Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:2993

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-03-2020
Datum publicatie
23-04-2020
Zaaknummer
AWB - 17 _ 5720
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Meervoudige douanekamer. Het product heeft de uiterlijke verschijningsvorm van een trompet en is bedoeld voor baby’s van 3 maanden en ouder om in te bijten en ermee te rammelen. De rechtbank is van oordeel dat het product op grond van de objectieve kenmerken en eigenschappen, waaronder de functionaliteit, niet kwalificeert als een speelgoedmuziekinstrument als genoemd in GN-code 9503 0055. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 23-04-2020
FutD 2020-1402
NTFR 2020/1300
NLF 2020/1062 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 17/5720

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 maart 2020 in de zaak tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres

(gemachtigde: E. Stoker),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 24 juli 2017 een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) uitgereikt. Hierin is - voor zover van belang - een bedrag van € 923,60 aan douanerecht vermeld.

Eiseres heeft op 29 augustus 2017 bezwaar ingediend tegen de utb.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 17 november 2017 het bezwaar ongegrond verklaard en de utb gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2020 te Haarlem.

Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.F. van ’t Loo en R.I.M. Zee.

Overwegingen

Feiten

1. Op 2 februari 2017 heeft eiseres in eigen naam aangifte gedaan tot het brengen in het vrije verkeer van goederen. Als artikel 3 van de aangifte zijn goederen aangegeven die worden omschreven als “Speelgoed teeth n rattle trumpet van kunststof”. De vermelde goederencode is 9503 0055 90.

2. De fysieke controle heeft plaatsgevonden op 8 februari 2017. Daarbij zijn foto’s gemaakt van het product in de verpakking. In het formulier dat van de fysieke controle is opgemaakt staat onder “Bevindingen en waarnemingen” onder meer het volgende:

“Artikel 2- Teethe ’n Rattle Trumpet. Bijt en rammel trompet van kunststof. Geen geluid functie. Zie op de foto’s van 6 t/m 9. Totaal 2500 dozen, van elk 4 stuks inhoud.

Merk: Fisher Price

LVO: China

Kopie van alle relevante bescheiden bijgevoegd. Foto’s bijgevoegd.

Aangegeven Goederencode: 9503005590, dat lijkt me niet juist zijn (vooral artikel 2). Het is geen speelgoedmuziekinstrumenten maar wel een speelgoed van kunststof.”

3. Verweerder heeft naar aanleiding van deze controle de aangifte gewijzigd en voor artikel 3 (voor speelgoed teeth ’n rattle trumpet van kunststof) goederencode 9503 0095 90 opgenomen. Verweerder heeft vervolgens de utb uitgereikt waarbij voor artikel 3 een douanerecht van € 923,60 is vermeld.

Geschil
4. In geschil is de indeling van het product “teeth ’n rattle trumpet” (hierna: het product) in de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: GN).

5. Eiseres stelt dat het product moet worden ingedeeld als een speelgoedmuziekinstrument onder goederencode 9503 0055 90 omdat het product alle uiterlijke kenmerken van een trompet heeft. Dat op de trompet geen klanken geproduceerd kunnen worden, is niet doorslaggevend. Immers, uit de toelichting IDR op post 9503 volgt dat speelgoedinstrumenten in de regel, dus niet in alle gevallen, kunnen worden onderkend aan het kleiner rendement. Dit impliceert dat speelgoedmuziekinstrumenten ook kunnen worden onderkend aan andere factoren, zoals bijvoorbeeld geen of een ander rendement. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de utb.

6. Verweerder stelt dat het product geen speelgoedmuziekinstrument is en daarom moet worden ingedeeld als “ander speelgoed van kunststof” onder GN-post 9503 0095. Een voorwaarde om als muziekinstrument te worden aangemerkt is dat met het product verschillende klanken worden geproduceerd die moeten lijken op de klanken van een trompet, zij het dat het rendement van een speelgoedtrompet kleiner mag zijn. Daar is in dit geval geen sprake van. De knoppen en de blaastuut op het product bootsen uitsluitend het uiterlijk van een trompet na. Het enige geluid dat met het product kan worden geproduceerd is een rammelend geluid. Dit kan niet worden aangemerkt als muziek zodat geen sprake is van een muziekinstrument. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

7. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Toepasselijk recht

8. Post 9205 van de GN luidt – voor zover van belang – als volgt:

9205 Muziekinstrumenten waarbij de klanken worden voortgebracht door luchtstromen (bijvoorbeeld orgels met pijpen en klavier, accordeons, klarinetten, trompetten, doedelzakken), andere dan orchestrions en straatorgels: (…)

9. Aantekening IDR 1c op hoofdstuk 92 (“muziekinstrumenten; delen en toebehoren van muziekinstrumenten”) luidt - voor zover van belang - als volgt:

“Dit hoofdstuk omvat niet

c. instrumenten (…), die het karakter van speelgoed hebben (post 9503).”

10. De toelichting IDR op hoofdstuk 92 luidt – voor zover van belang – als volgt:

“Naast de uitzonderingen, opgenomen in de toelichtingen IDR op de onderscheiden posten van hoofdstuk 92, zijn van dit hoofdstuk eveneens uitgezonderd:

(…);

b. muziekinstrumenten en andere toestellen die, blijkens het materiaal waaruit zij zijn vervaardigd, de uitvoering, de klank en andere kenmerken, kennelijk het karakter dragen van speelgoed. Zulks kan onder meer het geval zijn met mondharmonica’s, violen, accordeons, trompetten, trommels, muziekdozen en grammofoons (hoofdstuk 95);”

11. Post 9503 van de GN luidt – voor zover van belang – als volgt:

9503 00 Driewielers, autopeds, pedaalauto's en dergelijk speelgoed op wielen; poppenwagens; poppen; ander speelgoed; modellen op schaal en dergelijke modellen voor ontspanning, ook indien bewegend; puzzels van alle soorten

(…)

9503 00 55 – speelgoedmuziekinstrumenten en- apparaten

(…)

– ander

(…)

– – ander

9503 0095 – – – van kunststof

(…)

12. De toelichting IDR op post 9503 luidt – voor zover van belang – als volgt:

“Speelgoedartikelen die gebruiksartikelen voor volwassenen nabootsen, bijvoorbeeld (…) muziekinstrumenten, kunnen in de regel van genoemde gebruiksartikelen worden onderkend aan de aard van de gebruikte grondstoffen, aan de minder fijne afwerking, aan de geringe afmetingen (aangepast aan de grootte van het kind) en aan het kleiner rendement, zodat zij niet kunnen worden gebruikt voor het normale werk van volwassenen.”

Beoordeling van het geschil

13. Voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de postonderverdelingen, de aantekeningen op de afdelingen en op de hoofdstukken en de algemene indelingsregels. Het is vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ), dat in het belang van de rechtszekerheid en van een gemakkelijke controle, het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in het algemeen moet worden gezocht in hun objectieve kenmerken en eigenschappen, zoals deze in de tekst van de GN-posten en in de aantekeningen op de afdelingen en de hoofdstukken zijn omschreven. Hierbij vormen de GS- en de GN-toelichtingen nuttige aanwijzingen voor de tariefindeling, ook al zijn deze toelichtingen slechts uitleggingen en rechtens niet bindend (zie recent HvJ 26 april 2017, C-51/16 (Stryker EMEA Supply Chain Services BV), r.o. 39 en 45).

14. Tussen partijen is niet in geschil dat het product de volgende objectieve kenmerken en eigenschappen heeft. Het product is van kunststof en heeft de uiterlijke verschijningsvorm van een trompet. Aan de onderzijde bevindt zich een handvat en aan de bovenzijde bevinden zich drie knoppen. Deze knoppen hebben geen geluidfunctie. Aan het ene uiteinde zit een dichte blaastuut en aan het andere uiteinde zit een doorzichtige halfronde kunststof kap waarin zich drie balletjes bevinden in de kleuren blauw, oranje en groen. Als het product heen en weer wordt geschud gaan de balletjes heen en weer die hierbij een rammelend geluid produceren.

15. Uit de bewoordingen “speelgoedmuziekinstrumenten en- apparaten” van

GN-code 9503 0055 en uit aantekening 1c op hoofdstuk 92 (“muziekinstrumenten; delen en toebehoren van muziekinstrumenten) volgt dat onder speelgoedmuziekinstrumenten dient te worden verstaan: muziekinstrumenten die het karakter hebben van speelgoed. Muziekinstrumenten, zoals een trompet, worden in GS-post 9205 omschreven als “muziekinstrumenten waarbij de klanken worden voortgebracht door luchtstromen”. De rechtbank is van oordeel dat voor kwalificatie als speelgoedmuziekinstrument vereist is dat een product klanken voortbrengt, door middel van luchtstromen die lijken op de klanken van een echte trompet, zij het dat het rendement van een speelgoedtrompet kleiner mag zijn. Als gevolg van het gebruik van andere materialen en andere uitvoering zullen de klanken van een speelgoedtrompet immers anders klinken dan die van een echte trompet. Uit de objectieve kenmerken en eigenschappen van het product volgt echter dat het niet mogelijk is om lucht door het product te blazen en dat met het product alleen een rammelend geluid kan worden geproduceerd door het heen en weer te schudden, zodat geen sprake is van een nabootsing van een trompet voor een volwassene. De rechtbank ziet steun voor haar oordeel in de toelichting IDR op post 9503, waarin wordt beschreven dat een speelgoedartikelen die muziekinstrumenten voor volwassenen nabootsen, in de regel van die instrumenten mogen verschillen op het gebied van materiaal, uitvoering, afmetingen en rendement (klank). Daarnaast acht de rechtbank ook van belang dat niet in geschil is dat het product is bedoeld voor baby’s van drie maanden en ouder om erin te bijten en ermee te rammelen en niet om lucht erdoor te blazen, zodat het product ook op grond van de functionele eigenschappen niet kwalificeert als speelgoedmuziekinstrument.

16. De stelling van eiseres dat het product moet worden ingedeeld als speelgoedmuziekinstrument onder goederencode 9503 0055 90, reeds omdat het product alle uiterlijke kenmerken heeft van een speelgoedtrompet en de gemiddelde Nederlander zal vinden dat het product een speelgoedtrompet is, kan niet slagen. Zoals volgt uit de hiervoor onder rechtsoverweging 13 weergegeven vaste jurisprudentie, dient het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen niet alleen te worden gezocht in de objectieve (uiterlijke) kenmerken, maar ook in de (functionele) eigenschappen. Zoals hiervoor is overwogen, kwalificeert het product op grond van de objectieve kenmerken en eigenschappen waaronder de functionaliteit, niet als een speelgoedmuziekinstrument.

17. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht het product heeft ingedeeld onder goederencode 9503 0095 90 “ander speelgoed van kunststof”.

18. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.C. Schipper, voorzitter, en mr. P.H. Lauryssen en mr.drs. C.M. van Wechem, leden, in aanwezigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2020.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (douanekamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.