Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:3419

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
06-05-2020
Datum publicatie
12-05-2020
Zaaknummer
8139336 \ CV EXPL 19-8318
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering werkgever tot nakoming relatiebeding toegewezen. Voldoende onderbouwd welke relaties onder beding vallen. Boete overtreding verbod privégebruik bedrijfsauto afgewezen, omdat onvoldoende weerlegd dat directeur daarvoor toestemming heeft gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0554
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 8139336 \ CV EXPL 19-8318 BL

Uitspraakdatum: 6 mei 2020

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de besloten vennootschap Greeuw Airconditioning B.V.

gevestigd te Broek op Langedijk

eiseres

verder te noemen: Greeuw

gemachtigde: mr. Y.A.R. Seen

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. J.W. Ebbink

1 Het procesverloop

1.1.

Greeuw heeft bij dagvaarding van 24 oktober 2019 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Op 11 februari 2020 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Greeuw en [gedaagde] hebben gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. Greeuw heeft daarbij haar vordering verminderd. Voorafgaand aan de zitting heeft Greeuw bij brief van 31 januari 2020 nog stukken toegezonden.

1.3.

Op 11 februari 2020 heeft de kantonrechter mondeling tussenuitspraak gedaan. Naar aanleiding daarvan heeft Greeuw bij akte nadere stukken overgelegd, en ter griffie gedeponeerd een ‘originele modelovereenkomst inzake auto van de zaak d.d. 4 april 2019’. [gedaagde] heeft hierop schriftelijk gereageerd.

2 De feiten

2.1.

Greeuw is gespecialiseerd in het ontwerpen, realiseren en beheren van klimaatoplossingen. Deze onderneming is ontstaan vanuit Wouters Witgoed B.V. [XX] is directeur / eigenaar van beide ondernemingen.

2.2.

[gedaagde] is betrokken geweest bij het ontstaan van Greeuw, net als [YY] (verder te noemen: [YY] ). [YY] heeft als zelfstandig ondernemer in opdracht van Greeuw gewerkt.

2.3.

[gedaagde] is op 5 maart 2018 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij Greeuw, in de functie van verkoper. Daaraan voorafgaand was [gedaagde] werkzaam als verkoper voor Wouters Witgoed.

2.4.

In de arbeidsovereenkomst die partijen op 5 maart 2018 zijn aangegaan is een relatiebeding opgenomen (artikel 10), dat luidt als volgt:
“Het is na het einde van de arbeidsovereenkomst verboden nog contact te onderhouden met relaties van de werkgever.
Relaties zijn alle bedrijven en organisaties aan wie de werkgever in het jaar voorafgaand aan het einde van de arbeidsovereenkomst producten of diensten heeft geleverd en/of aan wie de werkgever in die periode een offerte heeft uitgebracht.”

2.5.

Op 4 april 2019 heeft Greeuw aan [gedaagde] een bestelbus ter beschikking gesteld (verder: de bedrijfsauto). In dat verband heeft [gedaagde] diezelfde dag een overeenkomst ondertekend. Greeuw heeft als productie 3 bij dagvaarding overgelegd een ‘Modelovereenkomst inzake auto van de zaak’, bestaande uit drie pagina’s en 11 artikelen. Op de laatste pagina staan de handtekeningen van Greeuw en [gedaagde] . Artikel 4 van deze overeenkomst (afgedrukt op de tweede pagina) luidt als volgt:
“De auto is bestemd voor zakelijk gebruik; gebruik voor privédoeleinden is ten strengste verboden. Dit levert een boete op van 500 euro per gebeurtenis.”

2.6.

Bij brief van 30 juni 2019 heeft [gedaagde] zijn arbeidsovereenkomst met Greeuw opgezegd. Partijen zijn mondeling overeengekomen dat hun arbeidsrelatie is geëindigd per 22 juli 2019.

2.7.

Op 1 juli 2019 is opgericht de vennootschap onder firma SUPERKOEL VOF, met handelsnaam SUPERKOEL AIRCONDITIONING (hierna: Superkoel). Deze onderneming houdt zich bezig met de installatie van verwarmings- en luchtbehandelingsapparatuur, en het plaatsen van airconditioning. Vennoten van Superkoel zijn [gedaagde] en [YY] .

