Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:342

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-01-2020
Datum publicatie
20-01-2020
Zaaknummer
C/15/298371 / KG ZA 20-28
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Voorzieningenrechter bepaalt dat de gemeente niet over mag gaan tot sluiting van een sportcomplex tot het moment dat door de bestuursrechter is geoordeeld over de vraag of een voorlopige voorziening nodig is.

Voorzieningenrechter acht zich bevoegd van de zaak kennis te nemen nu in dit geval de zaak zo spoedeisend is dat rechtsbescherming in de bijzondere rechtsgangen niet kan worden verkregen.

In het onderhavige geval bestaat twijfel omtrent de vraag of hier geen sprake is van een situatie waarin de burgemeester zijn bevoegdheid op grond van de Apv en de Gemeentewet om maatregelen in het belang van de openbare orde en veiligheid te nemen gebruikt met een ander doel dan waarvoor deze is verleend.

Niet kan worden gezegd dat de burgemeester in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de veiligheid op het terrein van het sportcomplex zo ernstig en onmiddellijk in het geding is dat toetsing niet op de gebruikelijke wijze, te weten door het bieden van enige termijn tussen die bekendmaking en de daadwerkelijke sluiting, zou kunnen plaatsvinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2020/67
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/298371 / KG ZA 20-28

Vonnis in kort geding van 17 januari 2020

in de zaak van

de stichting

STICHTING SPORTCOMPLEXEN TWISKEWEG,

gevestigd te Oostzaan,

eiseres,

advocaat mr. R.G. Meester en mr. J. Perquin te Amsterdam,

en

de vereniging

OOSTZAANSE FOOTBALL CLUB

gevestigd te Oostzaan,

eiseres in het incident tot voeging,

advocaat mr. D. op de Hoek te Amsterdam

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE OOSTZAAN,

zetelend te Oostzaan,

gedaagde,

advocaten mr. I.M. van der Heijden en mr. J.P. van der Valk te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna SST, de gemeente en OFC genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding, met producties,

  • -

    het faxbericht van 17 januari 2020 van OFC met het verzoek zich te mogen voegen aan de zijde van SST, met producties,

  • -

    de door de gemeente overgelegde bestuurlijke rapportage,

  • -

    de mondelinge behandeling.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De gemeente is eigenaar van diverse sportvelden op het sportcomplex aan de Twiskeweg in Oostzaan (hierna: het sportcomplex). SST heeft deze velden op grond van een bruikleenovereenkomst in gebruik. SST verhuurt de velden en bijbehorende ruimtes aan een korfbalvereniging, volleybalvereniging, een buitenschoolse opvang en voetbalclub OFC.

2.2.

OFC werkt samen met de Stichting Topsport Oostzaan. Stichting Topvoetbal Oostzaan is betrokken bij het eerste elftal van OFC en bekostigt het eerste elftal grotendeels. Bestuursvoorzitter van Stichting Topvoetbal Oostzaan was [A.].

2.3.

[A.] is strafrechtelijk veroordeeld voor witwassen. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld.

2.4.

De gemeente is een onderzoek gestart naar de transparantie van de financiering van OFC. In haar brief van 20 december 2019 schrijft de gemeente het volgende aan OFC:

‘(…)
Het college van Oostzaan heeft u in het kader van het belang van een transparante financiering van OFC, inclusief die van de Stichting Topvoetbal Oostzaan (STO) en in het bijzonder van het eerste zondag elftal meermaals gevraagd om informatie.


(…)
(…) Concreet vroegen wij naar de volgende documenten:

- Begroting van OFC en STO

- Jaarrekening van OFC

- Jaarrekening van STO met een controleverklaring van een accountant.
(…)
Daarnaast vroegen wij om inzicht te geven in de financiering van het eerste zondag elftal inclusief de overeenkomsten met de spelers en inzage in de sponsorcontracten, (…).


Ondanks herhaaldelijk aandringen hebben wij van OFC tot op heden slechts de begroting voor het seizoen 2019/2020 ontvangen.

Op ons verzoek om de voorzitten van de STO, in verband met zijn veroordeling wegens witwassen, te doen terug treden uit al zijn functies, zoals die van lid van de technische commissie en als bestuurslid/voorzitter van STO, reageerde u positief. Feit is echter dat wij moeten constateren dat er, zes maanden naar ons eerste verzoek, nog steeds geen voorzitterswissel in het bestuur van STO heeft plaatsgevonden.

Zoals u weet worden onze hiervoor genoemde verzoeken om transparantie gesteund door een uitspraak van de voltallige gemeenteraad (…).

Tot onze grote spijt en teleurstelling heeft u na een half jaar nog steeds niet de gevraagde informatie gegeven. Helaas blijven de gevraagde transparantie en de gevraagde wijziging in het bestuur van STO achterwege.

(…)
Nogmaals doen wij een dringend beroep op u om de gevraagde informatie ter beschikking te stellen.


Mocht hieraan geen gevolg gegeven worden dan ziet het College zich genoodzaakt zijn toestemming voor het gebruik van het complex te doen vervallen.

Wij zullen dan overgaan tot het sluiten van het complex na de huidige winterstop

(…)’

2.5.

OFC heeft een deel van de gevraagde informatie inmiddels aan de gemeente verstrekt. In haar brief van 13 januari 2020 schrijft OFC het volgende aan de gemeente:

‘(…)
- Eerder is door ons e [A.] zelf voorgesteld dat hij vrijwillig zou terugtreden als voorzitter van STO, zolang hij niet definitief zou zijn vrijgesproken in de strafzaak (…)

- Er is een accountant ingeschakeld die op dit moment bezig is met de cijfers van STO over het afgelopen jaar. Zodra deze cijfers beschikbaar zijn, worden deze onmiddellijk met u gedeeld.

(…)
- Eerder boden wij reeds aan u in het bezit te stellen van het FIOD-onderzoek dat de geldstromen binnen OFC en STO over de jaren 2011-2017 heeft doorgelicht, (…)

- Voor OFC is een accountant verzocht een samenstellingsverklaring op te stellen bij de u reeds in concept aangeboden jaarrekening over het afgelopen seizoen. Wij verwachten dat deze verklaring voor 18 januari 2020 gereed zal zijn. (…)

- Wij stellen voor op korte termijn een gesprek te hebben met u (…). Mochten de cijfers van STO nog niet beschikbaar zijn tijdens dit gesprek, dan is het bespreekbaar om onderliggende documenten uit de administratie door de fiscalist van STO ter inzage te laten geven. In dit gesprek kunnen bovengenoemde onderwerpen nader worden toegelicht en eventuele nog resterende vragen door de direct betrokkenen worden beantwoord. (…)’

2.6.

Tijdens de gemeenteraadsvergadering van 13 januari 2020 heeft de Gemeenteraad aangedrongen OFC de verlangde financiële informatie te doen verstrekken. Tevens is bij die gelegenheid uitgesproken dat de Gemeenteraad de burgemeester steunt in de wens om het sportcomplex te sluiten.

2.7.

Op 14 januari 2020 heeft de burgemeester aan SST kenbaar gemaakt het sportcomplex op 17 januari 2020 te zullen asluiten.

2.8.

Eveneens op 14 januari 2020 is [A.] teruggetreden als bestuurslid van Stichting Topvoetbal Oostzaan.

2.9.

In haar brief van 15 januari 2020 aan OFC, schrijft de gemeente het volgende:

‘(…)

In de tussen de gemeente en OFC gevoerde correspondentie en gesprekken dringt de gemeente al geruime tijd – meer dan een half jaar – aan op transparantie van de zijde van OFC en van de aan OFC gelieerde Stichting Topvoetbal Oostzaan (STO)

Concreet vroegen wij u om de volgende documenten:

(…)

Ook de rol van de heer [A.] binnen de vereniging is onderwerp van gesprek. De rode draad hiervan is dat de gemeente het onaanvaardbaar vindt dat de heer [A.], die in eerste aanleg is veroordeeld wegens witwassen, een rol vervult bij OFC of STO. Het gemeentebestuur hecht er vanzelfsprekend groot belang aan dat zij geen activiteiten faciliteert die de integriteit van de gemeentelijke overheid aantasten. Vanuit dat oogpunt heeft de gemeente bij herhaling verzocht om toezending van specifieke informatie om te kunnen beoordelen of dat gevaar bestaat.

Hoewel namens OFC meermaals is toegezegd de gevraagde informatie ter beschikking te stellen, is dat feitelijk nog steeds niet gedaan,(…)

In haar brief van 20 december 2019 heeft de gemeente, tegen de achtergrond van het voorgaande, aangekondigd dat onvoldoende medewerking aan de gewenste transparantie kan leiden tot – wat is aangeduid als- de sluiting van het complex. (…)

De gemeente is thans doende met de voorbereiding van dit traject van sluiting. De gemeente biedt u, mede gelet op de uitkomst van de raadsvergadering van 13 januari 2020, echter nog een uiterste termijn – tot uiterlijk vrijdag 17 januari 2020 om 12.00 uur – om dit traject te voorkomen.

(…)’

2.10.

Tussen 2011 en 2017 is door de FIOD onderzoek gedaan naar de betrokkenheid van STO en OFC bij strafbare feiten. Beide zaken zijn geseponeerd.

2.11.

Op 17 januari 2020 is de door politie-eenheid Noord-Holland een bestuurlijke rapportage aan de gemeente gezonden. In deze bestuurlijke rapportage wordt melding gemaakt van verschillende ernstige incidenten die zich hebben voorgedaan in de periode van 16 augustus 2018 t/m 11 september 2019. Het gaat daarbij onder meer om het leggen van handgranaten, brandstichting en lossen van schoten. Uit de rapportage komt naar voren dat al deze incidenten zich richten op personen die een link hebben of hadden met OFC. De politie adviseert de burgemeester bestuurlijke maatregelen te treffen ‘om de voorzienbare bedreiging van de openbare orde en veiligheid een halt toe te roepen en de openbare orde te herstellen’.

2.12.

Op 17 januari 2020 omstreeks 11 uur is het sportcomplex door de gemeente afgesloten. Een besluit met redenen voor die afsluiting is om 12.05 uur op haar website geplaatst.

3 Het geschil

3.1.

SST vordert na vermindering van eis samengevat – te bepalen dat de gemeente het sportcomplex hangende de bestuursrechtelijke procedure weer toegankelijk maakt voor de (leden van) sportverenigingen die van het complex gebruik maken.

SST stelt zich op het standpunt dat een wettelijke grondslag voor het handelen van de gemeente ontbreekt. Voor zover de gemeente die bevoegdheid ontleent aan artikel 2.30 van de APV, biedt dat artikel die grondslag niet en evenmin biedt de Gemeentewet die grondslag. De bestuurlijke rapportage wordt hier gebruikt om een bevoegdheidsgrondslag te construeren. Van reëel gevaar voor de openbare orde is geen sprake. De incidenten zijn allemaal van langer geleden en zijn bovendien al langer bekend. Tot gisteren vormden die incidenten kennelijk geen aanleiding voor het sluiten van het sportcomplex. Daar komt bij dat SST geen informatie aan de gemeente hoeft te verstrekken maar zij wel de dupe is van het geschil tussen OFC en Stichting Topvoetbal Oostzaan.

3.2.

