Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:3271

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-04-2020
Datum publicatie
30-04-2020
Zaaknummer
AWB 19-3765
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA beroep ongegrond, belastbaarheid juist vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/3765

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D. Gürses),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: R. Roos).

Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) per 17 december 2018 beëindigd.

Bij besluit van 16 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Eiser heeft per 17 december 2018 ongewijzigd recht op een WIA-uitkering. Zijn mate van arbeidsongeschiktheid bedraagt 37,25%, maar vanwege de wettelijke uitlooptermijn wijzigt de hoogte van de loonaanvullingsuitkering pas per 1 januari 2021 (24 maanden na 17 december 2018).

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2020. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser, laatstelijk werkzaam als kok voor 40 uur per week bij [bedrijf] B.V., heeft zich op 10 juni 2010 ziekgemeld met neurologische, locomotore en cognitieve klachten. Met ingang van 7 juni 2012 is aan eiser een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 100,00%. Met ingang van 7 oktober 2014 heeft verweerder aan eiser een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend.

1.1

Op 10 november 2017 heeft eiser bij verweerder gemeld dat zijn gezondheidssituatie is verslechterd. Naar aanleiding hiervan heeft op 12 juli 2018 een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. Een door verweerder geïnitieerd neuropsychologisch onderzoek (npo) is afgebroken vanwege oplopende spanning en boosheid aan de zijde van eiser. Op 25 september 2018 is een functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, waarin onder andere rekening is gehouden met beperkingen in het uiten van eigen gevoelens, omgaan met conflicten en in boven schouderhoogte actief zijn. Op basis daarvan heeft de arbeidsdeskundige passende functies geduid en vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid 31,81% bedraagt. Verweerder heeft vervolgens het primaire besluit genomen.

1.2

In bezwaar heeft zowel een psychiatrische als neurologische expertise plaatsgevonden, inclusief een npo door dr. J.W.M. Brans, neuroloog, drs. T. Schoemaker, GZ-psycholoog en D. Lam, psychiater. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien om de beperkingen in rubriek II (sociaal functioneren) van de FML van 25 september 2018 te laten vervallen. Op basis van deze aangepaste FML van 28 juni 2019 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een nieuwe beoordeling gemaakt en de mate van arbeidsongeschiktheid nader vastgesteld op 37,25%. Hierna heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

2. In beroep heeft eiser aangevoerd dat hij meer arbeidsongeschikt is dan wordt aangenomen. De beperkingen in rubriek II zijn ten onrechte vervallen wegens het ontbreken van een geobjectiveerde stoornis op psychisch vlak. Tot deze conclusie wordt gekomen op basis van een rapportage die niets kan vaststellen. In de rapportage is onder meer vermeld: “De klachten blijven vaag en weinig specifiek. Er is sprake van inconsistentie in de anamnese naast verhoogde suggestibiliteit. Klachtenpresentatie is ook niet consistent. Cognitieve klachten konden niet worden vastgesteld en geheugen- en stemmingsstoornissen kunnen niet worden geobjectiveerd. Er kan geen betrouwbare stoornis of ziekte worden vastgesteld.”. Deze weergave doet geen recht aan eisers gesteldheid. Hij lijdt al jaren aan een depressieve stoornis, ernstig met psychotische kenmerken, chronische posttraumatische stressstoornis (PTSS), hetgeen ook verweerder stelde in 2012. Ook de brieven van behandelaars van eiser geven een totaal ander beeld dan het expertiserapport. Er bevindt zich diverse medische informatie in het dossier waaruit blijkt dat er sprake is van depressieve en psychische klachten. Eisers depressieve stoornis is de laatste tijd opnieuw toegenomen. De expert legt niet uit waarom geen psychiatrische ziekte bij eiser is geconstateerd en er wordt geen overleg gevoerd met de behandelaars die eiser meerdere keren hebben gezien en gesproken en die in staat zijn om een deskundige toelichting te geven. De expert wijkt bovendien af van de diagnose(s), met daarbij behorende klachten en psychosociale omstandigheden, die in het verleden door psychiaters en behandelaars zijn gesteld en die al jarenlang bestaan. Eiser vraagt zich af welke onderzoeksmethode de expert heeft gebruikt en of de psychiater erin heeft berust als vragen niet werden beantwoord. Eiser wenst te benadrukken dat hij zijn klachten/situatie niet heeft overdreven of gemalingeerd, dan wel gesimuleerd. Enig bewijs daarvoor is ook niet voorhanden. De lichamelijke klachten en krachtsverlies links zijn nu ook rechts aan de orde. De nek-, schouder- en rugklachten zijn van chronische aard. Zijn situatie verslechtert voortdurend. Daarbij wordt door de behandelaars met name benadrukt dat eiser weinig draagkracht heeft, in welk verband hij verwijst naar de inhoud van de brieven van de behandelaars. Eiser heeft met de rapporten en brieven van zijn behandelaars wel degelijk objectief aangetoond dat hij ernstige gezondheidsproblemen heeft. Eiser verzoekt de rechtbank om een onafhankelijke deskundige te benoemen. Eiser acht de geduide functies niet passend.

3. De rechtbank overweegt als volgt. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep1 komt aan rapportages van de artsen en arbeidsdeskundigen van het Uwv een bijzondere waarde toe in die zin dat het Uwv zijn besluiten over de arbeidsongeschiktheid van een betrokkene op deze rapportages mag baseren. Daarvoor is wel nodig dat deze rapportages op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen inconsistenties bevatten en concludent zijn. Dit betekent niet dat deze rapportages en het daarop gebaseerde besluit in beroep onaantastbaar zijn. Het is echter, gelet op artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht, aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapportages niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inconsistenties bevatten, niet concludent zijn, dan wel dat de in de rapportages gegeven beoordeling onjuist is. Dit aannemelijk maken kan ook geschieden door niet medisch geschoolden. Voor het aannemelijk maken dat de gegeven medische beoordeling onjuist is, is in beginsel een rapportage van een regulier medicus noodzakelijk.

3.1

De ANIOS Verzekeringsgeneeskunde (ANIOS) overweegt in de rapportage van 25 september 2018 dat de cognitieve en conatieve stoornissen die op de voorgrond staan zéér opvallend zijn, maar dat door de zeer moeizame anamnese en eisende begeleider gedurende het spreekuur gerede twijfel bestond over het waarheidsgehalte hiervan. In overeenstemming met eerdere documentatie van neuroloog dr. Bienfait, acht de ANIOS een neuropsychologisch onderzoek aangewezen met inachtneming van de taal- en cultuurverschillen. Op 23 augustus 2018 is eiser door S. Hage, GZ-psycholoog en M. Benie, neuropsycholoog gezien. In een brief van 29 augustus 2018 verklaren zij dat het onderzoek is afgebroken vanwege veiligheidsredenen door het gedrag van eiser.
In de bezwaarfase heeft, in onderling overleg, op 2 en 12 april en 2 mei 2019 op drie vlakken een expertise-onderzoek plaatsgevonden. In het gezamenlijke expertiserapport van 11 juni 2019 overweegt Lam dat er sprake is van inconsistenties in de anamnese naast verhoogde suggestibiliteit. De houding geeft bij herhaling het gevoel dat eiser zich niet wil inspannen en de klachtenpresentatie is ook niet consistent. Bij psychiatrisch onderzoek in engere zin kunnen de cognitieve klachten ook niet worden vastgesteld. De resultaten van het aanvullend npo zijn hiermee in overeenstemming, zodat de geclaimde geheugen- en stemmingsstoornissen niet kunnen worden geobjectiveerd. Er kan geen betrouwbare stoornis of ziekte worden vastgesteld; de door de curatieve sector gestelde diagnosen konden niet worden bevestigd.
Schoemaker overweegt dat alle afgenomen symptoomvaliditeitstesten positief zijn, sommigen zelfs onder het kansniveau. Dit geeft duidelijke aanwijzingen voor onderpresteren en overrapporteren van psychische en/of cognitieve klachten. De testresultaten zijn niet betrouwbaar te interpreteren.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep overweegt in de rapportage van 28 juni 2019 dat de door eiser geclaimde uitgebreide psychische en cognitieve klachten bij de gecombineerde psychiatrische/neurologische expertise inclusief npo niet konden worden geobjectiveerd. De klachten kunnen niet worden geduid in het kader van een psychiatrische of neurologische diagnose; de door de curatieve gestelde diagnosen konden niet worden bevestigd. Er is derhalve onvoldoende grond om beperkingen hiervoor aan te nemen in de rubrieken I en II van de FML wegens ontbreken van een geobjectiveerde stoornis op psychisch vlak.

Psychosociale problematiek dienen, anders dan de gemachtigde meent in het bezwaarschrift, bij de beoordeling van de belastbaarheid in het kader van de WIA buiten beschouwing gelaten te worden.

In het kader van de rechter schouderklachten is overwogen dat de huisarts eiser heeft behandeld wegens vermoeden op een bursitisbeeld. De neuroloog vond geen primaire afwijkingen betreffende de rechter schouder/arm op zijn vakgebied. Bij onderzoek door de primaire verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts is heffen boven schouderhoogte rechts niet volledig mogelijk door de pijn. De aangenomen beperkingen in de FML in de rubrieken IV en V sluiten hierop aan.

