Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:3202

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-04-2020
Datum publicatie
08-05-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3804
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid beroep. In geschil is of eiseres belang heeft bij haar beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 11-05-2020
V-N Vandaag 2020/1259
FutD 2020-1525
NTFR 2020/1543
V-N 2020/39.18.14
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/3804

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2020 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2016 een aanslag (aanslagnummer [#] ) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 55.218.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2020 te Haarlem.

Eiseres is daar, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Eiseres is bij aangetekende brief van 6 februari 2020, die volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL is afgeleverd op het door eiseres opgegeven adres, uitgenodigd voor de zitting. Eiseres is derhalve op een juiste wijze voor de zitting van de rechtbank uitgenodigd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde L. Woudenberg.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres was het gehele jaar 2016 gehuwd met [A] .

2. Eiseres en haar echtgenoot zijn voor de toepassing van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) geheel 2016 als elkaars partner aangemerkt.

3. Eiseres en haar partner hebben geheel 2016 een woning gelegen [b] in eigendom gehad.

4. Eiseres heeft op 21 juli 2017 voor het jaar 2016 aangifte IB/PVV gedaan naar belastbaar inkomen uit werk en woning van € 55.218. In deze aangifte is het belastbaar inkomen uit eigen woning bepaald op € 17.758 negatief. Het belastbaar inkomen uit eigen woning is als volgt berekend:

Voordeel uit eigen woning € 1.582

Aftrekbare rente

[C] , saldo € 280.000 -/- € 14.140

[D] , saldo € 45.000 -/- € 5.200

Belastbaar inkomen uit eigen woning € 17.758 negatief

5. Van het belastbaar inkomen uit eigen woning is op de voet van artikel 2:17, derde lid, Wet IB 2001 een bedrag van € 4.000 negatief toegerekend aan eiseres.

6. Verweerder heeft de rente die samenhangt met het doorlopend krediet bij [D] ten bedrage van € 5.200 in aftrek geweigerd in de opgelegde aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 van de partner van eiseres. Dit omdat verweerder van mening is dat deze schuld niet is aangegaan voor verbetering of onderhoud van de eigen woning.

7. Bij de vaststelling van de definitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 heeft verweerder de door eiseres ingediende aangifte gevolgd en bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

8. Zowel eiseres als haar partner hebben bezwaar gemaakt tegen de aan hen opgelegde aanslagen IB/PVV voor het jaar 2016.

Geschil

9. In geschil is of het beroep ontvankelijk is. Eiseres beantwoordt deze vraag bevestigend en verweerder ontkennend.

10. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

11. De tussen partijen in geschil zijnde kosten eigen woning zijn volledig gecorrigeerd bij de partner van eiseres. Deze correctie heeft derhalve geen invloed gehad op de hoogte van de aanslag van eiseres. Tegen de belastingrente heeft eiseres geen afzonderlijke gronden aangevoerd.

12. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres gelet op het vorenoverwogene geen belang heeft bij haar beroep, en dit niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu zij door het beroep niet in een betere positie kan komen te verkeren.

13. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Een bezwaar, beroep of (incidenteel) hoger beroep moet niet-ontvankelijk worden verklaard als de indiener van dat rechtsmiddel geen belang daarbij heeft. Daarvan is sprake als het aanwenden van het rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht (HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878).

14. De rechtbank is van oordeel dat eiseres een belang heeft bij de door haar ingestelde rechtsmiddelen. Niet kan worden gezegd dat het bezwaar en beroep eiseres niet in een betere positie konden brengen. Die rechtsmiddelen boden immers de mogelijkheid dat verweerder of de rechtbank op andere, door eiseres nader aan te voeren, gronden tot het oordeel zou komen dat de aan eiseres opgelegde aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 tot een lager bedrag had moeten worden vastgesteld. Dat de gronden die eiseres heeft aangevoerd, haar niet in een betere positie kunnen brengen, is niet van belang.

15. In bezwaar en beroep heeft eiseres geen andere grieven dan tegen de aanslag van haar partner aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat de aanslag ten name van eiseres te hoog is vastgesteld noch dat de belastingrente naar een onjuist bedrag of in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht is vastgesteld. Het bezwaar is mitsdien terecht ongegrond verklaard.

16. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr N.G.U. Wasch, griffier. De beslissing is uitgesproken op 24 april 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.