Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:2720

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-04-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
15/860260-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaart toelaatbaar het verzoek tot uitlevering aan Zwitserland in verband met strafvervolging ter zake van de verdenking van handel in verdovende middelen. De rechtbank verwerpt het verweer dat de uitleveringsprocedure nietig is, omdat in de huidige omstandigheden ten tijde van de coronacrisis, strikt genomen geen sprake is van een openbare procedure zoals vereist in artikel 25 van de Uitleveringswet. Verweren m.b.t. het vermoeden van schuld en (dreigende) schending van fundamentele rechten eveneens verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Uitlevering

Parketnummer: 15/860260-19

Registratienummer: 20/2

Zittingsdatum: 26 maart 2020

Uitspraakdatum: 9 april 2020

Uitspraak van de rechtbank Noord-Holland op de vordering van de officier van justitie, strekkende tot het in behandeling nemen van het verzoek tot uitlevering van

[opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Albanië,

thans in uitleveringsdetentie verblijvende in [detentieadres] ,

aan Zwitserland.

1 Voorvragen

De raadsman van de opgeëiste persoon, mr. E.G.S. Roethof, heeft ter zitting als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat de onderhavige uitleveringsprocedure nietig is, omdat in de huidige omstandigheden ten tijde van de coronacrisis, strikt genomen geen sprake is van een openbare procedure zoals vereist in artikel 25 van de Uitleveringswet.
Dit verweer slaagt niet.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het verhoor van de opgeëiste persoon in het openbaar plaatsgevonden. De opgeëiste persoon was aanwezig, bijgestaan door zijn raadsman. Tevens was een tolk aanwezig. Ook was het de pers toegestaan de zitting bij te wonen. Daarmee is het doel van de openbaarheid, te weten de controleerbaarheid, voldoende gewaarborgd. Dat de rechtbank in zijn algemeenheid heeft besloten, vanwege de coronacrisis, belangstellenden niet meer toe te laten tot het gerechtsgebouw heeft te maken met gewichtige redenen van volksgezondheid. Deze (beperkte) inbreuk op de openbaarheid acht de rechtbank niet in strijd met het bepaalde in artikel 25 van de Uitleveringswet. Immers, in het eerste lid van dit artikel is voorzien in de mogelijkheid van – gedeeltelijke – sluiting der deuren om gewichtige redenen zoals nu ook in deze zaak aan de orde.

2 De relevante schriftelijke stukken

2.1

Het verzoek tot uitlevering.

In het dossier bevindt zich het verzoek tot uitlevering van de hierboven aangeduide opgeëiste persoon, afkomstig van de Zwitserse autoriteiten, met als kenmerk B-19-4096-2 en, met tussenkomst van de Minister van Justitie en Veiligheid te Den Haag, ontvangen door het Openbaar Ministerie Noord-Holland.

Uitlevering wordt gevraagd ter fine van strafvervolging terzake van de strafbare feiten opgenomen in genoemd verzoek tot uitlevering gedateerd 30 december 2019, te weten – kort gezegd – handel in verdovende middelen.

Door de verzoekende staat zijn de volgende stukken overgelegd:

- een aanhoudingsbevel, afgegeven door Olivia Dilonardo, officier van justitie van de Republiek en het kanton van Geneve te Zwitserland d.d. 2 oktober 2019;

- een formulier ‘aanvullende informatie in verband met uitlevering’ d.d. 7 oktober 2019;

- een uiteenzetting van de feiten door de Zwitserse officier van justitie voornoemd
d.d. 14 januari 2020;

- een overzicht van de toepasselijke Zwitserse wetsbepalingen;
- een kopie van het personaliablad van de opgeëiste persoon, te weten een Albanees nationaal paspoort nummer [nummer] .

2.2

De overige stukken van het dossier.

Verder maken de volgende stukken deel uit van het dossier:

- het proces-verbaal, gedateerd 29 december 2019, van aanhouding door de Koninklijke Marechaussee;

- het bevel bewaring van de rechter-commissaris van 31 december 2019;

- de vordering van de officier van justitie zoals bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Uitleveringswet d.d. 22 januari 2020;

- de schriftelijke samenvatting van de opvatting van de officier van justitie, zoals bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de Uitleveringswet;

- de door de raadsman ter zitting van 26 maart 2020 overgelegde stukken.

3 De overwegingen

3.1

De identiteit van de opgeëiste persoon.

Op grond van hetgeen de opgeëiste persoon daarover ter zitting heeft verklaard, heeft de rechtbank vastgesteld dat hij [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Albanië) is, dat hij de Albanese nationaliteit bezit en dat hij degene is, van wie de uitlevering wordt verzocht.

3.2

Inhoud en grondslag van het verzoek
De uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht in verband met strafvervolging ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten waarvoor zijn aanhouding is gelast zoals omschreven in het hiervoor genoemde aanhoudingsbevel, te weten (kort gezegd) handel in verdovende middelen.

3.3

Het feitencomplex
Het schrijven van Olivia Dilonardo, officier van justitie van de Republiek en het kanton van Genève te Zwitserland van 14 januari 2020, vermeldt – samengevat – dat de opgeëiste persoon ervan wordt verdacht in de periode van 1 oktober 2017 tot en met 17 juli 2018, tezamen met anderen, de invoer naar Genève van meerdere kilo’s cocaïne en heroïne te hebben georganiseerd, dan wel hiertoe opdracht te hebben gegeven. Ook wordt hij ervan verdacht de ingevoerde drugs te hebben opgeslagen en doorverkocht in Genéve. Daarbij heeft deze officier van justitie, Dilonardo, concreet aangegeven dat de opgeëiste persoon ervan wordt verdacht:
- in oktober 2017 [medeverdachte 1] opdracht te hebben gegeven om naar het buitenland te gaan om verdovende middelen op te halen, waarschijnlijk heroïne, en die mee terug te nemen naar Genève en op te slaan;
- op 2 november 2017 [medeverdachte 1] opdracht te hebben gegeven 960 gram heroïne en 950 gram cocaïne op te halen in Milaan, Italië, en deze drugs in Genève te verpakken en op te slaan;
- op 15 november 2017 [medeverdachte 1] opdracht te hebben gegeven naar een Geneefse klant te gaan en hem 500 gram heroïne te overhandigen;

- in het eerste semester van 2018 te Genève een levering heroïne te hebben georganiseerd, bestemd voor [medeverdachte 2] ;

- in de periode van 5 juli 2018 tot en met 14 juli 2018, in samenwerking met [medeverdachte 3] , via
[medeverdachte 4] , de invoer naar Genève te hebben geregeld van 975,6 gram heroïne die op
14 juli 2018 aan [medeverdachte 2] moest worden overhandigd;
- op 13 juli 2018 [medeverdachte 4] opdracht te hebben gegeven om elders in Europa heroïne op te halen en deze mee terug te nemen naar Genève;

- op 17 juli 2018 in Genève een levering te hebben geregeld van 800 gram heroïne, bestemd voor [medeverdachte 2] , waarna deze is verpakt en op de Geneefse markt is gebracht.

3.4

De genoegzaamheid van de stukken.

De door de verzoekende staat overgelegde stukken voldoen aan de daaraan ingevolge het toepasselijk verdrag en de Uitleveringswet te stellen eisen. Met name is in het hiervoor genoemde verzoek om uitlevering van 30 december 2019 en de aanvulling daarop van
14 januari 2020 voldoende duidelijk omschreven ter zake van welke feiten de uitlevering wordt verzocht, met voldoende nauwkeurige aanduiding van plaats en tijd.
Bovendien is ter zitting, op verzoek van de raadsman, vastgesteld dat het dossier van de rechtbank een authentiek afschrift van het aanhoudingsbevel bevat.

Uit 3.1 tot en met 3.4 volgt dat is voldaan aan de in artikel 12 Europees Verdrag betreffende uitlevering (hierna: EUV) en artikel 18 van de Uitleveringswet.

3.5

De overige voorwaarden voor toelaatbaarheid van de uitlevering.

3.5.1

Dubbele strafbaarheid.

Vastgesteld wordt dat de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht blijkens de door de verzoekende staat overgelegde stukken strafbaar zijn naar het recht van de verzoekende staat en daarvoor kan naar het recht van de verzoekende staat een vrijheidsstraf van tenminste één jaar worden opgelegd.

Ook naar Nederlands recht zijn die feiten strafbaar. De feiten leveren naar Nederlands recht op: (medeplegen van) opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A, B en C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Daarvoor kan eveneens telkens een vrijheidsstraf van tenminste één jaar worden opgelegd.

Dit betekent dat is voldaan aan de in artikel 2 EUV en artikel 5 van de Uitleveringswet gestelde vereisten voor toelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering.

3.5.2.

Vermoeden van schuld.

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard onschuldig te zijn. Ter onderbouwing heeft zijn raadsman ter zitting stukken overgelegd uit het (Zwitserse) strafonderzoek tegen medeverdachte [medeverdachte 4] . Uit de verklaringen van deze [medeverdachte 4] blijkt volgens de opgeëiste persoon dat hij onschuldig is.

Gelet op artikel 28, tweede lid, van de Uitleveringswet wordt de uitlevering ontoelaatbaar geacht indien geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan de feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd. Volgens vaste rechtspraak dient de vermeende onschuld onverwijld te worden aangetoond. Alleen indien de rechtbank onverwijld, dit betekent zonder diepgaand onderzoek zoals in een strafgeding, tot de overtuiging komt dat geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld heeft een dergelijk verweer kans van slagen. Hetgeen de opgeëiste persoon daartoe heeft aangevoerd leidt niet tot dat oordeel. Immers, de verklaringen van [medeverdachte 4] kunnen niet zonder een diepgaand onderzoek op hun merites beoordeeld worden. Dit gaat het toetsingskader van het hier aan de orde zijnde uitleveringsverzoek te buiten.

Evenmin is anderszins gebleken dat ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan de feiten waarvoor de uitlevering is gevraagd.

3.5.3 (

Dreigende) schending van fundamentele rechten.

De raadsman heeft ter zitting aandacht gevraagd voor de huidige bijzondere omstandigheden vanwege de coronacrisis en de gevolgen die dat voor de opgeëiste persoon met zich meebrengt bij de daadwerkelijke uitlevering en de aansluitende detentie in Zwitserland.

De raadsman heeft betoogd dat de opgeëiste persoon in Zwitserland een gezondheidsrisico loopt, omdat uit CPT-rapportages over Zwitserland blijkt dat sprake is van overvolle gevangenissen. Er bestaat dus een reëel risico op schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ook heeft de raadsman erop gewezen dat de grenzen met Zwitserland thans gesloten zijn, zodat uitlevering feitelijk niet mogelijk is. De conclusie moet volgens de raadsman zijn dat uitlevering naar Zwitserland onder deze omstandigheden niet toelaatbaar is.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uiteindelijk de minister van Veiligheid en Justitie een beslissing neemt over de daadwerkelijke uitlevering en dat hier nog enige tijd overheen zal gaan, zodat de (toekomstige) situatie in verband met het coronavirus dan ter beoordeling voorligt. Volgens de officier van justitie is het ook aan de minister om te beoordelen of de detentieomstandigheden in Zwitserland voldoen aan de Nederlandse standaarden.

De rechtbank overweegt het volgende. In beginsel dient bij uitleveringszaken ter fine van strafvervolging bij de beoordeling te worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten zal respecteren (vergelijk Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288).

Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie het overzichtsarrest van 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463) volgt dat het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer artikel 3 van het EVRM, is voorbehouden aan de minister van Justitie en Veiligheid. In het geval dat komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een voltooide inbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren.

Het vorenstaande betekent dat hetgeen namens de opgeëiste persoon is aangevoerd niet tot de conclusie kan leiden dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. Van een voltooide schending van artikel 3 van het EVRM is immers geen sprake en zulks is overigens ook niet aangevoerd.

Ten slotte is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat de beoordeling van de vraag of de uitlevering, gelet op de coronacrisis, feitelijk doorgang kan vinden, is voorbehouden aan de minister van Justitie en Veiligheid die, te zijner tijd naar bevind van zaken in de dan aan de orde zijnde situatie, daarover een beslissing zal moeten nemen.

4 Slotsom.

Nu ook overigens niet is gebleken van feiten die in de weg zouden staan aan de toelaatbaarverklaring van de uitlevering, zal, gelet op de artikelen:

2 en 12 EUV,

5 van het Tweede aanvullend Protocol bij het EUV,

65 van de Uitvoeringsovereenkomst Schengen,

5 en 18 van de Uitleveringswet,

Artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht,
Artikel 2 en 10 van de Opiumwet

wordt beslist als volgt.

5 De beslissing.

De rechtbank:

verklaart toelaatbaar de uitlevering aan Zwitserland van [opgeëiste persoon] ter

strafvervolging terzake van de feiten, hierboven omschreven in de uiteenzetting van de feiten onder 3.3.

6 Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Deze uitspraak is gedaan door

mr. A. Buiskool voorzitter,

mrs. P.H.B. Littooy en C.A.M. van der Heijden, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. Dommershuijzen

en uitgesproken op de openbare zitting van 9 april 2020