeft op dit moment een woning op het oog die hij graag zou willen kopen. Zijn financiële tussenpersoon heeft hem echter in een bericht van 23 januari 2020 meegedeeld dat een hypotheekaanvraag op dit moment als gevolg van de bestaande BKR-registratie met A3 codering niet acceptabel zal worden bevonden en dat hij pas na augustus 2022 als de registratie is verjaard weer in aanmerking kan komen voor een eigen woning hypotheek.

2.10.

[eiser] heeft vervolgens de Rabobank nogmaals verzocht de BKR-registratie op zijn naam te verwijderen maar de Rabobank heeft opnieuw geweigerd aan dit verzoek te voldoen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat – dat de voorzieningenrechter, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Rabobank zal bevelen om binnen twee weken na de datum van dit vonnis de BKR-registratie, dan wel codering A3, te (doen laten) verwijderen, dan wel dat de voorzieningenrechter de duur van de BKR-registratie met (bijzonderheids)codering A3 zal beperken tot twee en een half jaar en Rabobank zal bevelen deze (bijzonderheids)codering, gelet op de afloop van voornoemde termijn, te (doen laten) verwijderen binnen twee weken na de datum van dit vonnis, een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van Rabobank in de kosten van dit geding.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij een zwaarwegend belang heeft bij de verwijdering van de BKR-registratie dan wel bij verwijdering van de A3-code. Hij stelt dat het bij beantwoording van de vraag of Rabobank de A3 codering moet verwijderen niet zozeer gaat om een belangenafweging tussen de belangen van [eiser] en van de Rabobank, als wel om een toetsing van het doel van de registratie van de A3 codering aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Hij voert aan dat het doel van de registratie is om problematische schuldenposities te voorkomen en stelt dat hij zijn financiële situatie al op orde heeft vanaf het faillissement en dat het disproportioneel is dat hij anno 2020 nog steeds de gevolgen ondervindt van een BKR-registratie voor een schuld waarvoor in 2017 al een schone lei is verleend. Daarbij voert hij aan dat als hij in 2014 niet zou hebben gevraagd om toelating tot de schuldsaneringsregeling de Rabobank de schuld waarschijnlijk na opheffing van het faillissement in augustus 2014 al zou hebben afgeboekt, zodat de BKR-registratie dan in augustus 2019 al zou zijn beëindigd, terwijl de registratie nu pas op 15 augustus 2022 zal worden verwijderd en hij dus feitelijk 7 jaar last heeft van de BKR-registratie.

3.3.

[eiser] stelt dat zijn belang er in is gelegen dat hij op zoek is naar vervangende woonruimte na het verbreken van zijn relatie en dat hij nu de mogelijkheid heeft gekregen om een huis te kopen, maar dat hij de voor die aankoop benodigde hypothecaire financiering niet zal kunnen krijgen als gevolg van de BKR-registratie. Hij komt niet in aanmerking voor een sociale huurwoning, zodat hij aangewezen zal zijn op huren in de vrije sector, terwijl de maandlasten verbonden aan een hypotheek lager zullen liggen dan eventuele huurlasten in de vrije sector. Tot slot benadrukt hij dat er in zijn huidige financiële situatie de komende twee jaar niets gaat veranderen.

3.4.

Rabobank voert verweer. Rabobank stelt voorop dat zij op grond van artikel 4:32 van de Wet financieel toezicht (Wft) als aanbieder van krediet verplicht is deel te nemen aan een stelsel van kredietregistratie, dat in de praktijk wordt uitgevoerd door het Bureau Krediet Registratie (BKR). Daarbij is zij gebonden aan het Algemeen Reglement van het Centraal Krediet Informatiesysteem (CKI). Dat CKI-reglement bepaalt wat en wanneer moet worden gemeld aan het BKR, aan welke partijen gegevens uit het CKI mogen worden verstrekt en welke gegevens in het CKI geregistreerd moeten worden. Het doel van deze registratie is enerzijds consumenten te beschermen tegen overkreditering en anderzijds kredietverstrekkers te beschermen tegen kredietnemers van wie is gebleken dat zij hun lening niet (kunnen) aflossen. Met de registratie wordt een maatschappelijk belang gediend, te weten het tegengaan van problematische schuldsituaties.

3.5.

Rabobank voert verder aan dat een A3-codering zoals in dit geval aan de orde is, inhoudt dat sprake was van achterstallige betaling (A-codering) en dat een bedrag van meer dan € 250,- door de kredietverstrekker afgeboekt moest worden (3). Zij wijst er op dat zij in het geval van [eiser] een bedrag van ruim € 25.000,- heeft moeten afboeken en dat de omstandigheid dat [eiser] tot augustus 2022 met de BKR-registratie geconfronteerd wordt, het gevolg is van het feit dat [eiser] in de periode van 4 jaar waarin de schuld van Rabobank opeisbaar was geen enkel bedrag heeft kunnen aflossen, waarna deze schuld moest worden afgeboekt. Zij stelt zich op het standpunt dat de registratie niet alleen rechtsgeldig is, maar bovendien in een redelijke verhouding staat tot de omvang van de substantiële betalingsachterstand en de daaropvolgende afboeking.

3.6.

Rabobank wijst er op dat de Hoge Raad in zijn arrest van 9 september 2011 (Santander, ECLI:NL:HR:2011:BG8097) heeft bepaald dat bij elke gegevensverwerking, waaronder ook BKR-registraties, moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, hetgeen betekent dat er een individuele belangenafweging moet plaatsvinden tussen het belang van degene ten aanzien van wie de registratie wordt gedaan en het met de melding te dienen doel. Zij voert aan dat [eiser] onvoldoende heeft aangetoond dat hij op dit moment een dusdanig zwaarwegend belang heeft bij verwijdering van de registratie dat zijn belang zwaarder dient te wegen dan het maatschappelijk belang bij handhaving van de registratie.

Rabobank benadrukt dat zij een substantieel bedrag heeft moeten afboeken en dat [eiser] weliswaar stelt dat zijn financiële situatie nu stabiel is, maar dat die financiële stabiliteit nog maar van zo korte duur is dat opheffing van de registratie op dit moment een discrepantie zou opleveren met het doel waarvoor de registratie is bestemd.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Bij een BKR-registratie en de handhaving daarvan bij latere wijziging van omstandigheden moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, op een zodanige wijze dat de inbreuk op de belangen van de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokkene (hier [eiser]) niet onevenredig mag zijn in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel (proportionaliteitsbeginsel) en dat het doel waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt in redelijkheid niet op een andere, voor de bij de verwerking van persoonsgegevens van de betrokkene minder nadelige, wijze kan worden verwezenlijkt (subsidiariteitsbeginsel). (Hoge Raad 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8097).

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de BKR-registratie met A3 codering op juiste gronden tot stand gekomen is en dat er formeel niets mis is met de registratie. De vraag die partijen verdeeld houdt is of er gronden zijn om de registratie vroegtijdig door te halen. Voor de beantwoording van die vraag moet het belang bij continuering van de BKR-registratie worden afgewogen tegen de belangen van [eiser] en bij die afweging moeten ook de op dit moment bekende feiten en omstandigheden, die zich eerst na de registratie hebben voorgedaan, meegenomen worden. Het is aan [eiser] om aan te tonen dat hij een dermate zwaarwegend belang heeft bij doorhaling van de registratie dat het maatschappelijk belang van de registratie daarvoor moet wijken. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is hij daarin niet geslaagd. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt.

4.3.

De BKR-registratie heeft tot doel het bevorderen van een maatschappelijk verantwoorde dienstverlening op financieel gebied, waarbij onder andere wordt beoogd het beperken van krediet- en betalingsrisico’s voor deelnemers en het voorkomen van overcreditering en andere problematische schuldsituaties bij de betrokkenen. Zeker als in het (recente) verleden sprake is geweest van problematische schulden is dat een omstandigheid die een kredietverstrekker in zijn beoordeling van een kredietaanvraag moet kunnen meenemen.

4.4.

In Nederland kennen we een systeem waarbij het voor natuurlijke personen mogelijk is om na problematische schulden weer een frisse start te kunnen maken. Aan dat systeem, de Wettelijk Schuldsaneringsregeling Natuurlijke Personen (wsnp), worden strenge eisen gesteld en als iemand gedurende de looptijd van de regeling aan die eisen voldoet wordt aan die persoon de schone lei verleend en zijn de schulden waarop de wsnp van toepassing was niet langer opeisbaar. Dit betekent echter wel dat schuldeisers vaak met minder genoegen moeten nemen of zelfs met lege handen blijven staan.

4.5.

Het draagvlak bij financiële instellingen voor de schuldsaneringsregeling wordt onder meer in stand gehouden door het systeem van de BKR-registratie. Als zo’n instelling als gevolg van de schone lei die is verleend een substantieel bedrag heeft moeten afboeken als oninbaar, zorgt een BKR-registratie ervoor dat dit kan worden meegewogen bij de beoordeling van een nieuwe financieringsaanvraag. Afgesproken is dat een BKR-registratie 5 jaar zichtbaar blijft voor personen en/of bedrijven aan wie die gegevens verstrekt mogen worden, zoals kredietverstrekkers, onder meer om te voorkomen dat er in die periode nieuwe problematische schuldposities ontstaan. Het algemeen belang dat wordt gediend met de BKR-registratie weegt dan ook zeer zwaar, en er moet sprake zijn van uitzonderlijke persoonlijke omstandigheden op grond waarvan de betrokkene door de BKR-registratie onevenredig in zijn persoonlijke belangen wordt getroffen, wil de genoemde belangenafweging alsnog in zijn voordeel uit kunnen vallen.

4.6.

Ook aan [eiser] is in augustus 2017 een schone lei verleend, zodat hij weer een schuldenvrije start heeft kunnen maken. Vast staat dat aan Rabobank gedurende het wsnp traject geen enkele uitkering is gedaan. [eiser] heeft desgevraagd verklaard dat er voor ruim € 400.000,- aan vorderingen was ingediend in de wsnp.

4.7.

Rabobank benadrukt dat het belang van de (continuering van) registratie erin is gelegen dat een andere kredietverstrekker op basis van de juiste gegevens een afweging kan maken of hij bereid is aan [eiser] een financiering te verstrekken en dat het vroegtijdig verwijderen feitelijk neerkomt op geschiedvervalsing. [eiser] heeft daartegen aangevoerd dat bij de behandeling van een hypotheekaanvraag de kredietverstrekker sowieso een belangenafweging zal maken op basis van zijn huidige financiële situatie en dat het belang om overkreditering te voorkomen ook zonder BKR-registratie gewaarborgd blijft. Hij stelt dat vanwege de A3 codering het echter helemaal niet komt tot een gesprek waarin die belangenafweging kan plaatsvinden. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft hij gewezen op een verklaring van zijn financieel tussenpersoon en van een medewerker van de SNS-bank, waaruit blijkt dat (meerdere) kredietverstrekkers bij een dergelijke registratie een financieringsaanvraag zullen afwijzen. Voorts stelt hij dat hij zijn financiële zaken al vanaf het faillissement in 2013 op orde heeft, derhalve reeds meer dan 5 jaar, terwijl de Rabobank voor de BKR-registratie de vijfjaars periode rekent vanaf de einddatum van de schuldsaneringsregeling per 15 augustus 2017, zodat de BKR-registratie pas in augustus 2022 zou worden verwijderd en hij dus in feite 7 jaar wordt geconfronteerd met zijn fouten uit het verleden, derhalve disproportioneel lang. Dit betoog faalt.

4.8.

Vooropgesteld wordt dat [eiser] weliswaar stelt dat zijn financiële situatie al sinds 2013 op orde heeft, maar vast staat dat hij gedurende de wsnp geen betaling aan Rabobank heeft gedaan. Uit de overgelegde stukken blijkt dat hij vanaf 2018 (na beëindiging van de wsnp) een (boven)modaal inkomen heeft verworven en in 2019 weer met een eigen onderneming is begonnen. De periode van financiële stabiliteit is derhalve nog dermate kort dat dit voorshands niet de conclusie rechtvaardigt dat de financiële situatie van [eiser] al jaren voldoende stabiel te noemen is.

4.9.

[eiser] heeft voorshands onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij vanwege de registratie geen hypothecaire lening kan verkrijgen, terwijl hij deze zonder die registratie wel kan verkrijgen. [eiser] heeft nog geen enkele aanvraag ingediend bij een kredietverstrekker. Dat de aan de BKR-registratie gekoppelde achterstands- en bijzonderheidscoderingen [eiser] mogelijk in de weg staan bij het verkrijgen van een financiering voor een andere woning is op zichzelf bovendien onvoldoende om de terechte registratie en coderingen weer ongedaan (te doen) maken. Dit geldt te meer nu [eiser] evenmin, althans onvoldoende onderbouwd heeft dat hij niet in staat is, al dan niet tijdelijk, een huurwoning of andere vervangende woonruimte te verkrijgen. Het feit dat hij zijn zinnen heeft gezet op de aankoop van deze specifieke woning legt in dit verband onvoldoende gewicht in de schaal en weegt niet op tegen het gerechtvaardigde belang van de Rabobank bij het handhaven van de registratie en het maatschappelijk belang dat andere (bij het BKR aangesloten) kredietverstrekkers in staat worden gesteld op basis van feitelijk juiste informatie een eigen belangenafweging te maken bij een eventuele kredietverstrekking aan [eiser]. Verder stelt hij weliswaar dat de eigenaar van de door hem beoogde woning bereid is het perceel te doen splitsen en alleen het woongedeelte aan [eiser] te verkopen, maar ook die stelling alsmede de haalbaarheid van de benodigde splitsing heeft [eiser] niet met stukken onderbouwd.

4.10.

Gelet op het voorgaande moet geconcludeerd worden dat onvoldoende is gebleken dat sprake is van een dermate zwaarwegend belang bij doorhaling van de registratie dat het maatschappelijk belang van de registratie daarvoor moet wijken. De voorzieningenrechter is dan ook voorshands van oordeel dat de Rabobank niet in redelijkheid kan worden gehouden de BKR-registratie dan wel de daaraan gekoppelde coderingen te (doen) verwijderen. Tevens volgt uit het vorenstaande geen grond om de duur van de bijzonderheidscodering A3 te beperken. De vorderingen zullen daarom worden afgewezen.

4.11.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding, tot op heden aan de zijde van Rabobank begroot op:

vastrecht € 656,00

salaris advocaat € 980,00

Totaal € 1.636,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling aan Rabobank van een bedrag van € 1.636,00 ter zake van de proceskosten;

5.3.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Pott Hofstede en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 28 mei 2020.1

1 type: 1155 coll: