Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:3423

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-04-2020
Datum publicatie
08-05-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2502
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

arbeidsverplichtingen terecht opgelegd; medisch advies waarop de besluitvorming is gebaseerd voldoet aan de hieraan geformuleerde eisen van zorgvuldigheid; deskundigheid arts voldoende gewaarborgd.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/2502

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2020 in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres] , te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. A. van Deuzen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eisers de arbeidsverplichtingen opgelegd.

Bij besluit van 21 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers ontvangen een bijstandsuitkering. Om in aanmerking te komen voor bijstand moeten bijstandsgerechtigden in beginsel voldoen aan verschillende arbeidsverplichtingen, zoals bijvoorbeeld het verkrijgen en aanvaarden van arbeid naar vermogen.

Met het primaire besluit heeft verweerder de arbeidsverplichtingen aan beiden opgelegd.

2. Verweerder heeft de oplegging van de arbeidsverplichtingen aan beiden bij het bestreden besluit in bezwaar gehandhaafd. Verweerder heeft voor zijn besluitvorming medisch onderzoek naar de belastbaarheid voor arbeid van eiseres laten verrichten. Uit dat onderzoek is verweerder gebleken dat eiseres medisch gezien belastbaar is voor een traject naar passende arbeid. Daarmee zijn volgens verweerder ook aan eiser terecht de arbeidsverplichtingen opgelegd; eiser kan niet langer volhouden dat hij niet beschikbaar is voor werk om voor zijn vrouw te zorgen. Verweerder stelt zich op het standpunt, kort samengevat, dat hij het bestreden besluit heeft kunnen baseren op de conclusie van de arts. Verweerder wijst er daarbij op dat het onderzoek beperkt is gebleven door de belemmeringen die eisers zelf hebben opgeroepen.

3. Eisers kunnen zich niet verenigen met het bestreden besluit. Eisers zijn van mening dat zij vanwege de zorg voor elkaar en hun kind niet in staat zijn aan de arbeidsverplichtingen te voldoen. Eisers bestrijden de zorgvuldigheid van (de totstandkoming van) het bestreden besluit en het onderliggende medische advies.

4. De rechtbank stelt voorop dat de stelling in het beroepschrift, dat de gemeente op grond van de wet het recht heeft om mensen die een bijstandsuitkering ontvangen een re-integratie dan wel sollicitatieverplichting op te leggen, niet juist is. Dit zijn verplichtingen die uit de wet voortvloeien en aan de bijstand verbonden zijn. Bijstandsverlening is erop gericht degenen die daartoe in staat zijn, te stimuleren om betaald werk te vinden en voor degenen die dat nog niet kunnen, te zoeken naar mogelijkheden om hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet (Pw) draagt verweerder op de aan de bijstand verbonden verplichtingen af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Mede gelet hierop zal verweerder bij heronderzoeken periodiek moeten bezien of, en zo ja in hoeverre, aanleiding bestaat om tot arbeidsinschakeling strekkende verplichtingen (opnieuw) aan de bijstand te verbinden of om voor een bepaalde periode verleende ontheffing van deze verplichtingen voort te zetten, in te trekken of te wijzigen. Als verweerder het nodig vindt om daarbij ondersteuning aan te bieden, moeten bijstandsgerechtigden daar gebruik van maken.

5. In artikel 9, eerste lid van de PW zijn de verplichtingen tot arbeidsinschakeling opgenomen. Op grond van artikel 9, tweede lid, van de PW kan het college, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, in individuele gevallen tijdelijke ontheffing verlenen van de arbeidsverplichtingen (zie bijlage).

De mededeling dat voor eisers de arbeidsverplichtingen van artikel 9, eerste lid, van de Pw gelden, moet in dit geval worden gekwalificeerd als een impliciete weigering om ten aanzien van hen toepassing te geven aan artikel 9, tweede lid, van de Pw.

6. Het bepaalde in artikel 9a van de Pw (zie bijlage) valt buiten het bestek van deze procedure. Daar moet expliciet om worden verzocht en dat is hier niet gebeurd. Overigens heeft verweerder er in het bestreden besluit er terecht op gewezen dat de vrijstellingsbepaling als bedoeld in artikel 9a van de Pw ziet op een alleenstaande ouder die de volledig zorg heeft voor een tot zijn last komend kind tot vijf jaar. Ten aanzien van eisers is daarvan inderdaad geen sprake.