2.8.

De gemachtigde van Greeuw heeft [gedaagde] in een brief van 21 augustus 2019 (onder meer) een lijst gezonden met relaties die [gedaagde] niet mag benaderen, hem geconfronteerd met het vermoeden dat hij zaken doet met relatie KBH Installatietechniek (hierna: KBH), en [gedaagde] gesommeerd om een boete van € 10.500,00 te betalen wegens ongeoorloofd privégebruik van de bedrijfsauto. [gedaagde] heeft hierop niet gereageerd.

2.9.

Bij vonnis van 26 februari 2020 heeft de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening in de zin van artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering [gedaagde] voor de duur van het onderhavige geding veroordeeld tot – samengevat – nakoming van het relatiebeding in die zin dat hij KBH niet mag benaderen en/of zakelijke contacten met KBH mag onderhouden, op straffe van een dwangsom

3 De vordering

3.1.

Greeuw vordert (na vermindering van eis) dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot nakoming van het relatiebeding gedurende twee jaar na beëindiging van het arbeidscontract, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per relatie en van € 500,00 per dag dat de overtreding voortduurt. Verder vordert Greeuw betaling van € 10.500,00 ter zake van verbeurde boetes voor ongeoorloofd privégebruik van de bedrijfsauto. Greeuw legt aan de vordering – kort weergegeven – het volgende ten grondslag.

3.2.

Partijen zijn het relatiebeding overeengekomen ter bescherming van het bedrijfsdebiet van Greeuw. [gedaagde] biedt na zijn uitdiensttreding dezelfde diensten aan als Greeuw, en doet zaken met minimaal één relatie van Greeuw, te weten KBH. Zodoende heeft [gedaagde] het relatiebeding overtreden. Het feit dat geen boeteclausule is opgenomen in het relatiebeding doet niet af aan de geldigheid daarvan, en is des te meer reden om nakoming op straffe van een dwangsom te vorderen.

3.3.

Door vergelijking van gegevens uit de MY MFS tracker in de bedrijfsauto met de bedrijfsagenda, heeft Greeuw geconstateerd dat [gedaagde] ruim 21 keer het verbod op privégebruik als neergelegd in artikel 4 van de overeenkomst heeft overtreden. Daarmee is een boete verbeurd van € 10.500,00.

4 Het verweer

4.1.

[gedaagde] betwist de vordering (gedeeltelijk) en voert daartoe – samengevat – het volgende aan.

4.2.

Het relatiebeding ziet alleen op bedrijven aan wie Greeuw het jaar voorafgaand aan 22 juli 2019 producten of diensten heeft geleverd en/of offertes heeft uitgebracht; niet op particulieren. Verder is het relatiebeding onredelijk bezwarend, omdat het niet is beperkt in tijd en regio. Bovendien is het beding niet voorzien van een boetebepaling. [gedaagde] zou de arbeidsovereenkomst niet hebben ondertekend indien de gevorderde dwangsom aan het relatiebeding gekoppeld was. Daarbij komt dat [gedaagde] met geen enkele onderneming die klant is van Greeuw contact heeft opgenomen of onderhouden. KBH heeft de samenwerking met Greeuw beëindigd en vervolgens contact opgenomen met Superkoel.

4.3.

[gedaagde] heeft geen afschrift ontvangen van de overeenkomst die hij heeft getekend voor het gebruik van de bedrijfsauto, en kan zich herinneren dat hem een overeenkomst van slechts één pagina is voorgehouden. [gedaagde] heeft geen oneigenlijk gebruik gemaakt van de bedrijfsauto. Vanwege zijn privésituatie en de ziekte van zijn zoon verbleef [gedaagde] op meerdere adressen in Alkmaar (te weten zijn eigen woonadres, en dat van zijn moeder respectievelijk ex-partner), en bezocht regelmatig het ziekenhuis. [gedaagde] reed met de bedrijfsauto van deze adressen naar zijn werk en andersom, soms (in eigen tijd) via de supermarkt. [XX] was hiermee bekend en heeft hiermee ingestemd. Bovendien is het onredelijk een boete te verbeuren voor het sporadisch enkele honderden meters omrijden voor een supermarktbezoek na werktijd, hetgeen in totaal tot ongeveer 98 kilometer ‘privé’ heeft geleid. Subsidiair is [gedaagde] bereid hiervoor de vaste onkostenvergoeding van € 0,19 per kilometer te betalen.