OFC stelt zich op het standpunt dat zij zich telkens bereidwillig heeft getoond en nog steeds is de door de gemeente verstrekte informatie te verstrekken. De eerste stukken zijn verstrekt en de andere stukken zijn inmiddels goeddeels beschikbaar. Daarbij heeft OFC de gemeente erop geattendeerd dat de privacyregels van de AVG zich er tegen verzetten dat zij die stukken zomaar overlegt, maar zij wel bereid is de gemeente inzage te geven en waar vragen leven deze te beantwoorden. In die zin is er dus helemaal geen aanleiding tot sluiting van het complex. Door die sluiting worden tal van (jeugd)spelers benadeeld omdat wedstrijden morgen in dit geval geen doorgang kunnen vinden. OFC heeft voorts ten aanzien van de bestuurlijke rapportage betoogd in lijn van SST en er bovendien op gewezen dat het er alle schijn van heeft dat deze rapportage letterlijk is gekopieerd van een artikel uit het Parool.

3.3.

De gemeente stelt zich op het standpunt dat er alle aanleiding bestaat om het sportcomplex af te sluiten. Niet alleen laten OFC en Stichting Topvoetbal Oostzaan na de verlangde transparantie te betrachten, ook nadat een daartoe gesteld ultimatum is verstreken, maar bovenal kon de gemeente tot sluiting overgaan vanwege het onmiddellijk gevaar voor de openbare orde zoals dit naar voren komt in de bestuurlijke rapportage. Spoedsluiting is volgens de gemeente mogelijk op grond van artikel 2.30 van de APV in samenhang met artikel 74 lid 2 van de Gemeentewet.

3.4.

De gemeente heeft verder aangevoerd dat het afsluiten van het sportcomplex een besluit in de zin van de AWB is en dat ook bij de bestuursrechter ordemaatregelen kunnen worden verzocht. Volgens de gemeente is dat een ontvankelijkheidsbeletsel.

4 De beoordeling

4.1.

De vordering tot voeging van OFC aan de zijde van SST– waartegen SST en de gemeente geen bezwaar hebben gemaakt – is ter zitting toegewezen. Die beslissing is gegrond op de overweging dat OFC ontegenzeggelijk belang heeft bij voeging om benadeling van haar eigen rechten en rechtspositie te voorkomen. Voorts is overwogen dat het kort geding ten gevolge van de voeging niet nodeloos wordt vertraagd of nodeloos ingewikkeld wordt.

Ontvankelijkheid

4.2.

Gelet op de hiervoor weergegeven gang van zaken en de mededelingen ter zitting moet het er voor worden gehouden dat de gemeente in de loop van vrijdagochtend een besluit heeft genomen en onmiddellijk tot uitvoering daarvan is overgegaan. Zij heeft de redenen voor dat besluit om 12.05 uur op haar website gepubliceerd. Er is daarmee sprake van een bestuursrechtelijke rechtsverhouding. Vooruitlopend op het besluit hebben zowel SST als OFC een bezwaarschrift ingediend en een verzoek om voorlopige voorziening ingezonden bij deze rechtbank en ook verzocht om zo mogelijk vandaag de zaak te behandelen, desnoods door deze gevoegd met het kort geding te behandelen.

De zaak wordt volgens informatie die door de sector bestuursrecht om ca 12.30 uur is verstrekt komende dinsdagmiddag behandeld. De voorzieningenrechter had bij aanvang van de zitting via de civiele griffie van de sector bestuursrecht vernomen dat verdere faciliteiten op deze middag niet konden worden geboden.

De voorzieningenrechter heeft om 18.30 uur bericht ontvangen van de advocaat van de gemeente dat het verzoek om een spoedmaatregel zonder motivering per fax is afgewezen.

4.3.

In verband met de voormelde ontwikkeling van het geschil, die heeft plaatsgevonden nadat de dagvaarding was uitgebracht, heeft SST, met instemming van OFC, haar vordering verminderd. Zij vordert nu dat zal worden bepaald dat het sluitingsbevel niet verder mag worden geëffectueerd totdat in voormelde bestuursrechtelijke procedure op de verzoeken is beslist.

4.4.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de stichting in die vordering kan worden ontvangen. Het is vaste jurisprudentie dat de civiele kort geding rechter als restrechter fungeert indien de zaak zo spoedeisend is dat die rechtsbescherming in de bijzondere rechtsgangen niet kan worden verkregen. Het is evident dat daarvan in het onderhavige geval sprake is.

De gemeente zou wellicht succes hebben met haar verweer indien het aan de Stichting is te verwijten dat zij de bestuursrechter niet eerder heeft geadieerd, maar dat kan hier niet worden gezegd. De gemeente heeft de stichting immers tot op het laatste moment in het ongewisse gelaten omtrent de grondslag voor de aangekondigde sluiting. Zij moet die sluiting hebben voorbereid en daartoe onder meer de bestuurlijke rapportage hebben opgevraagd. Zij had de stichting ervan op de hoogte kunnen stellen dat een publiekrechtelijke grondslag voor het besluit werd overwogen.

4.5.

De afwijzing van het verzoek om een spoedmaatregel is geen reden om anders te oordelen.

In de omstandigheid dat iedereen aanwezig was om de zaak 100 meter verderop als civiele zaak te behandelen, waarvoor ruimte was gemaakt, had de sector bestuursrecht op zijn minst aanleiding moeten zien om over gevoegde behandeling in overleg te treden en/of om zich op de hoogte te stellen van de opvattingen van de behandelend rechter ter zake.

Het niet inhoudelijk behandelen van het onderhavige verzoek brengt onder die omstandigheden mee dat er sprake is van zo onvoldoende rechtsbescherming dat de rol van de voorzieningenrechter om aanvullend rechtsbescherming te bieden overeind is gebleven.

Ten gronde

4.6.

Het behoeft geen betoog dat het niet verstrekken van financiële informatie door een van de gebruikers van het sportcomplex de burgemeester niet de bevoegdheid geeft om dat sportcomplex te sluiten. Die bevoegdheid kan slechts worden gevonden in de grondslagen die de burgemeester voor het sluitingsbevel op het laatste moment heeft bijgebracht. Daarbij is, in beginsel en ook hier, volstrekt zonder belang of eerder sprake is geweest van het niet verstrekken van financiële informatie.

4.7.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het onderhavige geval twijfel kan bestaan omtrent de vraag of hier geen sprake is van een situatie waarin de burgemeester zijn bevoegdheid op grond van de Apv en de Gemeentewet om maatregelen in het belang van de openbare orde en veiligheid te nemen gebruikt met een ander doel dan waarvoor deze is verleend: niet om de openbare orde en veiligheid binnen de gemeente te bewaren maar om druk uit te oefenen op SST en OFC om -op de door de gemeente gestelde voorwaarden- de financiële informatie te krijgen waarom de gemeente eerder heeft gevraagd. Daartoe is het volgende redengevend.

  1. De gemeente heeft niet bestreden dat al eind 2019 is gedreigd met sluiting van het sportcomplex indien niet op korte termijn wordt voldaan aan de wens van de gemeente aan OFC om bepaalde financiële informatie ter beschikking te stellen. Op de vraag van STT om aan te geven op grond van welk recht het college dat meende te kunnen doen is toen geen antwoord gegeven.

  2. In een gesprek op 14 januari 2020 heeft de burgemeester SST meegedeeld dat hij vrijdag 17 januari 2020 het volledige sportcomplex zou sluiten indien niet aan de door de gemeente gestelde deadline voor verstrekking van de gewenste informatie (16 januari 2020) zou worden voldaan. Op de vraag naar de bestuursrechtelijke grondslag heeft de burgemeester aangegeven dat hij die niet heeft, maar dat hij wel een morele grondslag ziet.

  3. De bestuurlijke rapportage van de politie is gedateerd vrijdag 17 januari 2020. Totdat de bestuurlijke rapportage beschikbaar was is door de burgemeester noch de besturen van SST of OFC op enig moment gesproken over veiligheidsrisico’s in verband met de in die rapportage genoemde incidenten, die goeddeels al in 2018 en 2019 hebben plaatsgevonden.

  4. Niet bestreden is dat die rapportage een compilatie is van feiten die in een artikel in het Parool d.d. 4 januari 2020 zijn vermeld, en dat die berichtgeving specifieker is dan de rapportage. Over de in de rapportage genoemde feiten is eerder ook al door diverse andere (regionale) kranten bericht.

  5. De rapportage bevat inhoudelijk geen nieuws en lijkt pour besoign de la cause te zijn opgemaakt. Zo ontbreekt iedere vorm van analyse van de daarin genoemde incidenten met het oog op de vaststelling van specifieke risico’s voor het door SST geëxploiteerde terrein.

  6. Onweersproken is dat in relatie tot het sportcomplex gedurende de ruim anderhalf jaar waarin deze incidenten hebben plaatsgevonden nimmer van enig incident sprake is geweest dat op een veiligheidsrisico zou kunnen duiden. Feit is ook dat de veel specifiekere informatie in het Parool-artikel voor de burgemeester geen aanleiding is geweest om met SST in gesprek te treden over de vraag hoe de risico’s ter zake door het bestuur van SST worden getaxeerd, terwijl zij elkaar op 14 januari 2020 nog hebben gesproken.

4.8.

De voorzieningenrechter kan de totstandkoming van de hiervoor onder 5 genoemde rapportage niet los zien van de door de burgemeester eerder gemaakte keuze voor krachtdadig optreden als onder hiervoor 1 en 2 vermeld. Indien de burgemeester zich werkelijk bezorgd maakt over de feiten die in het Parool artikel zijn beschreven, waarvan de voorzieningenrechter vooralsnog bepaald niet overtuigd is, had het voor de hand gelegen om er bij de politie op aan te dringen in gesprek te treden met de personen die slachtoffer van die incidenten zijn en in overleg met hen gepaste maatregelen te treffen. Ook had het voor de hand gelegen om met de besturen van de betrokken stichting en vereniging in overleg te treden. Beide is niet gebeurd.

4.9.

Het onverhoeds onmiddellijk sluiten van een geheel sportcomplex waar vele tientallen kinderen dagelijks sporten en waarvan buiten OFC ook een groot aantal andere belanghebbenden gebruik maken op een zodanige termijn dat een behoorlijke toetsing van de gestelde grondslag daarvoor niet mogelijk is, is onder de geschetste omstandigheden onbehoorlijk. Niet kan worden gezegd dat de burgemeester in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de veiligheid op het terrein van het sportcomplex zo ernstig en onmiddellijk in het geding is dat die toetsing niet op de gebruikelijke wijze, te weten door het bieden van enige termijn tussen die bekendmaking en de daadwerkelijke sluiting, zou kunnen plaatsvinden.

4.10.

De gemeente zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van SST worden begroot op:

- dagvaarding € 100,89
- griffierecht 639,00
- salaris advocaat 816,00
Totaal € 1.555,89

De kosten aan de zijde van OFC worden begroot op:
- griffierecht € 639,00
- salaris advocaat 816,00
Totaal € 1.455,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

verbiedt de gemeente Oostzaan de sluiting van het sportcomplex Stichting Sportcomplexen Twiskeweg verder te effectueren totdat op de verzoeken om voorlopige voorziening van SST en OFC, welke volgens de aan de voorzieningenrechter verstrekte informatie door de sector bestuursrecht van deze rechtbank op dinsdag 21 januari 2020 zullen worden behandeld, door de voorzieningenrechter sector bestuursrecht is beslist,

5.2.

veroordeelt de gemeente in proceskosten, tot op heden aan de zijde van SST begroot op € 1.555,89, vermeerderen met de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,-- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.3.

veroordeelt de gemeente in proceskosten, tot op heden aan de zijde van OFC begroot op € 1.455,--,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.P. de Klerk op 17 januari 2020.1

1 Conc.: