Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:2766

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-04-2020
Datum publicatie
28-04-2020
Zaaknummer
8399988 \ AO VERZ 20-46
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek vernietiging ontslag op staande voet ingediend. In verband met coronamaatregelen slechts vordering ex artikel 223 Rv behandeld. Loonvordering na ontslag op staande voet toegewezen. Overige verzoeken afgewezen wegens ontbreken van (spoedeisend) belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0494
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8399988 \ AO VERZ 20-46

Uitspraakdatum: 10 april 2020

Beschikking op grond van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in de zaak van:

[werknemer]

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

verder te noemen: [werknemer]

gemachtigde: mr. S.R. Nahar

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Pantos Logistics Benelux B.V.,

gevestigd te Schiphol-Rijk

verwerende partij

verder te noemen: Pantos

gemachtigde: mr. A.G.P. van der Baan

1 Het procesverloop

1.1.

[werknemer] heeft een verzoek gedaan om het aan hem gegeven ontslag op staande voet te vernietigen met doorbetaling van loon en om aan hem – onder meer – de transitie- vergoeding en een billijke vergoeding toe te kennen. Gelijktijdig met dit verzoek heeft [werknemer] ook verzocht om op grond van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een voorlopige voorziening te treffen.

1.2.

Op 31 maart 2020 heeft een zitting plaatsgevonden. Omdat in verband met de uitbraak van het coronavirus momenteel alleen de urgente zaken door gaan, is op de zitting enkel het verzoek ex artikel 223 Rv behandeld. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Pantos heeft ook pleitaantekeningen overgelegd.

2 De feiten

2.1.

[werknemer] , geboren op [in 1989] , is op 10 september 2018 in dienst getreden bij Pantos op basis van een arbeidsovereenkomst van zeven maanden in de functie van Logistics Planner. De arbeidsovereenkomst is vervolgens met een jaar verlengd, zodat deze op 9 april 2020 van rechtswege eindigt. Laatstelijk ontving [werknemer] een salaris van € 2.650,00 bruto per maand exclusief vakantiegeld en overige emolumenten.

2.2.

Op donderdag 30 januari 2020 heeft [werknemer] zich ziek gemeld bij Pantos. Vervolgens heeft hij per e-mail aan Pantos geschreven: ‘(…) Below you can find my phone number, however I’m not able or in the mood to have any phone calls at this moment. (…) I really feel sick and im not obligated to have a conversation about it. I will be off today and tomorrow, and I will see on monday how I feel. (…)

2.3.

Op 31 januari 2020 is [werknemer] gebeld door [HR officer] , HR officer (hierna: [HR officer] ), met de mededeling dat er een bedrijfsarts bij hem thuis langs was geweest en dat was geconstateerd dat [werknemer] niet thuis was.

2.4.

Bij e-mail van 31 januari 2020 heeft Pantos aan [werknemer] aangezegd dat zijn arbeids- overeenkomst voor bepaalde tijd niet zal worden verlengd en aldus van rechtswege zal eindigen per 9 april 2020.

2.5.

Bij e-mail van 2 februari 2020 heeft [werknemer] onder meer aan [HR officer] geschreven:

(…) Ik had de twee ziektedagen (donderdag en vrijdag) en dit weekend ontzettend graag willen benutten om wat kracht en lichamelijke moed op te doen, in de hoop dat ik aankomende week weer aan de slag zou kunnen. Helaas heeft Pantos mij deze rust niet gegund door mij onder andere te benaderen middels een verzuimrapporteur aan mijn huisadres, mij meermaals per e-mail en telefoon proberen te bereiken en mij nota bene vlak voor het weekend slechtnieuws-berichten te versturen (…). (…) het bovenstaande mij alles behalve goed gedaan en heeft dit dan ook averechts gewerkt, na alles wat er bovendien de afgelopen periode al op het werk heeft afgespeeld. (…) ik mij niet in staat acht om mijn werkzaamheden uit te voeren en dat werkhervatting niet mogelijk is. Ik acht mij daarmee (nog steeds) ziek (…). Ik zou dan ook graag in contact komen met een bedrijfsarts (…). Verder wil ik Pantos met klem verzoeken om mij de rust te gunnen die voor mij nodig is om te herstellen en voor zover mogelijk alles verder via de bedrijfsarts te laten verlopen. (…)

2.6.

Op 12 februari 2020 heeft [werknemer] de bedrijfsarts bezocht.

2.7.

Op 28 februari 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [werknemer] en [HR officer] . Zij hebben onder meer besproken of [werknemer] zijn werkzaamheden kon overdragen.

2.8.

Per e-mail van 2 maart 2020 heeft [werknemer] aan [HR officer] meegedeeld dat hij, ondanks zijn arbeidsongeschikt, bereid is een bijdrage te leveren aan het overdragen van zijn werkzaamheden, onder de voorwaarde dat rekening wordt gehouden met zijn situatie en beperkingen.

2.9.

[HR officer] heeft per e-mail van 2 maart 2020 om 14:30 uur het volgende aan [werknemer] geschreven: ‘(…) Ondanks dat je denkt dat je nog arbeidsongeschikt bent, geeft de bedrijfsarts duidelijk aan dat dit gaat om een arbeidsconflict. Wij gaan je daarom ook per 3 maart 2020 beter melden. Op dit moment heb je de volgende opties:

- Je komt morgen, 3 maart 2020, weer werken, en zal zorgdragen voor een juiste handover van je werk tot het einde van je contract.

- Je komt morgen niet werken, wij zullen dit zien als werk weigering en zullen dan per direct het loon opschorten. Eventuele andere consequenties zullen voor jou zijn.

- Wij zullen een vaststellingsovereenkomst opmaken met wederzijds goedvinden met 1 maart 2020 als datum uit dienst.

Ik verwacht uiterlijk vandaag om 17:00 een antwoord terug. (…)

2.10.

Bij e-mail van 2 maart 2020 om 16:15 uur geeft een jurist van het Juridisch Loket, tevens de vriendin van [werknemer] , namens [werknemer] aan dat hij noodgedwongen kiest voor de optie van de vaststellingsovereenkomst. Zij verzoekt [HR officer] de vaststellingsovereenkomst aan haar te sturen.

2.11.

Op 4 maart 2020 heeft een telefonisch gesprek plaatsgevonden tussen [HR manager] , HR manager (hierna: [HR manager] ), en het Juridisch loket. Daarin heeft [HR manager] aangegeven dat [werknemer] hersteld is gemeld en dat hij twee opties heeft: (i) morgen komen werken, of (ii) morgen niet komen werken, met alle gevolgen van dien.

2.12.

Op 5 maart 2020 heeft [werknemer] zich wederom ziek gemeld bij Pantos. In een e-mail van die datum heeft hij aan Pantos meegedeeld: ‘(…) Ik heb mij helaas opnieuw ziek moeten melden, mede door de meest recente ontwikkelingen van afgelopen dagen. Deze ontwikkelingen hebben mijn herstel alles behalve goed gedaan. (…)

2.13.

Bij e-mail van 5 maart 2020 heeft [HR officer] aan [werknemer] het volgende geschreven: ‘(…) Tot onze verbazing ontvingen wij vandaag (5 maart 2020) een e-mail van jou waarin jij aangeeft je weer ziek te willen melden omdat deze “ontwikkelingen” jouw herstel geen goed hebben gedaan. Ik moet je hierbij mededelen dat wij deze ziekmeldingen niet accepteren. De bedrijfsarts heeft al eerder aangegeven dat dit een ziekmelding betreft vanwege een arbeidsconflict en dat jij vanaf 2 maart 2020 weer beschikbaar zou moeten zijn voor werk. (…) vanaf morgen (6 maart 2020) jouw salaris zullen staken (…).

2.14.

Omdat Pantos de nieuwe ziekmelding van [werknemer] niet accepteert, heeft [werknemer] op 9 maart 2020 verzocht om een afspraak bij de bedrijfsarts.

2.15.

Daarop heeft [HR manager] per e-mail van 10 maart 2020 gereageerd: ‘(…) Arbeids conflicten horen niet bij de bedrijfsarts. Ik meld ook u via deze email dat wij geen salaris gaan betalen voor de periode van maart. Daarnaast kunt u ook niet eisen dat uw ziek gemeld wordt nadat wij hebben gevraagd om op kantoor te komen de volgende dag. U bent per 01/03/3030 officieel uitdienst. (…) Onthou, dit is nu niet meer ter discussie. U bent officieel niet meer indient bij Pantos. (…)

2.16.

Op 16 maart 2020 heeft [werknemer] nogmaals aangegeven dat hij arbeidsongeschikt is en heeft hij verzocht om een afspraak bij de bedrijfsarts. Tevens heeft hij de eerdere rapportage van de bedrijfsarts opgevraagd.

2.17.

Op 16 maart 2020 heeft [HR manager] het rapport van de bedrijfsarts van 13 februari 2020 aan de gemachtigde van [werknemer] verstuurd en heeft in de begeleidende e-mail verder het volgende geschreven: ‘(…) Na dit rapport verwacht ik dat u ons niet meer contacteert of u gaat een verzoek indienen bij de kantonrechter. Uw cliënt werkte niet mee aan zin re-integratie (…). (…) heeft zichzelf op nieuw proberen ziek te melden (…). Uw cliënt staat niet meer op onze payroll , dus hij kan ook geen salaris meer ontvangen. (…)

2.18.

Vervolgens heeft [werknemer] een deskundigenoordeel bij het UWV gevraagd.

2.19.

Uit de rapportage van 13 februari 2020 blijkt dat de bedrijfsarts van oordeel was dat er bij [werknemer] sprake is van onduidelijkheid en onvrede over werkgerelateerde zaken, hetgeen niet medisch is, maar waardoor er belemmeringen zijn om de werkzaamheden te hervatten. De bedrijfsarts adviseert dat [werknemer] en Pantos hierover in gesprek gaan, eventueel onder begeleiding van een externe bemiddelaar. Verder schrijft de bedrijfsarts dat [werknemer] vanwege de ervaren spanningen een time-out van twee weken krijgt en dat Pantos [werknemer] kan benaderen voor het maken van een afspraak over twee weken. Hij sluit zijn advies af met: ‘Na het gesprek kan werknemer weer gaan hervatten’.

3 Het verzoek

3.1.

[werknemer] verzoekt – na vermindering van het verzoek ter zitting – de kantonrechter om Pantos bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om bij wijze van een voorlopige voorziening aan [werknemer] te betalen:

I. het verschuldigde maandloon van € 2.650,00 bruto, vermeerderd met alle emolumenten,

vanaf 1 maart 2020 tot 10 april 2020;

II. het vakantiegeld van € 2.223,00 bruto over de periode van 1 mei 2019 tot 10 april 2020;

III. het openstaande saldo aan opgebouwde, maar niet-genoten vakantie-uren;

IV. de transitievergoeding van € 1.511,00 bruto, binnen een maand nadat de arbeidsovereen- komst van rechtswege is geëindigd;

V. een billijke vergoeding ter hoogte van een bedrag dat de kantonrechter in goede justitie

meent te behoren te bepalen;

VI. de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van

de hiervoor genoemde bedragen tot aan de dag der algehele voldoening;

VII. de kosten van het deskundigenoordeel van het UWV van € 100,00 netto;

VIII. de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van de in deze te wijzen beschikking;

en om aan [werknemer] te verstrekken:

IX. schriftelijke en deugdelijke bruto/netto specificaties, op straffe van een dwangsom.

3.2.

Aan dit verzoek legt [werknemer] ten grondslag – kort weergegeven – dat geen sprake is van een rechtsgeldige opzegging van de arbeidsovereenkomst. Kennelijk stelt Pantos zich per e-mail van 10 maart 2020 op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst per 1 maart 2020 is beëindigd. Deze e-mail dient te worden gekwalificeerd als een opzegging ex artikel 7:677 BW. Een dringende reden voor ontslag op staande voet ontbreekt. Er is geen sprake van werkweigering, maar van arbeidsongeschiktheid.

[werknemer] heeft een spoedeisend belang bij zijn verzoek, nu hij voor het betalen van de kosten van zijn levensonderhoud, waaronder de hypotheek van zijn nieuwe woning, afhankelijk is van het loon van Pantos. Doordat [werknemer] recentelijk een nieuwe woning heeft gekocht, heeft hij nauwelijks financiële reserves.

4 Het verweer

4.1.

Pantos verweert zich tegen het verzoek. Zij voert – samengevat – als volgt aan. Aan [werknemer] is bij herhaling en uitdrukkelijk meegedeeld wat de gevolgen zouden zijn als hij niet op het werk zou verschijnen en zijn werk niet zou afmaken en overdragen. Desondanks heeft [werknemer] geweigerd dat te doen. [werknemer] toonde geen medewerking en wilde het liefst ziek uit dienst gaan. Na twee weken oplopende discussies tussen [werknemer] en Pantos heeft Pantos besloten dat het zo niet verder kon en heeft zij [werknemer] op 10 maart 2020 met terugwerkende kracht op staande voet ontslagen. Pantos verzoekt de kantonrechter dan ook om de verzoeken van [werknemer] af te wijzen, met veroordeling van [werknemer] in de proceskosten.

5 De beoordeling

5.1.

