Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:3195

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-04-2020
Datum publicatie
30-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4706
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is ondermeer in geschil of verweerder terecht invorderingsrente aan eiser in rekening heeft gebracht en of eiser recht heeft op vergoeding van door hem geleden schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 01-05-2020
V-N Vandaag 2020/1185
FutD 2020-1463
V-N 2020/29.2.6
NTFR 2020/1480
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/4706

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2020 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser,

en

de ontvanger van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Bij beschikkingen van 19 december 2019 en 23 januari 2020 heeft verweerder aan eiser bedragen van € 11 respectievelijk € 31 aan invorderingsrente in rekening gebracht.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2020 te Haarlem.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde N. Mangnus.

Feiten

1. Eiser heeft een drietal openstaande schulden bij de Belastingdienst die betrekking hebben op een beschikking definitieve berekening huurtoeslag voor het jaar 2010, een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2010 en een aanslag IB/PVV voor het jaar 2012 (hierna: de beschikking huurtoeslag, de aanslag IB/PVV 2010 respectievelijk de aanslag IB/PVV 2012).

2. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat op 26 februari 2020 de volgende te betalen bedragen nog openstonden:

- beschikking huurtoeslag, inclusief rente, € 810;

- aanslag IB/PVV 2010, inclusief rente, € 703;

- aanslag IB/PVV 2012, inclusief rente, € 767.

3. Ten aanzien van deze schulden vordert verweerder maandelijks een bedrag in. Bij deze aflossingen wordt telkenmale invorderingsrente aan eiser in rekening gebracht.

4. Bij beschikkingen van 19 december 2019 en 23 januari 2020 heeft verweerder aan eiser een bedragen van € 11 respectievelijk € 31 aan invorderingsrente in rekening gebracht.

Overwegingen

Geschil

5. Eiser heeft ter zitting verklaard dat zijn beroep zich richt tot de beschikkingen invorderingsrente.

6. Hij heeft uitdrukkelijk verklaard dat zijn beroep zich niet richt tegen de uitspraak op bezwaar van de Belastingdienst/Toeslagen van 6 augustus 2019 inzake de bij beschikking van 16 mei 2019 in rekening gebrachte invorderingsrente ter zake van de terugvorderingsbeschikking met nummer [#] . Tegen deze beschikking heeft hij reeds beroep ingesteld en de rechtbank Amsterdam heeft in deze zaak (met nummer 19/4842) op 23 december 2019 uitspraak gedaan.

7. Eiser stelt zich - onder meer - op het standpunt dat verweerder ten onrechte invorderingsrente aan hem in rekening heeft gebracht. Dit omdat naar de rechtbank begrijpt, volgens eiser, de toeslag- en belastingschulden ten onrechte zijn vastgesteld en bovendien zijn verjaard. Daarnaast stelt eiser dat verweerder in strijd met de wet boven de beslagvrije voet bedragen van hem invordert. Hij stelt voorts schade te hebben geleden doordat deze bedragen in strijd met de wet zijn ingevorderd.

8. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

9. Voor zover het beroep van eiser zich richt tegen de beschikkingen invorderingsrente overweegt de rechtbank als volgt. Vast staat dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen de beschikkingen invorderingsrente van 19 december 2019 en 23 januari 2020.

10. In artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb is bepaald dat alvorens beroep kan worden ingesteld, bezwaar moet worden gemaakt. Dit brengt mee dat voor zover het beroep zich richt tegen deze beschikkingen dit niet-ontvankelijk moet worden verklaard en met toepassing van artikel 6:15 van de Awb ter verdere behandeling als bezwaarschrift moet worden doorgezonden aan de ontvanger.

11. Het vorenoverwogene brengt mee dat de rechtbank niet toe kan komen aan een inhoudelijke behandeling van eisers klachten met betrekking tot de beschikkingen invorderingsrente. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat, anders dan eiser lijkt te menen, invorderingsrente en invorderingskosten geen bestuurlijke boeten zijn.

12. Voor zover eiser stelt dat verweerder in strijd met de wet bedragen boven de beslagvrije voet van hem heeft ingevorderd, overweegt de rechtbank dat de rechtmatigheid van de invordering en de daartoe genomen maatregelen in de onderhavige procedure niet ter beoordeling voorliggen. De onderhavige procedure beperkt zich tot de beschikkingen invorderingsrente. Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank ook deze klacht van eiser niet inhoudelijk kan behandelen.

13. Hierbij merkt de rechtbank ten overvloede op dat op grond van artikel 1, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 (hierna: Iw) in zijn algemeenheid heeft te gelden dat tegen op grond van de Iw genomen besluiten geen bezwaar of beroep openstaat. Dit wordt bevestigd in artikel 1 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak waarin is bepaald dat tegen een besluit op grond van de Iw, met uitzondering van onder andere artikel 30 Iw dat op invorderingsrente ziet, geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld. Dit brengt mee dat de bestuursrechter onbevoegd is om zich uit te spreken over eisers standpunt dat verweerder in strijd met de wet bedragen boven de beslagvrije voet heeft ingevorderd. Hetzelfde heeft te gelden voor zijn standpunt dat de schulden zouden zijn verjaard. Ter zake van deze grieven kan slechts een vordering bij de burgerlijke rechter worden ingesteld.

14. Eiser heeft voorts verzocht om vergoeding van door hem geleden schade. Naar de rechtbank begrijpt, bestaat deze schade eruit dat verweerder bedragen van hem invordert die hij niet verschuldigd is. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat zowel de rechtmatigheid van de invordering als de rechtmatigheid van de beschikking huurtoeslag en de aanslagen IB/PVV 2010 en 2012 in de onderhavige procedure niet ter beoordeling voorliggen. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding daarom ook af.

15. Tot slot overweegt de rechtbank ten overvloede dat verweerder ter zitting heeft toegezegd dat hij de door eiser aangevoerde grieven tegen de beschikkingen invorderingsrente als bezwaar in behandeling zal nemen, dat hij de invordering van de onder 2. bedoelde schulden tijdelijk stop zal zetten, dat hij eiser een overzicht zal sturen van de nu nog openstaande toeslag- en belastingschulden, en dat hij eisers grieven in behandeling zal nemen als een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling danwel kwijtschelding van de onder 2. genoemde schulden, waarbij de betalingscapaciteit van eiser zal worden beoordeeld.

16. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Proceskosten

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. van As, rechter, in aanwezigheid van mr.

N.G.U. Wasch, griffier. De beslissing is uitgesproken op 17 april 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.