Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:3024

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-04-2020
Datum publicatie
23-04-2020
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3966
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

wia-schatting - FML aangepast na tussenuitspraak - einduitspraak laat rechtsgevolgen in stand.

Wetsverwijzingen
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/3966

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. F.S.P. Wagemaker),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.M.E. Zwaan).

Procesverloop

Bij besluit van 11 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiseres op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met ingang van 11 april 2018 omgezet naar een loonaanvullingsuitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 22 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van de ex-werkgever van eiseres gegrond verklaard en de uitkering van eiseres per 4 oktober 2018 wordt beëindigd omdat haar mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% is.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Bij tussenuitspraak van 30 oktober 2019 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen daarin, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.

Eiseres heeft hierop een schriftelijke zienswijze gegeven.

De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In haar tussenuitspraak van 30 oktober 2019 heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit een deugdelijke medische grondslag ontbeert. In 3.5 heeft de rechtbank daarover het volgende overwogen:

“Naar het oordeel van de rechtbank heeft [naam] op inzichtelijke wijze gemotiveerd op welke gronden hij meer beperkingen aangewezen acht. Hetgeen de verzekeringsarts bezwaar en beroep daartegenover gesteld heeft, vindt de rechtbank onvoldoende overtuigend. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat [naam] in zijn rapportage een duidelijke relatie legt tussen de door de specialisten gestelde diagnosen en de daaruit in het geval van eiseres voortvloeiende (plausibel geachte) beperkingen. Hoewel de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht opmerkt dat een diagnose op zichzelf genomen niet direct hoeft te leiden tot het aannemen van bepaalde beperkingen, zijn diagnosen in het kader van de vaststelling van de arbeidsbeperkingen ook niet zonder betekenis. De rechtbank begrijpt dan ook niet dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aandacht besteedt aan de bij eiseres vastgestelde PTSS en de mogelijk daaruit voortvloeiende beperkingen, waar [naam] gemotiveerd heeft waarom hij mede op basis van deze gestelde diagnose beperkingen aanneemt.”

2. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de FML aangepast, door in de rubriek persoonlijk functioneren tevens beperkingen aan te nemen ten aanzien van veelvuldige storingen en onderbrekingen, veelvuldige deadlines of productiepieken, hoog handelingstempo en prikkelingen.

3. Eiseres heeft in haar zienswijze aangevoerd dat zij meer beperkt is door haar lichamelijke klachten. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak al geoordeeld dat de fysieke beperkingen juist waren weergegeven in de FML. In wat eiseres heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding daarvan terug te komen.

4. De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep met de aanpassingen in de FML de door [naam] gesuggereerde beperkingen heeft overgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek hersteld en is de medische grondslag nu deugdelijk.

5. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft met inachtneming van de aangepaste FML de functies van machinaal metaalbewerker, productiemedewerker industrie en medewerker tuinbouw geschikt bevonden voor eiseres. Met betrekking tot de functie medewerker tuinbouw heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep toegelicht dat uit de nadere informatie van de arbeidsdeskundige analist blijkt dat er bij deze werkgever alleen gewerkt wordt met cyclamen en primula’s. Volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is niet vastgesteld dat eiseres hiervoor allergisch is en kan zij deze functie daarom dus wel uitoefenen.

6. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank in 3.2 overwogen dat de functie medewerker tuinbouw niet aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd vanwege de pollenallergie van eiseres. Dat oordeel was gebaseerd op de verklaring van verweerder ter zitting. Uit de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gegeven toelichting bij deze functie blijkt dit oordeel onjuist te zijn geweest. De rechtbank ziet daarom aanleiding terug te komen op dit oordeel. De rechtbank betrekt daarbij dat eiseres niet betwist dat zij niet allergisch is voor cyclamen en primula’s.

7. De conclusie is dat verweerder alsnog deugdelijk heeft gemotiveerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres minder dan 35% is. Hoewel het beroep vanwege het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek gegrond is en het bestreden besluit daarom moet worden vernietigd, brengt deze conclusie mee dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Dit betekent dat ook de beëindiging van de uitkering van eiseres per 4 oktober 2018 in stand blijft.

8. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht vergoeden.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.312,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor de zienswijze na de bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1) en voor de kosten van deskundige [naam] op € 2.609,91, in totaal dus op € 3.922,41.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.922,41.

Deze uitspraak is op 21 april 2020 gedaan door mr. M. Kraefft, rechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.