De neuroloog beschrijft de hoofdpijnklachten als een combinatie van migraine en spanningshoofdpijn. Gezien de anamnese bij de neuroloog treden de aanvallen niet dagelijks op, soms ook tijden niet. Er is geen reden af te wijken van de conclusie van de primaire verzekeringsarts dat hiervoor geen beperkingen aan te geven zijn; er zijn geen uitlokkende factoren aan te wijzen en er zijn geen neurologische (rest)verschijnselen. Bovendien wordt door de beperkingen in de rubrieken III tot en met V grote druk op nek/hoofd vermeden.

3.2

De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De primaire verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd, eiser op het spreekuur gezien en hem zowel lichamelijk als psychisch onderzocht. In verband met de ontstane twijfel ten aanzien van de psychische klachten van eiser heeft hij een neuropsychologisch onderzoek willen laten uitvoeren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft - naast bestudering van het dossier, waaronder alle medische informatie, en het bijwonen van de hoorzitting - een lichamelijk onderzoek verricht. In de bezwaarfase is op initiatief van verweerder een neuropsychologisch onderzoek uitgevoerd.

3.3

De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende

toereikend en inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom in het geval van eiser ten tijde in geding, te weten 12 juli 2018, geen verdergaande beperkingen dienen te worden aangenomen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat alle op dat moment beschikbare (medische) informatie is meegenomen bij de beoordeling. Bij die beoordeling is rekening gehouden met alle fysieke en psychische klachten van eiser en hiervoor zijn voor zover deze geobjectiveerd zijn beperkingen aangenomen in de FML. Het door de deskundigen uitgebrachte rapport geeft naar het oordeel van de rechtbank inzichtelijk en gemotiveerd weer op basis van welke onderzoeksresultaten zij tot de conclusie komen dat de door de curatieve sector gestelde diagnosen niet konden worden bevestigd. Zij geven duidelijk aan dat er sprake is van inconsistenties in de anamnese naast verhoogde suggestibiliteit, dat de klachtenpresentatie niet consistent is en er een duidelijke aanwijzing is voor onderpresteren en overrapporteren van psychische en/of cognitieve klachten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de conclusie van de deskundigen mogen overnemen. Dit oordeel wordt niet anders door de brief van GGZ Integraal. Deze brief van eisers psychologen is gedateerd op 11 maart 2019 en vermeldt een intake van
15 januari 2019. De informatie ziet derhalve niet op de datum in geding, maar op de periode daarna. Eiser heeft bovendien verklaard dat de depressieve stoornis de laatste tijd is toegenomen, hetgeen door deze brief wordt bevestigd. De verklaring van de huisarts van
5 november 2018 is een doorverwijzing aan Ipsy. Uit de brief blijkt ook niet dat eiser op
12 juli 2018 verdergaande psychische beperkingen had dan in de FML is aangenomen. Er is geen sprake van vaststelling van diagnoses. Zoals hiervoor is aangegeven kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat verweerder de beperkingen onjuist heeft vastgesteld. De stelling van eiser dat meer beperkingen aan de orde zijn, is door hem niet voldoende met objectieve medische stukken onderbouwd. De rechtbank ziet daarom geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep hieromtrent. Gelet hierop bestaat dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder meer onderzoek had moeten doen of overleg had moeten voeren met de behandelaars of voor het benoemen van een deskundige. De stelling ter zitting dat bij eiser een IQ van 40 is vastgesteld heeft eiser niet onderbouwd. De rechtbank concludeert dat het medische gedeelte van het bestreden besluit in stand kan blijven.

3.4

Op basis van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgestelde FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep F. Havermans in zijn rapportage van 15 juli 2019 drie functies geduid waartoe eiser in staat wordt geacht en op grond waarvan het arbeidsongeschiktheidspercentage is berekend. Deze functies zijn productiemedewerker metaal en elektroindustrie, inpakker (handmatig) en medewerker kleding en textielreiniging.

Uit het arbeidskundig onderzoek blijkt dat de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van deze functies 37,25% is. Uitgaande van een juiste vaststelling van de functionele mogelijkheden van eiser ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de geschiktheid van de geduide functies. De bezwaararbeidsdeskundige heeft aangegeven dat de functies fysiek licht werk betreffen, waarbij zwaar tillen en met rechts boven schouder hoogte werken niet voorkomt. De bezwaararbeidsdeskundige heeft verder toereikend gemotiveerd waarom de geduide functies de belastbaarheid van eiser niet overschrijden. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit voorzien van een deugdelijke arbeidskundige grondslag.

3.5

De rechtbank overweegt nog dat voor zover eisers gezondheid na de datum in geding van 12 juli 2018 is verslechterd eiser de mogelijkheid heeft om een melding toegenomen arbeidsongeschiktheid in te dienen bij verweerder.

4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Affourtit-Kramer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Boomsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2020.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 zie onder meer de uitspraak van 23 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BV0045