7. De aanleiding voor het heronderzoek was de stelling van eiser dat hij niet beschikbaar was voor arbeid omdat hij voor zijn vrouw en kind moest zorgen vanwege haar gezondheidsklachten. Die stellingname is aanleiding geweest voor het instellen van een medisch onderzoek naar de belastbaarheid van eiseres voor arbeid. De bevindingen van dat onderzoek liggen ten grondslag aan het besluit om aan beiden de arbeidsverplichtingen op te leggen. Voor zover eiser thans stelt dat (ook) hij zorg nodig heeft en daarom niet in staat is arbeid te verrichten, valt dat buiten het bestek van deze procedure.

8. Verweerder mag bij de besluitvorming in beginsel uitgaan van het advies van een ingeschakelde arts, tenzij er concrete aanknopingspunten bestaan om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van dat advies of aan de inhoud daarvan. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zijn besluitvorming heeft mogen baseren op het in het verslag belastbaarheidsonderzoek d.d. 30 oktober 2018 van WNK opgenomen advies.

Dat het medisch onderzoek onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat de arts niet deskundig zou zijn om deze keuring te kunnen doen kan de rechtbank niet volgen. De betreffende arts stond ten tijde van het onderzoek ingeschreven in het register bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg( BIG-register) als arts. De deskundigheid is daarmee voldoende gewaarborgd. Aan de argumenten die namens eiser in dit kader naar voren zijn gebracht gaat de rechtbank voorbij. Die argumenten zeggen niets over de geschiktheid van de arts om advies uit te brengen over de belastbaarheid voor arbeid. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor de stelling dat alleen een verzekeringsarts/arts in opleiding voor specialisatie verzekeringsgeneeskunde deskundig genoeg zou zijn om zo’n advies uit te kunnen brengen.

9. In hetgeen is aangevoerd ziet de rechtbank geen reden voor twijfel aan de inhoud van het medisch advies, daarbij uitgaande van de deskundigheid van de adviserend arts. Dat de arts haar conclusies enkel heeft kunnen baseren op de bevindingen bij het huisbezoek, hoeft niet af te doen aan de juistheid daarvan. Zij heeft daarmee invulling gegeven en ook kunnen geven aan haar eigen expertise. Dat zij zich daartoe moest beperken is omdat zij geen toestemming had gekregen voor het opvragen van medische informatie. Het komt voor risico van eisers dat die toestemming niet is verleend, wat verder ook zij van de argumenten die van de kant van eisers hiervoor zijn aangedragen. Het had op hun weg gelegen om daar dan op een andere wijze aan mee te werken. De rechtbank is het met verweerder eens dat de aanwezigheid van een medewerker van WNK bij het huisbezoek op zichzelf niet afdoet aan de inhoud van het medisch advies.

10. Aan een beoordeling van de beroepsgrond over feitelijke onjuistheden in het medisch verslag kan niet worden toegekomen. Dat geldt ook voor de bij het beroepschrift gevoegde verklaring van de huisarts, nog daargelaten dat die verklaring ziet op de gezondheidstoestand per een latere datum. Verweerder heeft aangegeven vanwege de geheimhoudingsplicht van de arts niet te beschikken over het medisch verslag. Ook de rechtbank beschikt niet over dat verslag. De rechtbank wijst hierbij op de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG) van 29 november 2017 (nr. C2016.490 waaruit valt af te leiden dat de arts vanwege de geheimhoudingsplicht richting de gemeente moet volstaan met het melden van informatie die noodzakelijk en voldoende is voor de voorliggende beoordeling en alleen daarop betrekking hebbende vragen moet beantwoorden.

11. Dat het bestreden besluit op basis van een onvolledig dossier tot stand is gekomen kan de rechtbank niet volgen. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten te veronderstellen dat verweerder of Haltewerk beschikt over onderliggende rapporten die niet aan het dossier zijn toegevoegd en/of niet aan eisers zijn toegezonden. Op de zitting is toegelicht dat de aanbiedingsbrief van WNK, waarin melding wordt gemaakt van de rapportage van de arbeidsdeskundige, een standaardtekst bevat, maar dat hier in het geval van eisers geen arbeidskundige beoordeling is gevolgd.

12. Zoals hiervoor overwogen heeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de medische beoordeling en de daaruit voortvloeiende vaststelling van de belastbaarheid voor arbeid van eisers. Dit betekent dat verweerder terecht de arbeidsverplichtingen als bedoeld in het eerste lid van artikel 9 van de Pw aan eisers hebben opgelegd. Op basis van die bevindingen bestond er voor verweerder ook geen grond om tijdelijk (verder) ontheffing te verlenen van de arbeidsverplichtingen.

13. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 17 april 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Bijlage

Artikel 9. Verplichtingen

1. De belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht:

a. naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, te verkrijgen, deze te aanvaarden en te behouden, waaronder begrepen registratie als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 30b, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

b. gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en, indien van toepassing, mee te werken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a;

c. naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.

2 Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van een verplichting als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c. Zorgtaken kunnen als dringende redenen worden aangemerkt, voorzover hiermee geen rekening kan worden gehouden door middel van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a.

3 Indien bijstand wordt verleend aan gehuwden gelden de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, voor ieder van hen.

4 De verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden geldt voor de alleenstaande ouder met kinderen tot 12 jaar slechts nadat het college zich genoegzaam heeft overtuigd van de beschikbaarheid van passende kinderopvang, de toepassing van voldoende scholing en de belastbaarheid van de betrokkene.

5 De verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en c, zijn niet van toepassing op de belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

6 De belanghebbende is verplicht zich te onthouden van zeer ernstige misdragingen jegens de met de uitvoering van deze wet belaste personen en instanties tijdens het verrichten van hun werkzaamheden.

7 De verplichting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op de alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid.

Artikel 9a. Ontheffing plicht tot arbeidsinschakeling alleenstaande ouders

1. Onverminderd artikel 9, tweede lid, verleent het college aan een alleenstaande ouder die de volledige zorg heeft voor een tot zijn last komend kind tot vijf jaar op diens verzoek ontheffing van de verplichting, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a.

2 De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, wordt eenmalig verleend.

3 De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, wordt niet verleend voor zover uit houding en gedragingen van de alleenstaande ouder ondubbelzinnig blijkt dat deze de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, niet wil nakomen.

4 De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, geldt zolang het jongste kind van de alleenstaande ouder de leeftijd van vijf jaar nog niet heeft bereikt. Onverminderd de eerste zin geldt de ontheffing gedurende ten hoogste vijf jaar. Op deze periode worden in mindering gebracht de periode, dan wel perioden, waarin de alleenstaande ouder in de voorgaande woonplaats, dan wel in de voorgaande woonplaatsen, gebruik heeft gemaakt van de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, alsmede de periode, dan wel perioden, waarin toepassing is gegeven aan artikel 17, vierde lid, van de Wet investeren in jongeren.

5 De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, wordt, indien de volledige duur van vijf jaar nog niet volledig is benut:

a. van rechtswege opgeschort, met ingang van de datum waarop het jongste kind de leeftijd van vijf jaar bereikt;

b. van rechtswege opgeschort indien niet langer recht op bijstand bestaat;

c. door het college opgeschort op een daartoe strekkend verzoek van de alleenstaande ouder aan wie de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, is verleend; of

d. door het college ingetrokken indien uit houding en gedragingen van de alleenstaande ouder ondubbelzinnig blijkt dat hij zijn verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, niet wil nakomen.

6 Op een daartoe strekkend verzoek van de alleenstaande ouder met een kind tot vijf jaar beëindigt het college een opschorting als bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a tot en met c, indien de daarin genoemde omstandigheden niet langer van toepassing zijn.

7 Het college stelt binnen zes maanden na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, een plan van aanpak op voor de invulling van de voorziening, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, voor de alleenstaande ouder aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid.

8 Het college verricht na het opstellen van het plan van aanpak, bedoeld in het zevende lid, iedere zes maanden een heronderzoek naar de in het van toepassing zijnde plan van aanpak opgenomen voorziening, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b. Het heronderzoek strekt zich mede uit tot de naleving van de in het van toepassing zijnde plan van aanpak opgenomen voorziening. Het college beoordeelt tevens bij het verrichten van het heronderzoek of er aanleiding bestaat de voorziening te wijzigen.

9 Indien het heronderzoek, bedoeld in het achtste lid, daartoe aanleiding geeft stelt het college een gewijzigd plan van aanpak op.

10 Het college vult de voorziening, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, voor de alleenstaande ouder aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid en die niet beschikt over een startkwalificatie ten minste in met scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de alleenstaande ouder te boven gaat.

11 Op verzoek van de alleenstaande ouder die beschikt over een startkwalificatie en aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid, vult het college de voorziening, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, in met een opleiding in de beroepsopleidende leerweg als bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de alleenstaande ouder te boven gaat.

12 Het college verlaagt de bijstand overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel d, indien het college de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, heeft ingetrokken op grond van het vijfde lid, onderdeel d. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.