Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:2713

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-03-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
C/15/299579 / KG ZA 20-98
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Oostenrijkse vennootschap legt in 2017 en in 2020 na daartoe verkregen verloven conservatoire derdenbeslagen onder een Nederlandse vennootschap ten laste van een Italiaanse vennootschap. In 2018 is de Italiaanse vennootschap in staat van faillissement verklaard. De curator in het faillissement van de Italiaanse vennootschap vordert opheffing van de conservatoire derdenbeslagen.

De voorzieningenrechter heft de beslagen op voor zover geldt dat deze beslagen nog niet van rechtswege zijn vervallen als gevolg van het faillissement van de Italiaanse vennootschap. Het op grond van de Insolventieverordening ten deze toepasselijke artikel 51 van de Italiaanse Faillissementswet bepaalt immers dat vanaf de dag dat het faillissement wordt uitgesproken geen individuele conservatoire of executoriale maatregelen kunnen worden ingesteld of voortgezet op zaken die tot het faillissement behoren dan wel op vorderingen die tijdens het faillissement zijn ontstaan. Overeenkomstig het Nederlandse faillissementsrecht verliezen dus zowel conservatoire als executoriale beslagen op het vermogen van de schuldenaar (beslagen onder derden ten laste van de schuldenaar daaronder begrepen) hun werking door de faillietverklaring. Wat onder het beslag viel, komt terecht in het algemene faillissementsbeslag en strekt tot verhaal van de gezamenlijke schuldeisers van de gefailleerde.

Het kan niet zo zijn dat een individuele schuldeiser door beslaglegging de aan de curator opgedragen taken, de juiste afwikkeling van het faillissement, in het belang van alle schuldeiser, kan frustreren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2020-0113
RI 2020/62
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/299579 / KG ZA 20-98

Vonnis in kort geding van 20 maart 2020

in de zaak van

Dott. Donato BELLOMO, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de vennootschap naar buitenlands recht

FLORY CART S.R.L., IN LIQUIDAZIONE,

gevestigd te Lucca, Italië

eiseres,

advocaten mr. E.A. van de Kuilen-Stap en mr. J.H.M.G. van der Heijden te Breda,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

HB TRANSPORT U. LAGERHAUS GMBH,

gevestigd te Bludesch, Oostenrijk,

gedaagde,

advocaat mr. J.A. Bloo te Venlo.

Partijen zullen hierna de curator van Flory Cart danwel de curator en HB Transport genoemd worden. De vennootschap naar buitenlands recht Flory Cart S.R.L., Flory Cart S.R.L. in concordato preventivo en Flory Cart S.R.L. in liquidazione zal ook Flory Cart genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met de producties 1 tot en met 8,

  • -

    het faxbericht van 4 maart 2020 met productie 9 van mr. Van de Kuilen-Stap,

  • -

    het faxbericht van 5 maart 2020 met de producties 1 tot en met 3 van mr. Bloo,

  • -

    de mondelinge behandeling op 6 maart 2020,

  • -

    de pleitnota van de curator van Flory Cart,

  • -

    de pleitnota van HB Transport.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

HB Transport heeft twee vorderingen op de Italiaanse vennootschap Flory Cart wegens twee proceskostenveroordelingen die het gevolg zijn van gevoerde procedures voor de Nederlandse rechter. Bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 8 maart 2017 is Flory Cart veroordeeld tot betaling van proceskosten ter hoogte van € 10.314, -. Bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 17 december 2019 is Flory Cart veroordeeld tot betaling van proceskosten ter hoogte van € 21.073, -. In dezelfde uitspraken is Albert Heijn N.V. (hierna: Albert Heijn) veroordeeld tot betaling van een aanzienlijk geldbedrag aan Flory Cart.

2.2.

HB Transport heeft tot zekerheid van haar vorderingen twee maal conservatoir derdenbeslag ten laste van Flory Cart gelegd, namelijk op 23 maart 2017 en op 10 januari 2020, in beide gevallen onder Albert Heijn.

2.3.

Flory Cart is op 23 juli 2013 in concordato preventivo verklaard, hetgeen enigszins vergelijkbaar is met een Nederlandse surseance van betaling. Op 4 oktober 2018 is Flory Cart door de rechtbank in Lucca (Italië) in staat van faillissement verklaard. De procedure bij het gerechtshof Amsterdam was op het moment dat Flory Cart in staat van faillissement werd verklaard in staat van wijzen. Het arrest is op 17 december 2019 gewezen zonder dat de procedure is geschorst of door de curator is overgenomen.

2.4.

HB Transport heeft haar vordering op Flory Cart ter hoogte van € 10.314, -. (waarvoor zij in 2017 beslag heeft gelegd onder Albert Heijn) op 8 maart 2019 bij de curator ter verificatie ingediend. De rechtbank te Lucca (Italië) heeft deze vordering van HB Transport erkend.

2.5.

Op 3 februari 2020 heeft de advocaat van de curator van Flory Cart aan de advocaat van HB Transport aangekondigd dat de curator voornemens was zich tot de voorzieningenrechter te wenden om opheffing van de gelegde beslagen te vorderen. Na correspondentie heeft HB Transport de conservatoire beslagen gedeeltelijk opgeheven. Er ligt volgens partijen momenteel nog een bedrag van € 36.500, - onder de beslagen.

3 Het geschil

3.1.

De curator van Flory Cart vordert – samengevat – opheffing van de op 23 maart 2017 en 10 januari 2020 ten laste van Flory Cart gelegde derdenbeslagen.

3.2.

De curator legt primair het volgende aan zijn vordering ten grondslag. Het faillissement van Flory Cart en de gevolgen daarvan worden op basis van artikel 7 lid 1 van de Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (hierna: de Insolventieverordening) beheerst door Italiaans recht. Artikel 51 van de Italiaanse Faillissementswet bepaalt dat vanaf de dag dat het faillissement wordt uitgesproken geen individuele maatregelen ter executie of bewaring kunnen worden ingesteld of voortgezet op zaken die tot het faillissement behoren en dat dit ook geldt voor vorderingen die tijdens het faillissement zijn ontstaan.

De Nederlandse vertaling van artikel 51 luidt: “behoudens andersluidende wettelijke bepalingen, kunnen vanaf de dag dat het faillissement wordt uitgesproken geen individuele maatregelen ter executie of bewaring worden ingesteld of voortgezet op zaken die tot het faillissement behoren en dit geldt ook voor vorderingen die tijdens het faillissement zijn ontstaan.”
Volgens de curator heeft het faillissementsvonnis van 4 oktober 2018 tot gevolg dat de conservatoire beslagen die door HB Transport onder Albert Heijn in Nederland zijn gelegd niet kunnen worden voortgezet en niet kunnen overgaan in executoriale beslagen. Verder betekent het faillissement dat Albert Heijn onder de beslagen niet bevrijdend aan HB Transport kan betalen. De vordering van Flory Cart op Albert Heijn valt in het faillissement. De crediteuren in de lidstaten van de Europese Unie kunnen zich volgens Italiaans recht niet bij voorrang verhalen op deze vordering, maar dienen hun vordering in te dienen bij de curator. De curator heeft alle belang bij opheffing van de beslagen zodat het faillissement verder kan worden afgewikkeld.

3.3.

Subsidiair voert de curator aan dat HB Transport artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) heeft geschonden. Op grond van dit artikel zijn partijen verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. HB Transport heeft in haar verzoekschrift tot het leggen van het beslag niet vermeld dat Flory Cart in faillissement verkeerde. Zij heeft volstaan met de vermelding van de concordato preventivo, terwijl vaststaat dat zij wel op de hoogte was van het faillissement van Flory Cart nu zij op 8 maart 2019 haar vordering op grond van de proceskostenveroordeling voortvloeiende uit de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 8 maart 2017 bij de Italiaanse curator ter verificatie had ingediend. Door het geven van onvoldoende toelichting, heeft HB Transport de voorzieningenrechter misleid en reeds om die reden dient het beslag te worden opgeheven, aldus de curator.

3.4.

Voorts stelt de curator van Flory Cart dat – al zou HB Transport een vordering op de curator hebben, de curator bevoegd is tot verrekening. De curator heeft namelijk een opeisbare vordering op HB Transport van meer dan € 400.000,-, welke vordering is gebaseerd op een vonnis van de rechtbank te Lucca (Italië) van 11 oktober 2019 in een door de curator aangespannen procedure.

3.5.

Vooruitlopend op het mogelijke verweer van HB Transport dat inmiddels sprake is van executoriale beslagen, stelt de curator dat op grond van artikel 704 Rv een conservatoir beslag pas over gaat in een executoriaal beslag wanneer de titel aan de beslagene is betekend en – wanneer het beslag onder een derde is gelegd – ook aan deze derde is betekend. Van executoriale beslagen is volgens de curator geen sprake omdat de exploten niet voldoen aan de Betekeningsverordening. De reden daarvoor is dat vertalingen van de uitspraken niet zijn bijgevoegd. Tevens ontbreken de exploten van betekening aan Albert Heijn. De uitspraken hadden ingevolge artikel 704 Rv jo 722 Rv binnen een maand na verkrijging van de executoriale titels aan Albert Heijn betekend moeten zijn. Bewijs van die betekeningen ontbreekt. Dat de betreffende uitspraken niet aan Albert Heijn zijn betekend wordt ook door de advocaat van Albert Heijn bevestigd, aldus de curator van Flory Cart. Voorts heeft de curator vooruitlopend op het mogelijk verweer van HB Transport aangvoerd dat geen sprake is van een boedelshuld en dat ook als er sprake zou zijn van een boedelschuld consevatoir beslag niet mogeijk is vanwege het faillissement; de curator heeft het boedelactief nodig voor de voldoening van andere vordringen dan die van HB Transport, welke andere vorderingen preferent zijn ten opzichte van de vordering van HB Trasport. Met een beslag doorbreekt HB Transport de rangorde van boedelschuldeisers en onttrekt zij zich an de afwikkelingsvolgorde.

3.6.

HB Transport voert verweer. Allereerst voert HB Transport aan dat Flory Cart S.R.L. in liquidazione en Flory Cart in concordato preventivo verschillende rechtssubjecten zijn. Dit leidt HB Transport af uit het vonnis van de rechtbank te Lucca (Italië) van 11 oktober 2019. De procedure was al behandeld door de rechtbank en het gerechtshof in Nederland als gevolg waarvan de rechtbank te Lucca (Italië) zich op basis van artikel 29 lid 3 Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I bis – Verordening) onbevoegd had moeten verklaren.
Uit het Italiaanse vonnis blijkt volgens HB Transport dat de Italiaanse rechter evenwel van verschillende rechtssubjecten uitgaat in de beide procedures: namelijk Flory Cart in concordato preventivo en Flory Cart in liquidazione. Dit heeft volgens HB Transport tot gevolg dat voor Flory Cart in liquidazione geldt dat zij zich niet kan beroepen op een voor Flory Cart in concordato preventivo gunstig vonnis. Om deze reden heeft Flory Cart in liquidazione als eisende partij in dit kort geding geen belang bij haar vordering tot opheffing van de beslagen die onder Albert Heijn zijn gelegd in verband met een schuld van Albert Heijn aan Flory Cart in concordato preventivo ter zake toegewezen proceskosten, aldus HB Transport.

3.7.

Voorts voert HB Transport aan dat de door haar gelegde beslagen inmiddels executoriaal zijn geworden. Het beslag was ten tijde van het leggen nog conservatoir, maar omdat reeds een titel voor de vordering van HB Transport op Flory Cart in concordato preventivo bestond, is het beslag na betekening van de titel aan Flory Cart in concordato preventivo en het verstrijken van de termijn van twee dagen (artikel 430 lid 3 en 439 lid 1 Rv) executoriaal geworden. De vordering van de curator moet worden afgewezen omdat geen opheffing kan worden gevraagd van conservatoire beslagen die niet meer bestaan.

3.8.

Voorts voert HB Transport aan dat er geen spoedeisend belang is. Nu de beslagen al bijna drie jaar respectievelijk twee maanden liggen en Flory Cart dan wel de curator gedurende die periode niet tegen de beslagen hebben geageerd, is niet voldaan aan het vereiste van spoedeisendheid dat afgeleid moet worden uit de aard van de kort geding procedure. Bovendien blokkeert het beslag, dat beperkt is tot € 36.000, niet het grote bedrag dat Albert Heijn volgens Fory Cart aan haar verschuldigd is. Tot slot voert HB Transport in dit verband aan dat de beslagene geen natuurlijk persoon en ook geen onderneming in going concern is.

3.9.

HB Transport voert tot slot subsidiair aan dat – mocht de voorzieningenrechter de vordering willen toewijzen – het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad dient te worden verklaard. Flory Cart verkeert immers in staat van faillissement. Wanneer een hoger beroepsrechter anders oordeelt dan in de rechter eerste aanleg, zal het voor HB Transport onmogelijk zijn om het als gevolg van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis uitgekeerde bedrag terug te ontvangen.

3.10.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In dit kort geding vordert de Italiaanse curator van Flory Cart opheffing van twee door de Oostenrijkse partij HB Transport ten laste van Flory Cart onder Albert Heijn in Nederland gelegde derdenbeslagen.

bevoegdheid

4.2.

Vanwege de internationale aspecten in deze zaak, moet de voorzieningenrechter allereerst onderzoeken of de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van deze zaak. Dat is het geval: op grond van artikel 35 van de Brussel I bis – Verordening jo artikel 705 Rv kan de voorzieningenrechter die verlof tot het beslag heeft gegeven, rechtdoende in kort geding, het beslag op vordering van elke belanghebbende opheffen. In het onderhavige geval zijn de verloven tot het leggen van de conservatoire beslagen door de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, verleend. Hieruit volgt dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland tevens bevoegd is om kennis te nemen van de vordering tot opheffing van de gelegde beslagen.

toepasselijk recht

4.3.

Gelet op de genoemde internationale aspecten van de onderhavige zaak dient de voorzieningenrechter vervolgens de vraag te beantwoorden welk recht van toepassing is. In dit verband overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Op grond van artikel 84 van de Insolventieverordening zijn de bepalingen van deze verordening van toepassing op insolventieprocedures die na 26 juni 2017 zijn geopend. Deze verordening is aldus ook van toepassing op het faillissement van Flory Cart. Artikel 7 lid 1 van de Insolventieverordening bepaalt voorts dat de insolventieprocedure en de gevolgen daarvan beheerst worden door het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de insolventieprocedure is geopend. De rechtbank te Lucca (Italië) heeft Flory Cart op 4 oktober 2018 in staat van faillissement verklaard. Het faillissement van Flory Cart en de gevolgen daarvan worden dus beheerst door Italiaans recht.

Op de onderhavige vordering tot opheffing van de beslagen is ingevolge artikel 3 van boek 10 van het Burgerlijk Wetboek Nederlands (proces-)recht van toepassing, nu de gelegde beslagen in Nederland en naar het Nederlandse recht zijn gelegd.

spoedeisend belang

4.4.

Bij de beoordeling van het geschil komt eerst de vraag aan de orde of de curator van Flory Cart voldoende spoedeisend belang heeft bij de door hem gevorderde voorziening. Het antwoord op deze vraag luidt naar het oordeel van de voorzieningenrechter bevestigend. Het spoedeisend belang vloeit in dit geval voort uit de aard van de vordering. De voorzieningenrechter neemt daarbij tevens in aanmerking dat de curator aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd dat hij alle belang heeft bij opheffing van de beslagen om het faillissement verder te kunnen afwikkelen. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is zijdens de curator bovendien aangevoerd dat op 4 april 2020 de termijn voor het indienen van vorderingen in het faillissement sluit. Bij die stand van zaken heeft de curator belang bij een spoedige beoordeling van zijn vordering en kan niet van hem worden gevergd dat hij de uitkomst van de bodemprocedure, waarin geenszins vaststaat dat op korte of zeer korte termijn vonnis zal worden gewezen, afwacht. Aldus komt de voorzieningenrechter toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering.

inhoudelijk

4.5.

Volgens art. 705 lid 2 Rv dient een beslag te worden opgeheven (onder meer) indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is of dat het voortduren van het beslag om een andere reden niet kan worden gerechtvaardigd. Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

4.6.

Partijen verschillen van mening over de vraag of de door HB Transport gelegde beslagen als conservatoir danwel executoriaal dienen te worden aangemerkt alsmede over de vraag op de vorderingen van HB Transport uit hoofde van de proceskostenveroordelingen al of niet als boedelschulden zijn aan te merken. Het antwoord op deze vragen kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het midden blijven. Artikel 51 van de Italiaanse Faillissementswet bepaalt immers dat vanaf de dag dat het faillissement wordt uitgesproken geen individuele conservatoire of executoriale maatregelen kunnen worden ingesteld of voortgezet op zaken die tot het faillissement behoren dan wel op vorderingen die tijdens het faillissement zijn ontstaan. Overeenkomstig het Nederlandse faillissementsrecht verliezen dus zowel conservatoire als executoriale beslagen op het vermogen van de schuldenaar (beslagen onder derden ten laste van de schuldenaar daaronder begrepen) hun werking door de faillietverklaring. Wat onder het beslag viel, komt terecht in het algemene faillissementsbeslag en strekt tot verhaal van de gezamenlijke schuldeisers van de gefailleerde. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de curator gesteld dat deze regel geldt ongeacht de vraag of sprake is van boedelschulden. Dit acht de voorzieningenrechter, mede gezien de tekst van artikel 51 van de Italiaanse Faillissementswet en ook gezien de kennelijke ratio van dit artikel, aannemelijk. Het kan – zoals in dit geval ook terecht door de curator is gesteld – immers niet zo zijn dat een individuele schuldeiser door beslaglegging de aan de curator opgedragen taken, de juiste afwikkeling van het faillissement, in het belang van alle schuldeiser, kan frustreren. Dat in het petitum wordt gesproken van conservatoire beslagen staat, wat er ook zij van de vraag of de beslagen nog conservatoir zijn, aan toewijzing van de vordering niet in de weg, nu het voor partijen zonder meer duidelijk moet zijn gewest dat het de curator te doen is om opheffing van de op 23 maart 2017 en 10 januari 2020 onder Albert Heijn ten laste van Fory Cart gelegde beslagen.

4.7.

Het verweer van HB Transport dat de Italiaanse rechter van verschillende rechtssubjecten uitgaat, te weten Flory Cart in concordato preventivo en Flory Cart in liquidazione, en dat HB Transport beslag heeft gelegd ten laste van Flory Cart in concordato preventivo als gevolg waarvan Flory Cart in liquidazione geen opheffing van de beslagen kan vorderen, kan de voorzieningenrechter niet volgen. Nu een verdere toelichting op dit vermeende onderscheid ontbreekt, terwijl HB Transport de redenering van de Italiaanse rechter als niet makkelijk te doorgronden heeft gekenschetst, heeft aangekondigd van het Italiaanse vonnis in hoger beroep te gaan en voorts vaststaat dat zij de vordering waarvoor in 2017 beslag is gelegd heeft ingediend in het faillissement van Flory Cart, zal de voorzieningenrechter aan dit verweer van HB Transport voorbij gaan en tot uitgangspunt nemen dat Flory Cart in liquidazione rechtsopvolger is van Flory Cart in concordato preventivo.

4.8.

Het voorgaande leidt er toe dat de curator van Flory Cart summierlijk de ondeugdelijkheid van het door HB Transport ingeroepen recht heeft aangetoond. De gevorderde opheffing van de beslagen zal dan ook worden toegewezen voorzover geldt dat zij op grond van het Italiaanse recht nog niet van rechtswege zijn vervallen als gevolg van het faillissement van Flory Cart, hetgeen de voorzieningenrechter op grond van de beschikbare informatie in deze kort geding procedure niet met zekerheid kan vaststellen. De overige stellingen van de curator van Flory Cart behoeven als gevolg hiervan geen bespreking meer.

4.9.

HB Transport heeft voorts nog verweer gevoerd tegen de door de curator van Flory Cart gevorderde verklaring van uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis. De voorzieningenrechter gaat ook aan dit verweer voorbij. Vooropgesteld dient te worden dat de uitvoerbaarheid bij voorraad tot de essentie behoort van een voorlopige voorziening. Daarvan kan niet lichtvaardig worden afgeweken. Bovendien heeft HB Transport geen belang bij haar verzoek tot afwijzing van de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis. Hiervoor is immers overwogen dat de toegewezen opheffing van de beslagen zijn oorsprong vindt in artikel 51 van de Italiaanse Faillissementswet, op basis waarvan alle gelegde beslagen, conservatoir dan wel executoriaal, op zaken die tot het faillissement behoren als gevolg van het faillissement van Flory Cart niet kunnen worden voortgezet en wellicht van rechtswege zijn komen te vervallen. Er is aldus naar valt aan te nemen geen sprake van een bestaande toestand die kan worden behouden door het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.10.

HB Transport zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Flory Cart worden begroot op:

- dagvaarding € 100,89

- griffierecht 656,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.736,89

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

heft op de ten laste van Flory Cart op 23 maart 2017 en 10 januari 2020 onder Albert Heijn gelegde beslagen, voorzover geldt dat deze beslagen nog niet zijn vervallen door het faillissement van Flory Cart,

5.2.

veroordeelt HB Transport in de proceskosten, aan de zijde van Flory Cart tot op heden begroot op € 1.736,89, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. Wamsteker en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 20 maart 2020.1

1 Conc.: 1422