Op grond van artikel 223 Rv kan tijdens een aanhangig geding worden gevorderd dat de rechter een voorlopige voorziening treft voor de duur van het geding, indien deze vordering samenhangt met de hoofdvordering. Artikel 223 Rv is van overeenkomstige toepassing op een verzoekschriftprocedure als hier aan de orde (zie: HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR: 2014:3533). Het verzoek van [werknemer] hangt samen met de hoofdvordering, nu in de hoofdzaak – onder meer – is verzocht om het ontslag op staande voet te vernietigen.

5.2.

Voor toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening is vereist dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat het verzoek in de hoofdzaak zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in deze zaak geen plaats. Dat moet gebeuren in de hoofdzaak. De beoordeling in deze zaak is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

5.3.

Een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv kan alleen worden toegewezen als [werknemer] daarbij een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter oordeelt dat dit het geval is voor zover het verzoek van [werknemer] ziet op loondoorbetaling na het ontslag op staande voet. Een dergelijke vordering is naar zijn aard spoedeisend. Daarnaast is het niet de verwachting dat in de hoofdzaak op korte termijn uitspraak zal worden gedaan. Daarom zal op het verzoek genoemd onder 3.1.I. in deze beschikking eerst en vooraf wordt beslist.

5.4.

Ten aanzien van de overige verzoeken oordeelt de kantonrechter dat onvoldoende is gesteld of gebleken dat [werknemer] daarbij een spoedeisend belang heeft. Nog daargelaten dat [werknemer] ter onderbouwing van de spoedeisendheid slechts heeft gesteld dat hij voor de kosten van zijn levensonderhoud afhankelijk is van het loon van Pantos, heeft [werknemer] op het merendeel van hetgeen hij verzoekt pas na het einde van de arbeidsovereenkomst (nadat de eindafrekening is opgemaakt) aanspraak, hetgeen volgens [werknemer] per 10 april 2020 is. Daarbij komt dat [werknemer] in de hoofdzaak primair om vernietiging van het ontslag verzoekt, zodat de kantonrechter niet inziet welk (spoedeisend) belang [werknemer] heeft om aan hem bij wijze van voorlopige voorziening (een voorschot op) een billijke vergoeding toe te kennen. Gelet hierop worden de verzoeken zoals genoemd onder 3.1.II, III, IV, VII en IX afgewezen.

5.5.

Met betrekking tot de loonvordering (3.1.I) gaat het om de vraag of het ontslag op staande voet – naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter – al dan niet rechtsgeldig is. Pantos meent immers dat [werknemer] geen recht heeft op loon vanaf 1 maart 2020, omdat volgens haar per die datum de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Daarover wordt het volgende overwogen.

5.6.

Volgens artikel 7:677 lid 1 BW moet een ontslag op staande voet onverwijld worden gegeven, onder gelijktijdige mededeling van de dringende reden voor dat ontslag.

5.7.

Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is aan het onverwijldheidsvereiste niet voldaan. Pantos heeft de aan het ontslag op staande voet ten grondslag liggende reden niet onverwijld aan [werknemer] medegedeeld. Tussen partijen lijkt niet in geschil dat aan het ontslag op staande voet ten grondslag ligt dat volgens Pantos sprake is van werkweigering door [werknemer] vanaf 2 maart 2020. Pantos heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er een legitieme reden bestond voor het tijdsverloop tussen 2 maart 2020 en 10 maart 2020. Een ontslag op staande voet met terugwerkende kracht is – anders dan Pantos aanvoert – niet rechtsgeldig.

5.8.

Daarbij komt dat voorshands onvoldoende aannemelijk is geworden dat sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet. Als dringende reden in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW worden op grond van het bepaalde in artikel 7:678 lid 1 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Van het bestaan van een dergelijke reden is in onderhavig geval niet gebleken.

5.9.

Het standpunt van Pantos dat [werknemer] zich vanaf 2 maart 2020 schuldig heeft gemaakt aan werkweigering, volgt de kantonrechter niet. Alhoewel niet in geschil is dat [werknemer] vanaf 2 maart 2020 niet is komen werken, lag daaraan volgens [werknemer] ten grondslag dat hij ziek was. Dat [werknemer] en [HR officer] op 28 februari 2020 hadden afgesproken dat [werknemer] vanaf 2 maart 2020 weer zou komen werken, zoals Pantos aanvoert, volgt de kantonrechter niet. Immers blijkt uit de overgelegde e-mail- correspondentie dat [werknemer] , ondanks zijn aanbod om – rekening houdend met zijn situatie en beperkingen – zorg te komen dragen voor het overdragen van zijn werkzaam- heden, nog altijd ziek meende te zijn. Dat Pantos twijfelde aan de oprechtheid van de nieuwe ziekmelding van [werknemer] op 5 maart 2020, doet daaraan niet af. Pantos had bij die nieuwe ziekmelding opnieuw de bedrijfsarts moeten inschakelen. Temeer nu [werknemer] ook had aangegeven dat de omstandigheden die zich vanaf zijn ziekmelding van 30 januari 2020 hadden voorgedaan, hem geen goed hadden gedaan. Het is aan het oordeel van de bedrijfsarts om te bepalen of een werknemer al dan niet ziek is en niet aan de werkgever. Nu Pantos heeft verzuimd de bedrijfsarts opnieuw in te schakelen, kan niet worden vastgesteld dat [werknemer] zich schuldig heeft gemaakt aan werkweigering. Niet kan immers worden uitgesloten dat [werknemer] wél ziek was. De stelling van Pantos dat [werknemer] zich enkel had ziek gemeld omdat hij ziek uit dienst wilde, is door [werknemer] betwist en verder – ondanks dat uit de door [werknemer] overgelegde stukken blijkt dat zijn huisarts heeft geconstateerd dat sprake is van burn-outklachten en dat aan [werknemer] rustgevende medicatie is voorgeschreven – niet aannemelijk gemaakt.

5.10.

Gezien het voorgaande acht de kantonrechter het in voldoende mate waarschijnlijk dat in de hoofdzaak zal worden geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven en dat dit ontslag, naar het primaire verzoek van [werknemer] , zal worden vernietigd, zodat de arbeidsovereenkomst na 1 maart 2020 tot 10 april 2020 heeft voortgeduurd en [werknemer] over die periode recht heeft op loondoorbetaling.

5.11.

Voor zover Pantos verder heeft bedoeld zich op het standpunt te stellen dat zij – los van de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is – gerechtigd was de loonbetaling aan [werknemer] vanaf 1 maart 2020 te stoppen, volgt de kantonrechter dat niet. Een werkgever is bevoegd het loon van een werknemer op te schorten voor de tijd gedurende welke de werknemer zich niet houdt aan de door de werkgever schriftelijk gegeven redelijke voorschriften omtrent het verstrekken van de inlichtingen die de werkgever behoeft om het recht op loon vast te stellen, voor zover hij de werknemer daarvan onverwijld nadat bij hem het vermoeden van het bestaan daarvan is gerezen of redelijkerwijs had behoren te rijzen (artikel 7:629 lid 6 en 7 BW). Nog daargelaten dat Pantos niet consistent is geweest in de berichtgeving aan [werknemer] omtrent het inhouden van zijn loon (zij gebruikt de termen opschorten en staken door elkaar), waardoor [werknemer] in verwarring is gebracht, is niet gebleken dat [werknemer] zich niet hield aan voorschriften als bedoeld in artikel 7:629 lid 6 BW. Integendeel: [werknemer] heeft Pantos meermaals verzocht hem te laten oproepen bij de bedrijfsarts, hetgeen Pantos na 12 februari 2020 heeft nagelaten.

5.12.

Het voorgaande betekent dat het verzoek om een voorlopige voorziening met betrekking tot veroordeling van Pantos tot betaling van (een voorschot op het) loon zal worden toegewezen, zoals weergegeven in de hiernavolgende beslissing. Over het toe te wijzen loon zal de verzochte wettelijke rente worden toegewezen. De verzochte wettelijke verhoging is als niet bestreden ook toewijsbaar, in dit kort geding evenwel gematigd tot (een voorschot van) 10%.

5.13.

De proceskosten komen voor rekening van Pantos, omdat zij overwegend ongelijk krijgt. Daarbij wordt Pantos ook veroordeeld tot betaling van € 120,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [werknemer] worden gemaakt. De gevorderde rente over de proceskosten zal worden toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt Pantos tot betaling aan [werknemer] van (een voorschot op) het aan hem toekomende loon van 1 maart 2020 tot 10 april 2020, te vermeerderen met (een voorschot op) de wettelijke verhoging van 10%, en te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedoelde loon vanaf het tijdstip van opeisbaarheid;

6.2.

veroordeelt Pantos tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [werknemer] tot en met vandaag vaststelt op € 420,00, te weten salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

6.3.

veroordeelt Pantos tot betaling van € 120,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [werknemer] worden gemaakt;

6.4.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gewezen door mr. W. Aardenburg, kantonrechter en op 10 april 2020 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter