Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:2809

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
15-04-2020
Datum publicatie
29-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2857
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De waarde van de certificaten zijn terecht in de rendementsgrondslag betrokken en de belastingheffing levert voor de belastingplichtige geen individuele en buitensporige last op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 29-04-2020
V-N Vandaag 2020/1163
FutD 2020-1374
FutD 2020-1373
V-N 2020/28.32.4
NTFR 2020/1425
NLF 2020/1091 met annotatie van -
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/2857

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2020 in de zaak tussen

[X] , te [Z] , eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Met dagtekening 20 juni 2018 heeft verweerder aan eiser een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2017 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.091 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.341.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Verweerder heeft het bezwaar gesplitst in een deel dat betrekking heeft op de rechtsvraag waarvoor in het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 7 juli 2018, nr. 2018-12775, Stcrt. 2018, 39781 een aanwijzing massaal bezwaar is gegeven en een deel waarop bij individuele uitspraak als bedoeld in artikel 25f, eerste lid, aanhef en letter a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, moet worden beslist. Bij uitspraak op bezwaar van 14 mei 2019 heeft verweerder het laatstgenoemde deel van het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2020 te Haarlem.

Eiser is verschenen, tot bijstand vergezeld door [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.A. Entrop en mr. J.H. van Wier.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser en zijn echtgenote, [A] , hebben in totaal € 67.808,72 geïnvesteerd in twee vastgoedfondsen. Deze fondsen zijn op enig moment samengevoegd in het fonds [B] N.V. Eiser en zijn echtgenote houden 6.828 certificaten van aandelen in deze rechtspersoon. In de jaaropgave 2016 van vermogensbeheerder [C] wordt de waarde van deze certificaten aan het eind van dat jaar vastgesteld op 6.828 x € 2,09 = € 14.270,52. In de (vooraf ingevulde) aangifte van eiser zijn de certificaten opgenomen voor een waarde van € 14.271. Die waarde heeft verweerder aangehouden in de aanslag.

Geschil
2. Het geschil valt uiteen in de volgende geschilpunten:

  1. Zijn de certificaten terecht naar een waarde van (afgerond) € 14.271 betrokken in de rendementsgrondslag ter bepaling van het voordeel uit sparen en beleggen?

  2. Levert de belastingheffing ter zake van de certificaten voor eiser een individuele en buitensporige last op?

  3. Heeft verweerder in strijd gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en zo ja, welke gevolgen moet dat hebben voor de aanslag?

Beoordeling van het geschil

Waarde van de certificaten

3. In beroep betoogt eiser dat de in de aanslag gehanteerde waarde van de certificaten (€ 14.271) alleen op papier bestond. Hij wist op 1 januari 2017 al dat daar niets van over zou blijven. Volgens eiser is het fonds waardeloos en behoort er geen belasting over te worden geheven. In dit verband stelt hij dat de waarde van de certificaten jaarlijks slinkt, dat het fonds door de AFM “op slot is gezet”, dat de certificaten daardoor niet meer kunnen en mogen worden verkocht, dat het fonds geen dividenden uitkeert, dat eiser als certificaathouder geen stemrecht heeft en dat ter zake van het fonds kosten in rekening worden gebracht. Volgens eiser bestaat de verwachting dat het fonds in de loop van 2020 zijn laatste bezittingen met verlies zal verkopen.

4. Verweerder houdt vast aan de waarde van € 14.271. Hij veronderstelt dat de waardering in het economische verkeer, zoals die blijkt uit de jaaropgave van [C] , op een juiste wijze heeft plaatsgevonden en dat de uitkomst daarvan niet onjuist is. Uit de jaarrekening 2018 van [B] N.V., die door eiser is overgelegd, leidt verweerder af dat het vermogen van het fonds op 1 januari 2017 positief moet zijn geweest. Dat de certificaten niet of beperkt verhandelbaar zijn, betekent niet dat de waarde op nihil dient te worden gesteld. Verweerder betwist dat de verhandelbaarheid van de certificaten per definitie is uitgesloten. Wel is het zo dat [B] N.V. een closed end fonds is. Dit betekent dat de certificaten niet kunnen worden ingekocht door het fonds zelf. Ook begrijpt verweerder dat de certificaten moeilijk verkoopbaar zijn.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de certificaten terecht voor een waarde van € 14.271 in aanmerking heeft genomen in box 3. Op grond van artikel 5.2, eerste lid, van de Wet IB 2001 gelezen in verbinding met artikel 5.19, eerste lid, van de Wet IB 2001, moeten de certificaten in dit geval in aanmerking worden genomen naar hun waarde in het economische verkeer op 1 januari 2017. Met de jaaropgave heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat die waarde op dat moment € 14.271 bedroeg. De rechtbank gaat ervan uit dat de waardedalingen van het vastgoed, de slechte resultaten van het fonds en de daaruit voortvloeiende beperkingen om dividend uit te keren al in de waarde verdisconteerd zijn. Met waardeontwikkelingen na de peildatum (in dit geval 1 januari 2017) mag in de aanslag voor het jaar 2017 geen rekening worden gehouden. Dat de AFM de overdraagbaarheid van de certificaten aan anderen dan het fonds zelf heeft beperkt, acht de rechtbank niet aannemelijk, omdat daarvan uit de stukken van het geding niets blijkt. Omdat niets is vast komen te staan over de wijze waarop de AFM is opgetreden jegens [B] N.V., ziet de rechtbank geen aanleiding om op grond van dat optreden een waardedrukkend effect in aanmerking te nemen. De kosten ter zake van het fonds zijn evenmin voldoende onderbouwd om daarmee bij de waardering rekening te kunnen houden.

Individuele en buitensporige last

6. Eiser stelt dat hij een buitensporig groot deel van zijn vermogen heeft belegd in certificaten van (de rechtsvoorgangers van) [B] N.V. Het grote verlies dat eiser op de certificaten heeft geleden (en naar zijn verwachting nog zal lijden) en de beperkte verhandelbaarheid van de certificaten, maken de vermogensrendementsheffing ter zake van de certificaten in zijn ogen voor hem tot een individuele en buitensporige last. Eiser wijst voorts erop dat hij vrienden en familieleden heeft die over (veel) meer inkomen of vermogen beschikken dan hijzelf. Eiser werpt ten slotte de vraag op wie mag bepalen of hij voldoende vermogen heeft en doet een beroep op de medemenselijkheid van de rechtbank.

7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet als gevolg van de vermogensrendementsheffing is geconfronteerd met een individuele en buitensporige last, omdat eiser blijkens zijn aangifte over voldoende inkomen en vermogen beschikt om aan zijn verplichtingen te voldoen.

8. De rechtbank stelt voorop dat aanslagen in overeenstemming met de belastingwet moeten worden vastgesteld, zoals verweerder in deze zaak ook heeft gedaan. De belastingwet bepaalt dus wie voldoende vermogen heeft om te worden onderworpen aan de vermogensrendementsheffing. Wel moet in uitzonderlijke gevallen van een strikte toepassing van de belastingwet worden afgeweken, indien de belastingheffing voor de belastingplichtige een individuele en buitensporige last oplevert. Daarvoor is nodig dat deze last zich in zijn geval sterker laat voelen dan in het algemeen. Bij de beoordeling daarvan moeten de gevolgen van de vermogensrendementsheffing worden bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van de betrokkene. Daarbij is het inkomen uit werk en woning en uit aanmerkelijk belang een belangrijk aanknopingspunt (HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:511, r.o. 3.2 en HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816, r.o. 2.4.4).

9. De rechtbank ziet in dat eiser zwaar is getroffen door vermogensverliezen en dat dit hem zorgen baart voor de toekomst. Dat is echter onvoldoende om in zijn geval te kunnen spreken van een individuele en buitensporige last. Blijkens de aangifte 2017 en de aanslag voor dat jaar beschikte eiser samen met zijn echtgenote op 1 januari 2017 naast de certificaten over box 3-bezittingen ter waarde van € 154.159. Het inkomen uit werk en woning van eiser bedroeg in 2017 € 19.091. In de gehele financiële situatie van eiser vormt de vermogensrendementsheffing ter zake van de certificaten (zonder rekening te houden met het heffingvrije vermogen: € 14.271 * 4% * 30% = € 171) daarom slechts een relatief beperkte last. Daarbij merkt de rechtbank op dat in de vermogensrendementsheffing al tot op zekere hoogte rekening wordt gehouden met de vermogensverliezen die eiser heeft geleden, doordat de certificaten niet naar hun oorspronkelijke kostprijs, maar naar hun waarde in het economische verkeer op de peildatum in aanmerking worden genomen. Het feit dat eiser vrienden en familieleden heeft die over (veel) meer inkomen of vermogen beschikken dan hijzelf, maakt het voorgaande niet anders. Om te bepalen of een last voor iemand buitensporig te noemen is, moet namelijk niet worden vergeleken met personen in zijn naaste omgeving, maar moet worden onderzocht of deze last zich in zijn geval sterker laat voelen dan in het algemeen.

Handelwijze van verweerder

10. Eiser beklaagt zich over het handelen van verweerder in de bezwaarprocedure. Naar zijn mening wordt niet inhoudelijk ingegaan op zijn bezwaren en klachten. Brieven zijn een kwestie van knip- en plakwerk. Medewerkers houden elkaar de hand boven het hoofd.

11. Verweerder wijst erop dat deze punten al zijn behandeld in een klachtprocedure die eiser aanhangig heeft gemaakt bij de Belastingdienst. Die procedure kan worden voortgezet bij de Ombudsman. Hij erkent dat in brieven gebruik wordt gemaakt van standaardteksten. Hij ziet in de gang van zaken evenwel niets dat de juistheid van de aanslag, die in deze zaak ter beoordeling voorligt, raakt.

12. De rechtbank vat het betoog van eiser op als een beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Nog daargelaten of een schending van die beginselen in deze zaak tot enig rechtsgevolg zou leiden, constateert de rechtbank in deze zaak niet zo’n schending. Verweerder heeft de situatie van eiser voldoende onderzocht en hij heeft zijn beslissing over de certificaten toereikend onderbouwd in de uitspraak op bezwaar. Dat daarbij op sommige punten is gebruikgemaakt van standaardteksten, maakt niet dat onvoldoende inzicht is gegeven in de wijze waarop de beslissing in het individuele geval van eiser tot stand is gekomen. Nu de uitspraak op bezwaar blijk geeft van een voldoende nauwgezette heroverweging van de aanslag, kan het feit dat de bezwaarbehandelaar de beslissing van de aanslagregelaar heeft bevestigd, niet worden aangemerkt als onzorgvuldige besluitvorming. Om deze redenen faalt het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.

Slotsom

13. Gelet op hetgeen hiervoor in de punten 5, 9 en 12 is overwogen, falen de beroepsgronden van eiser. Het beroep moet daarom ongegrond worden verklaard.

Proceskosten

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Maas, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Marinus, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 15 april 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.