Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:2725

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4951
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser maakt niet aannemelijk dat de parkeerbelasting direct na het parkeren van het voertuig is betaald. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 15-04-2020
FutD 2020-1241
NTFR 2020/1185
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Noord-Holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/4951

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2020 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Zaanstad, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 28 augustus 2019 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2020.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Andries.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Op [...] 2019 om 19:31 uur, stond het voertuig met het kenteken [#] (de auto) geparkeerd op een parkeerplaats aan de Vinkenstraat in Zaandam. In de Vinkenstraat zijn parkeerplaatsen die van maandag tot en met zaterdag tussen 8:00 uur en 18:00 alleen mogen worden gebruikt voor laden en lossen en waarop buiten deze dagen en uren alleen tegen betaling kan worden geparkeerd.

2. Ter zake van het in 1 vermelde parkeren heeft verweerder eiser de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. In geschil is of dat terecht is.

3. Eiser stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd omdat hij bezig was een doos met spullen naar een nabijgelegen winkel te brengen en dus bezig was met lossen. Bovendien stond hij op een losplaats en hoefde hij dus helemaal geen parkeerbelasting te betalen, maar hij heeft, aldus nog steeds eiser, voor de zekerheid toch via ParkMobile betaald.

4. Verweerder heeft aangevoerd dat de auto na 18:00 uur stond geparkeerd op een parkeerplaats waar op dat tijdstip alleen tegen betaling kan worden geparkeerd. De parkeercontroleur constateerde dat geen parkeerbelasting was betaald en op dat moment ook geen laad- en losactiviteiten plaatsvonden.

5. Lossen is het direct nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring uitladen van goederen van enige omvang of gewicht gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Uit wat partijen over en weer hebben aangevoerd leidt de rechtbank af dat op het in 1 vermelde tijdstip geen parkeerbelasting was voldaan en ook geen sprake was van het lossen van goederen in vorenbedoelde zin. Dat, naar eiser ter zitting heeft aangevoerd, het naar de winkel brengen van de goederen hooguit tien minuten heeft geduurd, maakt dit niet anders.

6. Eiser heeft in geding een stuk ingebracht waaruit blijkt dat hij via ParkMobile € 1,92 parkeerbelasting heeft betaald voor parkeren van 19:35 uur tot 20:11 uur. Dit kan hem niet baten omdat parkeerbelasting direct na het parkeren van het voertuig moet worden voldaan en op het moment dat de naheffingsaanslag werd opgelegd voldoening nog niet had plaatsgevonden. De rechtbank neemt daar mede in aanmerking dat eiser ter zitting heeft verklaard dat hij ParkMobile inschakelde toen hij de auto van de parkeercontroleur zag wegrijden.

7. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en het beroep daarom ongegrond is.

8. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.