5 De beoordeling

Het relatiebeding

5.1.

[gedaagde] erkent dat het onder de feiten geciteerde relatiebeding onderdeel uitmaakt van zijn arbeidsovereenkomst met Greeuw. Verder zijn partijen het erover eens dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd per 22 juli 2019, zodat het gaat om relaties aan wie Greeuw in de periode van 22 juli 2018 tot 22 juli 2019 producten of diensten heeft geleverd en/of een offerte heeft uitgebracht. Partijen verschillen echter van mening over de vraag wie concreet deze relaties zijn.

5.2.

Greeuw heeft in dat verband bij dagvaarding als productie 5 overgelegd een lijst met namen en adresgegevens van ongeveer 400 bedrijven en ruim 1.200 particulieren, zonder onderliggende facturen en/of offertes. Mede gelet op het verweer van [gedaagde] is Greeuw bij mondelinge tussenuitspraak in de gelegenheid gesteld om nader te motiveren en onderbouwen dat deze lijst voldoet aan de eisen van het relatiebeding.

5.3.

Daartoe heeft Greeuw bij akte na tussenuitspraak als productie 15 overgelegd een ‘gefilterd’ overzicht van productie 5. Deze lijst is gefilterd omdat productie 5 ook relaties noemt die particulier zijn of buiten de periode 22 juli 2018 tot en met 22 juli 2019 vallen, aldus Greeuw in haar akte. Op de gefilterde relatielijst staan 279 bedrijven (genummerd 2 tot en met 280), en geen particulieren. Als productie 16 heeft Greeuw overgelegd haar onderliggende facturen gericht aan deze 279 relaties. Greeuw besluit haar akte met de conclusie dat zij daarmee duidelijk heeft aangetoond welke relaties onder het relatiebeding van artikel 10 van de arbeidsovereenkomst vallen. De kantonrechter vat dit op als een vermindering van eis, waarmee Greeuw nakoming van het relatiebeding vordert in die zin dat [gedaagde] de relaties genoemd in productie 15 niet mag benaderen en/of zakelijke contacten hiermee mag onderhouden, op straffe van een dwangsom. De vraag of het, anders dan uit de tekst van het relatiebeding volgt, de bedoeling van partijen is geweest dat dit ook ziet op particuliere klanten kan daarmee verder onbesproken blijven.

5.4.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Greeuw met haar nadere stukken aangetoond dat het relatiebeding ziet op 268 van de 279 in productie 15 genoemde bedrijven en organisaties, aan wie producten of diensten zijn geleverd in de periode van 22 juli 2018 tot 22 juli 2019. Dat wordt ook niet betwist, behoudens ten aanzien van de 12 bedrijven die [gedaagde] noemt in zijn akte uitlating producties, en eerdergenoemde KBH.

5.5.

In zijn akte uitlating producties wijst [gedaagde] er ten aanzien van 11 van de 12 door hem genoemde bedrijven terecht op dat uit de overgelegde bijbehorende facturen niet blijkt dat het gaat om diensten of producten die zijn geleverd in de periode van 22 juli 2018 tot 22 juli 2019. Daarmee is niet komen vast te staan dat de bedrijven genummerd 36 (Bruin Aandrijftechniek), 56 (De Eendengarage), 72 (Duke of Tokyo), 89 (F&TTabaks Souvenir Shop), 94 (Gerritsen Bewind), 109 (Hofje van Jongkind), 144 (LA Delft), 145 (Labonovum Lab services), 155 (Maatschap Klaver), 203 (Praktijkschool De Linie) en 213 (R.S. Jonkman) relaties zijn in de zin van het relatiebeding. Dat is alleen anders voor het door [gedaagde] genoemde bedrijf RG Cars VOF (genummerd 217). De onderliggende factuur is weliswaar van 25 juli 2019, maar de dienst (grondig onderhoud) is blijkens deze factuur geleverd op 5 juli 2019, zodat RG Cars VOF wel onder het relatiebeding valt. Hetzelfde geldt voor KBH. Vast staat dat Greeuw in het jaar voorafgaand aan 22 juli 2019 producten en/of diensten aan KBH heeft geleverd. Daarmee voldoet KBH aan de omschrijving die in artikel 10 van de arbeidsovereenkomst is gegeven van het begrip relatie, en het relatiebeding verbiedt [gedaagde] om contact te onderhouden met relaties van Greeuw. De stelling van [gedaagde] dat KBH zelf afscheid heeft genomen van Greeuw en vervolgens Superkoel heeft benaderd doet daaraan niet af.

