Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:3598

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
13-05-2020
Datum publicatie
19-05-2020
Zaaknummer
8434636 \ KG EXPL 20-35
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Huur woning. Ontruiming in kort geding. Overlast huurder ondanks gedragsaanwijzing. Ontruimingstermijn 2 weken i.v.m. de coronacrisis. Geen vergoeding van volledige proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 8434636 \ KG EXPL 20-35 BL

Uitspraakdatum: 13 mei 2020

Vonnis van de kantonrechter in kort geding in de zaak van:

de stichting Stichting Intermaris

gevestigd te Hoorn

eiseres

verder te noemen: Intermaris

gemachtigde: mr. J.J. de Boer

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

procederend in persoon

1 Het procesverloop

1.1.

Intermaris heeft [gedaagde] op 21 april 2020 gedagvaard.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 april 2020. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten, Intermaris mede aan de hand van pleitaantekeningen, naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft Intermaris bij brieven van 28 april 2020 nog stukken toegezonden en haar vordering vermeerderd.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] huurt sinds 1 augustus 1997 de portiekwoning gelegen aan [adres] (verder: de woning) van Intermaris. Op de huurovereenkomst is van toepassing het als productie 1 overgelegde Huurreglement.

2.2.

Artikel 5 van het Huurreglement bepaalt (onder meer):
“(…)
2. Huurder zal het gehuurde zelf bewonen en het gehuurde zonder schriftelijke toestemming van verhuurder geheel noch gedeeltelijk kosteloos noch tegen betaling in huur of gebruik afstaan aan personen die niet tot zijn gezinshuishouding behoren.
3. Huurder zal omwonenden geen hinder of overlast bezorgen.
(…)”

2.3.

Op 29 januari 2018 heeft de bewoner van [adres 2] (hierna: [XX] ) aan Intermaris gemeld (geluids)overlast te ervaren van [gedaagde] , alsmede van de bij [gedaagde] inwonende mevrouw [AA] , de heer [BB] en vier honden.

2.4.

Naar aanleiding daarvan heeft op 13 februari 2018 een gesprek plaatsgevonden tussen Intermaris, [gedaagde] en [AA] . Er zijn afspraken gemaakt, die Intermaris aan [gedaagde] heeft bevestigd in een brief van 15 februari 2018.

2.5.

Op 10 april 2019 schrijft Intermaris, naar aanleiding van klachten van omwonenden met betrekking tot (geluids)overlast, het volgende aan [gedaagde] :
“(…)
Overlast
U kunt zich voorstellen dat het te hard afspelen van muziek en het ruzie maken op hoog geluidsniveau het woongenot en de (nacht)rust van omwonenden behoorlijk aantast. Wij hebben vernomen dat u veel bezoek ontvangt op uw adres en dat het bezoek ook bijdraagt aan de overlast.
Ons verzoek
Wij verzoeken u met onmiddellijke ingang te stoppen met het veroorzaken van overlast, in welke vorm dan ook. U bent ook verantwoordelijk voor de overlast die uw visite veroorzaakt.
(…)”

2.6.

In een brief van 3 juni 2019 verzoekt Intermaris aan [gedaagde] om alle personen die in strijd met het Huurreglement zonder toestemming van Intermaris in de woning verblijven direct te laten verhuizen, om ontbinding van de huurovereenkomst te voorkomen.

2.7.

Vervolgens schrijft de buurvrouw van [gedaagde] , de bewoner van [adres 3] (hierna: [YY] ), op 12 juni 2019 in een e-mail aan Intermaris:
“Mijn buren (…) zorgen al jaren voor (ernstige) overlast waarbij de politie al meerdere malen heeft moeten ingrijpen. (…) Vorige week heeft (…) [gedaagde] een aangetekende brief van Intermaris ontvangen waarin gemeld werd dat de inwonende vrouw, [AA] per augustus a.s. moet vertrekken. Deze brief is de aanleiding voor [gedaagde] geweest om alle frustratie die hierover heerst op mij te richten. Op 9 juni jl. heeft de Heer [gedaagde] mij de gehele dag uitgescholden en mij zelfs meerdere keren met de dood bedreigd. Hij zei hierbij duidelijk mijn naam. Mijn dochter heeft dit gehoord, als ook de benedenbuurvrouw, [ZZ] . Ik heb hierop besloten om aangifte van bedreiging te doen bij de politie. (…)”

2.8.

Op 17 juni 2019 heeft [YY] aangifte gedaan van bedreiging door [gedaagde] .

2.9.

De ex-partner van [YY] (hierna: [YYY] ) heeft in een e-mail van 17 juni 2019 bij Intermaris zijn zorgen geuit omtrent de leefsituatie van [YY] en hun gezamenlijke kinderen als gevolg van de klachten die de buurman van [adres] geeft. [YYY] schrijft dat de kinderen in angst leven, niet meer op eigen gelegenheid naar buiten durven, hun leerprestaties zienderogen achteruit gaan, zij hulp krijgen van zorginstanties en aantoonbaar depressief zijn. [YYY] vraagt Intermaris concrete acties te ondernemen om te zorgen voor een veilige leefsituatie.

2.10.

Op 26 juli 2019 schrijft Intermaris in een brief aan [gedaagde] :
“Wij hebben op 28 mei ’19 met u de afspraak gemaakt dat u de bij u inwonende persoon of personen voor 1 juli ’19 zou laten vertrekken. Helaas heeft u zich niet aan deze afspraak gehouden. Daarom ontvangt u deze brief. (…)
Onderhuur, inwoning en overlast
Helaas hebben wij opnieuw van omwonenden meldingen van overlast ontvangen. Ook heeft personeel van Intermaris zelf geconstateerd dat de bij u inwonende dame met honden nog steeds niet vertrokken is. Wij hebben hier een duidelijke afspraak met u over gemaakt. U heeft zich helaas niet aan deze afspraak gehouden. (…)”
Daarbij heeft Intermaris medegedeeld de huurovereenkomst met [gedaagde] te willen beëindigen, en [gedaagde] gevraagd de huurovereenkomst binnen een week zelf op te zeggen.

2.11.

[gedaagde] heeft vervolgens juridische bijstand gezocht, waarna partijen op 1 oktober 2019 een ‘Overeenkomst woongedrag aanwijzing’ (hierna: gedragsaanwijzing) hebben ondertekend.

2.12.

De gedragsaanwijzing vermeldt onder ‘I. Inleiding – overweging’ het volgende:
“ 1. Intermaris heeft ter voorkoming van een ontruiming op basis van overlast door huurder speciale gedragsregels opgesteld.
2. Huurder heeft dusdanige overlast in zijn woning veroorzaakt, dat omwonenden meerdere klachten hebben ingediend bij Intermaris en hebben aangegeven dat zij ernstig in hun woongenot zijn geschaad door deze overlast. De overlast bestond o.a. uit geluidsoverlast, overlast door bezoek, inwoning, overlast vanwege ruzies in de woning, luid geschreeuw in de woning, blaffen van meerdere honden en andere geluiden tot in de nachtelijke uren.
3. De buren ervaren dermate veel overlast dat de dat ze in hun ontwikkeling worden bedreigd. Ze voelen zich onveilig en slapen slecht.
4. Huurder is gehouden volgens artikel 7:213 BW ten aanzien van het gebruik van de woning zich als een goed huurder te gedragen. Gelet op bovenstaande is huurder in gebreke gebleven.
5. Intermaris heeft alle noodzakelijke inspanningen (waarschuwingen, gesprekken, inschakelen hulpverlening) verricht om de overlast te doen stoppen. Helaas heeft dit niet tot een duurzaam resultaat geleid.
6. Intermaris wil huurder nog een allerlaatste kans geven om zich als goed huurder te gedragen. Onder voorwaarden kan een juridische procedure tot een ontruiming van de woning worden voorkomen.
7. Intermaris zet een gedragsaanwijzing (vaststellingsovereenkomst) op grond van artikel 7:900 BW voor huurder in.
8. Huurder heeft aangegeven aan deze vrijwillige gedragsaanwijzing te willen meewerken.
9. Huurder is ervan op de hoogte dat als hij zich niet houdt aan de afspraken in de overeenkomst, Intermaris de rechter zal vragen de huurovereenkomst te ontbinden en/of de woning te ontruimen.
10. Om Intermaris te ondersteunen bij het wonen en het voorkomen van overlast is een hulpverlener vanuit 1.Hoorn betrokken.”

