Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:2784

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-04-2020
Datum publicatie
15-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3666
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 2:1B, eerste lid, CAR-UWO. Dienstbelang voor ontheffing uit de functie van integraal toezichthouder en plaatsing in de functie van toezichthouder C voldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/3666

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 april 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Lange),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn, verweerder

(gemachtigde: mr. E.K. Christiaansen).

Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser per 1 mei 2019 ontheven van zijn functie als [functie 1] en geplaatst in de functie van [functie 2] .

Bij besluit van 11 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2020. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren namens verweerder aanwezig [naam 1] (Teammanager Veiligheid en Toezicht) en [naam 2] (Teamcoördinator Veiligheid en Toezicht).

Overwegingen

1. Eiser is sinds 24 februari 2000 in dienst bij de gemeente Hoorn, aanvankelijk als [functie 3] en met ingang van 1 mei 2001 als [functie 4] . Bij besluit van 13 maart 2008 is deze functie ingepast in het functieprofiel van [functie 2] . Nadat de functie van [functie 4] per 12 augustus 2008 was komen te vervallen, is eiser bij besluit van 23 december 2008 met ingang van 1 januari 2009 benoemd in de functie van [functie 1] . Deze functie is met ingang van 12 augustus 2008 ingepast in het functieprofiel [functie 5] . Vast staat dat deze functie sindsdien door een uitgebreider en complexer takenpakket zwaarder van aard is geworden.

2. Aanvankelijk kreeg eiser steeds een voldoende beoordeling (laatstelijk op 6 november 2014), maar vanaf het eerste kwartaal van 2015 werden er – kort en zakelijk weergegeven – kritische kanttekeningen geplaatst bij eisers functioneren. Zo valt in het zogeheten Formulier geprekscyclus van 28 januari 2016 te lezen dat eiser niet voldoet aan de eisen voor de functie van [functie 1] . Eiser heeft – zo staat in dit formulier vermeld ‒ moeite met tactisch schakelen en het inleven in de ontvanger. Hij ondervindt stress waardoor hij zijn werk niet goed kan doen. Eisers functiecompetenties zijn vervolgens op 4 april 2016 als onvoldoende beoordeeld. Eiser heeft bij brief van 20 april 2016 kenbaar gemaakt het niet eens te zijn met de beoordeling. Een en ander is niet formeel afgehandeld, maar de bezwaren van eiser tegen zijn beoordeling zijn met hem besproken en toegevoegd aan voornoemd formulier.

3. Na voortgangsgesprekken in september en november 2016 is eiser op initiatief van verweerder op 24 november 2011 door het psychologisch expertisebureau [#] (hierna te noemen: [#] ) onderzocht. In het naar aanleiding daarvan opgemaakte rapport van 15 december 2016 wordt geconcludeerd dat eiser de functie van [functie 1] zou moeten kunnen uitoefenen, maar dat hij op grond van de gevonden persoonlijkheidsprofielen niet voldoet aan de geformuleerde functie-eisen, met name vanwege een verhoogde stressgevoeligheid die hem bovendien het zicht op het eigen functioneren kan ontnemen. Van eiser mag daarentegen worden verwacht dat hij tot een adequaat functioneren in de functie van [functie 2] in staat zal zijn, te meer daar hij in deze functie kan terugvallen op verworven kennis en ervaring. Nadat eiser met ingang van 1 februari 2017 tijdelijk voor een periode van drie maanden was belast met werkzaamheden als [functie 4] , is eiser opnieuw aan de slag gegaan als [functie 1] , dit onder coaching van zijn leidinggevende [naam 2] . Op 6 november 2017 is het psychodiagnostisch onderzoek herhaald. In het naar aanleiding hiervan opgemaakte rapport van 23 november 2017 wordt door [#] geconcludeerd dat er bij terugkeer in de functie van [functie 1] een verhoogd risico bestaat op de ontwikkeling van stress waardoor hij niet alleen het overzicht kan verliezen maar waarbij stress hem ook het zicht op het eigen functioneren kan ontnemen. Ook nu wordt vermeld dat van eiser in de functie van [functie 4] wel een adequaat functioneren kan worden verwacht.

4. Bij besluit van 6 februari 2018 is eiser voor de duur van een jaar met behoud van zijn functie tijdelijk overgeplaatst om zich – onder meer ‒ bezig te houden met het toezicht op parkeren. Met eiser is de afspraak gemaakt dat er na dit jaar een evaluatie zal plaatsvinden en dat zijn functioneren opnieuw zal worden besproken. Het tegen het besluit van 6 februari 2018 door eiser ingediende bezwaarschrift is bij besluit van 21 juni 2018 ongegrond verklaard. Hiertegen is geen beroep ingesteld.

5. Verweerder heeft eiser bij het primaire besluit op grond van artikel 2:1B, eerste lid, CAR-UWO met ingang van 1 mei 2019 definitief geplaatst in de functie van [functie 2] . Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser ‒ kort en zakelijk weergegeven ‒ niet voldoet aan de eisen die gesteld worden aan de functie van [functie 1] . Volgens verweerder dient te worden geconcludeerd dat in volstrekt onvoldoende mate sprake is geweest van de noodzakelijke ontwikkeling in functioneren en attitude teneinde eiser terug te kunnen plaatsen in die functie. Met name op het gebied van de communicatie schiet eiser tekort, aldus verweerder. Verweerder heeft erop gewezen dat deze conclusie wordt gedeeld door degenen die direct zicht hebben gehad op eisers functioneren. Verweerder acht de functie [functie 2] daarentegen wel passend, juist omdat de zwaardere elementen van de functie van [functie 1] daarvan geen onderdeel uitmaken. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de overplaatsing gehandhaafd onder verwijzing naar het advies van de Commissie Bezwaarschriften van 4 juni 2019.

6. Eiser kan zich met de overplaatsing niet verenigen. Daartoe voert hij in beroep aan dat verweerder niet of onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij structureel niet voldoende zou functioneren binnen zijn eigen functie en dat een overplaatsing vanuit het dienstbelang noodzakelijk zou zijn. Eiser herkent zichzelf niet in de negatieve beeldvorming die rond zijn functioneren is ontstaan. Verweerder heeft nagelaten om formele beoordelings- en functioneringsgesprekken te houden zodat voor verweerder een zwaardere zorg- en bewijsplicht geldt. Eiser is van mening dat de besluitvorming hieraan niet voldoet, aangezien een en ander is gebaseerd op doorgaans vrij algemeen gestelde, eenzijdige en subjectieve verslagen die in hoofdzaak eerst veel later retrospectief zijn opgesteld. Concrete voorbeelden van waarin hij tekortschiet ontbreken. Volgens eiser heeft hij onvoldoende verbeterkansen gekregen. Er zijn met hem wat ad-hoc gesprekken gevoerd, maar er is geen sprake geweest van een structurele begeleiding met een duidelijke gesprekscyclus. Met hem zijn geen stelselmatige afspraken gemaakt noch is er sprake geweest van concrete feedback. Daarnaast staat eiser op het standpunt dat de functie van [functie 2] voor hem niet passend is. Hij ervaart deze functie – die vooral gericht is op parkeercontrole – als geestdodend en onvoldoende uitdagend. Op de lange duur zou deze functie voor hem ziekmakend zijn, aldus eiser.

7. De rechtbank stelt vast dat de in geding zijnde overplaatsing is gebaseerd op artikel 2:1B, eerste lid, van de CAR-UWO. Op grond van dit artikel is de ambtenaar, indien het belang van de dienst dat vordert, verplicht een andere functie te aanvaarden dan die waarin hij is aangesteld, mits dit redelijk is in verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten.

8. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (zie de uitspraak van 30 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1258), bestaat een overplaatsing uit twee componenten, namelijk het ontheffen uit de eigen functie en het opdragen van een andere functie. De motivering van een overplaatsingsbesluit kan van uiteenlopende aard zijn, al naar gelang het accent valt op de wenselijkheid een ambtenaar uit zijn functie te ontheffen zoals hier het geval is, dan wel op de wenselijkheid de ambtenaar een andere betrekking te laten vervullen. In beide gevallen dient de nieuwe functie passend te zijn. Het besluit tot overplaatsing behoort tot de discretionaire bevoegdheid van verweerder en de bestuursrechter dient dat besluit terughoudend te toetsen. Als de reden voor een overplaatsing is gelegen in de ongeschiktheid van de ambtenaar voor de eigen functie, behoeft de feitelijke grondslag voor die overplaatsing niet te voldoen aan de eisen waaraan een ontslag om diezelfde reden moet voldoen. Het bestuursorgaan moet aannemelijk maken dat het functioneren van de ambtenaar tekortschiet en dat zijn belang om de ambtenaar te ontheffen, groter is dan het belang van de ambtenaar bij behoud van zijn functie. Indien geen acuut belang tot ontheffing aanwezig is, kan een juiste afweging van belangen meebrengen dat aan de ambtenaar eerst nog een verbeterkans wordt geboden.

9. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat eiser niet voldoet aan de eisen die worden gesteld aan de functie van [functie 1] en dat aan hem voldoende verbeterkansen zijn geboden. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de kritiek op zijn functioneren hem niet op een zorgvuldige en duidelijke wijze is voorgehouden. Dat een en ander niet vorm is gegeven middels een formeel beoordelingstraject, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Vast staat dat de kritische bevindingen over eisers functioneren vanaf begin 2016 steeds als een rode draad terugkeren in diverse (voortgangs)gesprekken tussen eiser en zijn leidinggevenden, zoals blijkt uit de verslagen die daarvan zijn opgemaakt. Niet is gebleken noch is aannemelijk gemaakt dat de beoordelaars, gelet op hun functie en positie, niet objectief hebben gerapporteerd over eisers functioneren. Dat eiser het met de kritiek niet eens is geweest, maakt dat niet anders. Uit de diverse verslagen komt naar voren dat in de verschillende gesprekken ook steeds concreet op de tekortkomingen in verschillende competenties is ingegaan en dat zo nodig ook nieuwe afspraken met evaluatiemomenten zijn gemaakt om eiser in de gelegenheid te stellen zijn functioneren te verbeteren. Door verweerder is ter zitting gemotiveerd aangegeven dat eiser gedurende een lange periode is begeleid en is gecoached (met name door zijn leidinggevende [naam 2] ). Ook is eiser – voorafgaande aan de definitieve overplaatsing – tijdelijk geplaatst in de functie van [functie 4] en niet gezegd kan worden dat verweerder lichtvaardig of ongemotiveerd tot deze tijdelijke plaatsing heeft besloten. Verweerder heeft bij zijn besluitvorming daarnaast ook belang kunnen en mogen hechten aan de twee rapporten van [#] . Verweerder mag volgens vaste jurisprudentie in beginsel afgaan op de bevindingen van een onafhankelijke en onpartijdige deskundige tenzij een tegenadvies wordt overgelegd van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is anders, indien het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder het niet of niet zonder meer aan zijn oordeel ten grondslag had mogen leggen. Daarvan is niet gebleken. De conclusies van [#] berusten op een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek en zijn overtuigend gemotiveerd, aan de hand van relevant psychologisch onderzoek en met kennisneming van de over eiser beschikbare informatie. Door of namens eiser is geen tegenadvies overgelegd. Met verweerder kan de rechtbank niet anders dan tot de conclusie komen dat het negatieve eindoordeel over eisers functioneren in de functie van [functie 1] op een voldoende feitelijke grondslag berust. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het dienstbelang bij ontheffing van eiser uit zijn functie zwaarder weegt dan het belang van eiser bij behoud van zijn functie. Een en ander overziend ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om zelf nog een onafhankelijke deskundige in te schakelen, zoals door eiser is verzocht.

10. Ten aanzien van de vraag of de functie van [functie 2] passend is overweegt de rechtbank dat als een passende functie is aan te merken een functie die de ambtenaar redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen. Niet gebleken is dat daarvan in het onderhavige geval geen sprake is. Eiser heeft deze werkzaamheden reeds eerder verricht en blijkens de uitkomsten van het psychodiagnostisch onderzoek moet hij voor deze functie geschikt worden geacht. De omstandigheid dat eiser de functie als een degradatie beschouwt en daarin weinig uitdaging ervaart, maakt niet dat de functie niet passend is en is geen reden om niet gebruik te maken van het in artikel 2.1B, eerste lid, van CAR-UWO gegeven instrument tot overplaatsing. Aldus moet worden geconcludeerd dat de functie waarin eiser is geplaatst voor eiser passend is.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.H.A.C. Everaerts, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.R.A. Horring, griffier.

Deze uitspraak is gedaan op 1 april 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.