5.6.

Verder voert [gedaagde] aan dat het relatiebeding onredelijk bezwarend is, omdat het niet is beperkt in tijd en regio. Ter zitting heeft de kantonrechter partijen voorgehouden dit op te vatten als een beroep van [gedaagde] op artikel 7:653 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond daarvan kan de kantonrechter het beding (gedeeltelijk) vernietigen indien in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever, de werknemer door dat beding onbillijk wordt benadeeld. Het te beschermen belang van Greeuw, behoud van haar klantenkring, is evident. Daarbij komt dat de beperking van het relatiebeding tot twee jaar door Greeuw zelf is aangedragen, en Greeuw haar vordering dienovereenkomstig heeft verminderd. [gedaagde] heeft daartegenover geen argumenten aangedragen waarom de periode korter zou moeten zijn, en de kantonrechter ziet daarvoor ook onvoldoende reden. Gelet op de aard van de klantenkring, gevestigd verspreid over heel Nederland, is een regionale beperking van het relatiebeding evenmin aan de orde. [gedaagde] heeft ter zitting de vraag hoe een beperking naar regio vormgegeven zou moeten worden niet kunnen beantwoorden, en zijn verweer op dit punt onvoldoende geconcretiseerd.

5.7.

Gelet op het voorgaande zal de verminderde vordering van Greeuw ten aanzien van het relatiebeding worden toegewezen zoals hierna vermeld. Daarbij wordt de termijn van twee jaar gerekend vanaf de datum van beëindiging van het arbeidscontract, zijnde 22 juli 2019, overeenkomstig hetgeen Greeuw halverwege de tweede pagina van haar pleitnotities schrijft. Onder ‘met conclusie’ heeft Greeuw het weliswaar over een termijn van 1 juli 2019 tot 31 juli 2021, maar een toelichting daarop van Greeuw ontbreekt en de kantonrechter ziet daartoe ook geen aanknopingspunten.

De bedrijfsauto

5.8.

Greeuw vordert een boete van € 10.500,00 wegens overtreding van het verbod op privégebruik van de bedrijfsauto. Deze vordering wordt afgewezen. [gedaagde] heeft al in de conclusie van antwoord gemotiveerd aangevoerd dat directeur [XX] toestemming heeft gegeven voor het (beperkte) privégebruik dat hij van de bedrijfsauto heeft gemaakt. Dit gebruik en de toestemming daarvoor is gegeven de onbetwiste privésituatie van [gedaagde] ook niet onlogisch. Greeuw heeft een en ander onvoldoende gemotiveerd weerlegd. Met name heeft Greeuw geen verklaring van de directeur overgelegd, terwijl [XX] ook niet op de zitting is verschenen. De vraag of het onder de feiten geciteerde verbod van artikel 4 onderdeel uitmaakt van de op 4 april 2019 door [gedaagde] ondertekende overeenkomst behoeft geen beantwoording, nu wordt aangenomen dat Greeuw nadien toestemming heeft gegeven voor de wijze waarop [gedaagde] de bedrijfsauto feitelijk heeft gebruikt.

5.9.

Nu partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt [gedaagde] om het relatiebeding na te komen in die zin dat [gedaagde] met ingang van 22 juli 2019 tot 22 juli 2021 de relaties genoemd in productie 15, met uitzondering van de relaties genummerd 36, 56, 72, 89, 94, 109, 144, 145, 155, 203 en 213, niet mag benaderen en/of zakelijke contacten hiermee mag onderhouden, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per relatie en van € 500,00 per dag dat de overtreding voortduurt, tot een maximum van € 100.000,00;

6.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

6.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter