Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:2822

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-04-2020
Datum publicatie
08-05-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3349
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de aanslag op de juiste wijze berekend. Ook de verzuimboete is terecht opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 11-05-2020
V-N Vandaag 2020/1250
FutD 2020-1527
NTFR 2020/1569
V-N 2020/39.18.13
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/3349

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2020 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 20 februari 2019 voor het jaar 2017 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.949. Daarnaast is in hetzelfde geschrift bij beschikkingen belastingrente in rekening gebracht tot een bedrag van € 14 en een verzuimboete opgelegd van € 5.278.

Verweerder heeft op 26 februari 2019 een bezwaarschrift ontvangen.

Verweerder heeft op 12 juni 2019 een ingebrekestelling ontvangen.

Verweerder heeft bij beslissing van 13 juni 2019 het verzoek om een dwangsom afgewezen.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 17 juni 2019 de aanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd en de boete verminderd naar € 369.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft op 7 augustus 2019, op 20 september 2019, op 12 december 2019 en op 6 maart 2020 nadere stukken van eiser en op 9 maart nadere stukken van verweerder ontvangen. De stukken zijn telkens in afschrift verzonden aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2020 te Haarlem.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H. van Wier.

Overwegingen

Feiten

1. Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 28 februari 2018 een uitnodiging voor het doen van aangifte ib/pvv 2017 toegezonden.

2. Verweerder heeft eiser met dagtekening 5 juni 2018 een herinneringsbrief en met dagtekening 5 juli 2018 een aanmaning toegezonden. In de aanmaningsbrief is eiser te kennen gegeven dat de aangifte ib/pvv 2017 uiterlijk 19 juli 2018 bij verweerder binnen moet zijn.

3. Omdat verweerder op genoemde datum geen aangifte had ontvangen, heeft verweerder de aanslag ib/pvv 2017 met dagtekening 20 februari 2019 ambtshalve vastgesteld.

Geschil
4. In geschil is of verweerder terecht en tot het juiste bedrag een verzuimboete heeft opgelegd en of het te betalen bedrag juist is berekend.

5. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de stukken van het geding.

Beoordeling van het geschil

6. Verweerder heeft aan eiser een verzuimboete opgelegd wegens het niet tijdig doen van aangifte. Daarvoor is vereist dat verweerder eerst een uitnodiging en vervolgens een aanmaning stuurt met een laatste termijn om aangifte te doen (artikel 9 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR)). Indien de aangifte niet binnen die laatste termijn is gedaan, kan verweerder op grond van artikel 67a, eerste lid, van de AWR een boete opleggen van maximaal € 5.278. Het is niet mogelijk verweerder een vergelijkbare boete op te leggen.

7. Verweerder heeft gesteld dat aan eiser een aangiftebiljet, een herinneringsbrief en een aanmaning zijn toegezonden. Eiser heeft niet betwist deze stukken te hebben ontvangen. Eiser heeft ook niet betwist dat hij geen aangifte over 2017 heeft ingediend. Verweerder heeft daarom een boete mogen opleggen. De rechtbank acht de boete, na matiging in bezwaar tot € 369, passend en geboden.

8. In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder berekend dat eiser een bedrag van € 4.909 te ontvangen heeft. De stelling van eiser dat deze berekening niet klopt is niet juist. De rechtbank licht dit als volgt toe.

Verweerder is bij het vaststellen van de aanslag uitgegaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.949. Daarover is eiser € 18.172 ib/pvv verschuldigd. Omdat al een bedrag van € 17.680 aan loonheffing is ingehouden, moet eiser nog € 492 betalen.

Omdat er nog een bedrag van € 492 te betalen is, moet eiser daarover € 14 belastingrente betalen (artikel 30fc van de AWR).

Bij het vaststellen van de aanslag heeft verweerder een boete vastgesteld van € 5.278. Per saldo diende eiser toen te betalen: € 492 + € 14 + € 5278 = € 5.784. Dat bedrag staat ook vermeld op de aanslag onder ‘Te betalen’.

De boete is bij uitspraak op bezwaar verminderd tot € 369.

Eiser moet na uitspraak op bezwaar dus op de aanslag betalen: € 492 + € 14 + € 369 = € 875. Dat bedrag staat ook vermeld op de uitspraak op bezwaar onder ‘saldo’.

Omdat eiser oorspronkelijk € 5.784 en op grond van de uitspraak op bezwaar € 875 te betalen heeft, staat het verschil tussen deze bedragen (€ 4.909) op de uitspraak op bezwaar vermeld als ‘Te ontvangen of te verrekenen’. Dit laatste bedrag behoeft eiser op grond van de aanslag ib/pvv 2017 dus niet te betalen.

9. Of eiser een bedrag te betalen of te ontvangen heeft wordt overigens per aanslag vastgesteld. Het is mogelijk dat er nog andere aanslagen zijn waarop een bedrag moet worden betaald of zal worden ontvangen. Eiser dient zich voor de vraag of er per saldo nog een bedrag te betalen of te ontvangen openstaat tot de ontvanger van de Belastingdienst te wenden.

10. Voor vragen over toeslagen dient eiser zich tot de Belastingdienst/Toeslagen te wenden.

11. Eiser heeft in zijn beroepschrift de rechtbank verzocht om mevrouw [A] , werkzaam bij de Belastingdienst, en betrokken bij de behandeling van het bezwaar, op te roepen als getuige. In de uitnodigingsbrief voor de zitting is eiser erop gewezen dat hij zelf getuigen dient op te roepen en dat hij de rechtbank en de wederpartij uiterlijk tien dagen voor de zitting daarvan schriftelijk op de hoogte moet stellen. De rechtbank stelt vast dat mevrouw [A] niet door eiser is opgeroepen en ook niet ter zitting is verschenen. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf tot oproeping van mevrouw [A] over te gaan. Aangezien eiser als toelichting op het verzoek slechts heeft gegeven dat hij een toelichting wenst te krijgen op de uitspraak op bezwaar en deze toelichting door verweerder in beroep is gegeven, is de rechtbank van oordeel dat het horen van deze getuige redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

12. Ten aanzien van eisers grief dat verweerder de aanslagen ib/pvv over de jaren 2008 tot en met 2012 opnieuw dient te beoordelen geldt dat de onderhavige procedure alleen betrekking heeft op de aanslag ib/pvv 2017 en aanslagen over andere jaren buiten het bereik van deze procedure vallen. Ten overvloede merkt de rechtbank in dit verband nog op dat niet aannemelijk is geworden dat verweerder heeft verzuimd aangiften of verzoeken tot ambtshalve vermindering van aanslagen over de jaren 2008 tot en met 2012 te behandelen.

13. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

14. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Koenis, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Anema, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 24 april 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.