2.13.

Verder zijn partijen in de gedragsaanwijzing (onder meer) het volgende overeengekomen:
“1.1 Huurder draagt er zorg voor dat er op geen enkele wijze meer overlast plaatsvindt in en om de woning;
1.2 Huurder zal zowel overdag als s’nachts geen overlast veroorzaken door muziek, lawaai, geschreeuw, hondengeblaf;

(…)

1.5

Huurder laat niemand bij hem inwonen zonder uitdrukkelijke toestemming van Intermaris.
1.6 Huurder is verantwoordelijk voor zijn huisdieren en/of bezoek, huurder draagt er zorg voor dat huisdieren en/of bezoek geen overlast veroorzaken in welke vorm dan ook;”

Daarbij zijn partijen overeengekomen dat [gedaagde] begeleiding accepteert vanuit 1.Hoorn, en gaat [gedaagde] ermee akkoord dat informatie-uitwisseling plaatsvindt tussen Intermaris en 1.Hoorn.

2.14.

Op 9 oktober 2019 heeft [AA] de woning verlaten.

2.15.

Vanaf 2 november 2019 ontvangt Intermaris weer met regelmaat overlastmeldingen van [YY] .

2.16.

Sinds januari 2020 woont [AA] met haar honden weer bij [gedaagde] in de woning.

2.17.

Op 14 april 2020 registreert Intermaris in haar ‘Overzicht leefbaarheidsmelding’ het volgende:
“Mevrouw [YY] meldt dat zij steeds meer overlast ondervindt. Zij kan hierdoor ’s nachts niet slapen. Haar kinderen zijn op dit moment elders. Ze durven niet meer bij hun moeder te wonen vanwege de buren. De buren ( [gedaagde] en [AA] ) nu volop aan het treiteren. Ze bonken tegen de muren, schelden mevrouw uit en intimideren. Mevrouw geeft aan het niet meer aan te kunnen. Ze wil daar zo snel mogelijk weg. Ze geeft aan zelfs suïcidale gedachten te hebben.”

2.18.

Diezelfde dag schrijft Intermaris aan [gedaagde] dat op heel korte termijn een kort geding tegen hem aangespannen zal worden, omdat Intermaris wil dat [gedaagde] zo snel mogelijk uit de woning vertrekt vanwege de aanhoudende ernstige overlast die hij en/of [AA] veroorzaakt. Daarbij wordt [gedaagde] opgeroepen de overlast onmiddellijk te staken.

3 De vordering

3.1.

Intermaris vordert dat de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening [gedaagde] veroordeelt om – kort gezegd – de woning binnen twee dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen, met machtiging aan Intermaris om deze ontruiming op kosten van [gedaagde] zelf te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van politie en justitie, en veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en nakosten. Bij brief van 28 april 2020 heeft Intermaris haar vordering vermeerderd, in die zin dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de integrale proceskosten van € 2.595,46.

3.2.

Intermaris legt aan de vordering – kort weergegeven – het volgende ten grondslag. [gedaagde] handelt in strijd met de huurovereenkomst, het toepasselijke Huurreglement en de gedragsaanwijzing. Hij veroorzaakt (samen met [AA] ) aanhoudende, ernstige overlast aan omwonenden. Ondanks diverse waarschuwingen, gesprekken, begeleiding en de laatste kans die [gedaagde] met de gedragsaanwijzing heeft gekregen, veroorzaakt hij nog altijd overlast en woont [AA] opnieuw bij hem in de woning, zonder toestemming van Intermaris. De tekortkomingen van [gedaagde] rechtvaardigen ontbinding van de huurovereenkomst en de gevolgen daarvan in een bodemprocedure. Vooruitlopend daarop heeft Intermaris een gerechtvaardigd belang bij ontruiming van de woning, gezien haar verplichtingen als toegelaten instelling als bedoeld in de Woningwet, en omdat zij als goed verhuurder moet zorgdragen voor een acceptabele leefomgeving van omwonende andere huurders.

4 Het verweer

4.1.

[gedaagde] betwist de vordering en voert daartoe – samengevat – het volgende aan. De verwijten die [gedaagde] worden gemaakt zijn zwaar overdreven. [gedaagde] gaat in verband met zijn werk rond 20.30 uur naar bed. Tussen 20 uur en 8 uur is het rustig in de woning. De laatste maanden is de situatie absoluut verbeterd en bemoeit [gedaagde] zich niet meer met zijn buren. Vanaf november 2019 is de politie ook niet meer bij [gedaagde] langs geweest. [AA] heeft begin oktober 2019 de woning verlaten en is naar een woning aan de Ekster verhuisd. Nadat het daar ook helemaal was misgelopen, kon [AA] geen kant op. Daarom is ze in januari 2020 weer bij [gedaagde] ingetrokken. [gedaagde] wil in de woning blijven wonen.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de door Intermaris gevorderde ontruiming van de woning moet worden toegewezen.

5.2.

Ontruiming van de woning is een ingrijpende maatregel. Voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding zal dan ook alleen plaats zijn als met een grote mate van waarschijnlijkheid valt te verwachten dat in een gewone procedure (de bodemprocedure) de huurovereenkomst wordt ontbonden en dat [gedaagde] daarbij zal worden veroordeeld om de woning te ontruimen.

5.3.

Daarbij geldt dat de door Intermaris aan de vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden in dit kort geding voldoende aannemelijk moeten zijn. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

5.4.

Verder moet Intermaris een spoedeisend belang hebben bij ontruiming en moet er sprake zijn van een zodanig ernstige tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst door [gedaagde] dat de beslissing in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht.

5.5.

De kantonrechter wijst de ontruimingsvordering toe en overweegt daarover het volgende.

5.6.

De vordering van Intermaris is gebaseerd op ernstige overlast die wordt veroorzaakt vanuit de woning, alsmede op de inwoning van [AA] . Al in januari 2018 ontving Intermaris klachten van [XX] over door [gedaagde] en de bij hem inwonende personen (onder wie [AA] met haar honden) veroorzaakte overlast. Ondanks gesprekken en afspraken daarover tussen partijen, en de nadere verzoeken van Intermaris om de overlast en inwoning te staken, bleef Intermaris overlastmeldingen ontvangen. Uiteindelijk heeft [gedaagde] van Intermaris een laatste kans gekregen, met de gedragsaanwijzing van 1 oktober 2019.

5.7.

In die gedragsaanwijzing is uitdrukkelijk bepaald dat [gedaagde] ervoor moet zorgen dat op geen enkele wijze meer overlast zal plaatsvinden, en dat hij niemand bij hem laat inwonen zonder uitdrukkelijke toestemming van Intermaris. Verder is in de gedragsaanwijzing duidelijk opgenomen dat hiermee aan [gedaagde] een allerlaatste kans wordt gegeven, om ontruiming van de woning te voorkomen. [gedaagde] heeft deze gedragsaanwijzing op 1 oktober 2019 ondertekend. Bij de totstandkoming daarvan werd [gedaagde] bijgestaan door een juridisch adviseur. Ook de hulpverlening die [gedaagde] anderszins ontving was hierbij betrokken. Verder staat vast dat Intermaris voorafgaand aan de gedragsaanwijzing verschillende gesprekken met [gedaagde] heeft gevoerd, en dat de wijkagent bij herhaling ter plaatse is geweest. Daarmee moet het voor [gedaagde] volstrekt duidelijk zijn geweest dat het opnieuw veroorzaken van overlast en/of het opnieuw laten inwonen van [AA] tot gedwongen ontruiming van de woning zou kunnen leiden.

5.8.

[gedaagde] erkent dat [AA] sinds januari 2020 weer bij hem inwoont, en betwist niet dat Intermaris daarvoor geen toestemming heeft gegeven. Daarmee staat vast dat [gedaagde] op dit punt heeft gehandeld in strijd met (onder meer) de gedragsaanwijzing.

5.9.

Ook is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk dat er opnieuw overlast is veroorzaakt vanuit de woning. Intermaris heeft ter onderbouwing van haar stellingen de verslagen van [YY] over de periode van 2 november 2019 tot en met 27 april 2020 en een leefbaarheidsmelding van 14 april 2020 overgelegd. [YY] is de directe buurvrouw van [gedaagde] . In haar verslagen omschrijft [YY] concreet welke overlast zij heeft ervaren op de daarbij genoemde data. Weliswaar zijn alle recente overlastmeldingen afkomstig van één bron, maar de verklaringen van [YY] worden ondersteund door [YYY] (zie 2.9) en in zekere mate door de wijkagent. Ter zitting heeft Intermaris een e-mail van de wijkagent van 1 april 2020 getoond, waaruit blijkt dat zij contact heeft gehad met [YY] in verband met door [gedaagde] veroorzaakte overlast en de emotie bij [YY] heeft waargenomen. Verder heeft Intermaris een foto van de voordeur van [gedaagde] overgelegd, waarop te zien is dat in het bovenraampje een mobiele telefoon staat, gericht op de voordeur van [YY] . Dat ondersteunt de stelling van Intermaris dat de overlast met name tegen [YY] gericht is.

5.10.

Daartegenover beperkt de betwisting van [gedaagde] zich tot de stelling dat het allemaal zwaar overdreven is en dat het tussen 20 uur en 8 uur rustig is in de woning. Buiten deze eigen verklaring van [gedaagde] ontbreekt ieder bewijs van zijn stelling. Daarmee heeft [gedaagde] de over hem geuite klachten onvoldoende betwist. Dit geldt te meer nu [gedaagde] ter zitting heeft verklaard dat [AA] sinds januari 2020 weer bij hem inwoont omdat het in de woning aan de Ekster ‘ook helemaal is misgelopen’, en [YY] in haar verslag schrijft: “Sinds mevrouw [AA] er weer woont bijna iedere dag geruzie te horen. Met deuren smijten. Hondengeblaf ’s nachts en honden die op het balkon worden uitgelaten”. Het had naar het oordeel van de kantonrechter op de weg van [gedaagde] gelegen om zijn verweer nader te motiveren en onderbouwen. Bijvoorbeeld door het overleggen van verklaringen van andere omwonenden, waaruit volgt dat sinds de gedragsaanwijzing vanuit de woning geen overlast meer is veroorzaakt. Dit heeft [gedaagde] echter nagelaten. Bovendien beperkt de door [YY] geregistreerde overlast zich niet tot de nachtelijke uren. Zo schrijft zij op 8 november 2019: “Buurman horen schreeuwen en schelden. ’s Avonds vanaf 19.00 uur, mijn naam schreeuwen. Politie gebeld door [YYY] (ex-man). Politie is langs geweest en hebben met buurman gesproken” en op 31 maart 2020: “12.45 – ruzie door [AA] . Op balkon uitschelden met kankerhoer, tegen zijkant balkon rammen. Politie gebeld.” Verder verdient opmerking dat [YY] in haar verslag schrijft: “21 april, 13.00 – Ruzie door D. Daarna staat ze met papieren te wapperen op balkon over mijn ballustrade en te schreeuwen dat het leugens zijn. (Papieren advocaat?)”, en dat de dagvaarding in deze zaak op 21 april 2020 aan [gedaagde] in persoon is betekend, hetgeen bijdraagt aan de geloofwaardigheid van het verslag van [YY] .

5.11.

De hernieuwde inwoning van [AA] en de vanuit de woning herhaaldelijk veroorzaakte overlast zoals hiervoor omschreven, zijn tekortkomingen van [gedaagde] in de nakoming van zijn verplichtingen voortvloeiend uit de huurovereenkomst en de gedragsaanwijzing. Deze tekortkomingen zijn zodanig ernstig dat de kantonrechter het in hoge mate waarschijnlijk acht dat een vordering tot ontruiming (en ontbinding van de huurovereenkomst) in een bodemprocedure zal worden toegewezen.

5.12.

Daarbij onderkent de kantonrechter dat [gedaagde] een groot belang heeft bij het behoud van zijn woning. Bij de beoordeling moet echter ook rekening worden gehouden met de belangen van omwonenden. Intermaris heeft immers ook tegenover haar overige huurders de verplichting om te zorgen voor een leefbare woonomgeving. In dat verband heeft [YY] , gesteund door [YYY] , aangegeven welke gevolgen zij en haar kinderen ondervinden van de door [gedaagde] (en [AA] ) veroorzaakte overlast. De overlast en de gevolgen daarvan zijn ernstig te noemen. De redelijke grenzen van wat omwonenden moeten aanvaarden is overschreden. [gedaagde] heeft niets aangevoerd waaruit volgt dat een ontruiming voor hem ernstiger gevolgen heeft dan een ontruiming in zijn algemeenheid voor een huurder heeft. Bovendien heeft [gedaagde] van Intermaris ruimschoots voldoende kansen gehad om zijn gedrag aan te passen om ontruiming te voorkomen. Alleen al door [AA] zonder toestemming van Intermaris weer toe te laten als bewoonster heeft [gedaagde] het risico op ontruiming bewust genomen. Bovendien is de overlast ook na de dagvaarding doorgegaan. Gelet op het voorgaande weegt het belang van Intermaris bij ontruiming zwaarder dan het belang van [gedaagde] om de woning te behouden.

5.13.

Ook is er sprake van een spoedeisend belang van Intermaris bij ontruiming. Het gaat om structurele overlast waarvan de impact op omwonenden groot is, zoals met name blijkt uit de onder de feiten geciteerde melding van 14 april 2020. Gezien de verplichtingen en verantwoordelijkheden die Intermaris ook tegenover deze huurders heeft kan van haar niet gevergd worden om de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten.

5.14.

De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van Intermaris zal toewijzen. In verband met de ten tijde van dit vonnis bestaande situatie in verband met de uitbraak van het corona-virus ziet de kantonrechter aanleiding om de ontruimingstermijn te bepalen op twee weken in plaats van de gevorderde twee dagen na betekening van dit vonnis.

5.15.

De gevorderde machtiging tot gedwongen ontruiming is niet toewijsbaar. Indien noodzakelijk voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis, kan de deurwaarder met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 555 e.v. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zonder toestemming van de bewoner / gebruiker het betreffende pand betreden en ontruimen. De gevorderde ontruimingskosten zijn evenmin toewijsbaar, omdat niet op voorhand kan worden beoordeeld en vastgesteld of deze in redelijkheid zijn gemaakt.

5.16.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt. Een vordering tot vergoeding van de volledige proceskosten (in afwijking van het liquidatietarief) is alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Hiervan is in dit geval geen sprake. De proceskosten zullen dus volgens het toepasselijke liquidatietarief worden toegewezen, als volgt. Daarbij wordt [gedaagde] veroordeeld tot betaling van € 120,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door Intermaris worden gemaakt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] , met al degenen die en al hetgeen zich daarin of daarop bevinden respectievelijk bevindt, volledig en behoorlijk te (doen) verlaten en te (doen) ontruimen, alsmede de woning onder afgifte van de sleutels in lege, oorspronkelijke en behoorlijke staat ter vrije beschikking van Intermaris te (doen) stellen en vervolgens verlaten en ontruimd te houden;

6.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Intermaris tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 102,96

griffierecht € 124,00

salaris gemachtigde € 480,00

en veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 120,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door Intermaris worden gemaakt;

6.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.H. Lips en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter