Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:2710

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-04-2020
Datum publicatie
16-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2030
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingvergunning voor uitrit terecht geweigerd, omdat het om een tweede uitrit gaat en die uitrit ten koste gaat van openbaar groen. Geen toezeggingen gedaan, niet gebleken van gelijke gevallen. Beroep op vertrouwensbeginsel en gelijkheidsbeginsel faalt.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/2030

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heiloo, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd aan eiser op zijn aanvraag een omgevingsvergunning te verlenen voor een tweede uitrit voor het perceel [adres 1] . Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 16 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het primaire besluit in stand gelaten onder verbetering van de grondslag en de motivering.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 9 maart 2020 op zitting behandeld. Eiser is in persoon verschenen, samen met zijn echtgenote [echtgenote] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.M. Hink en J.R. Wanders, beiden werkzaam voor en in dienst van de BUCH, een samenwerkingsverband waarvan de gemeente Heiloo deel uitmaakt.

Overwegingen

1.1

Eiser woont op het adres [adres 1] . Dat adres bestaat uit twee kadastrale percelen. Deze percelen zijn beide eigendom van en in gebruik bij eiser. Zijn woning staat op het voorste, veruit grootste perceel ( [perceelnummer 1] ) aan de [adres 1] . Daar heeft eiser een uitweg. Het achterste, veel kleinere perceel ( [perceelnummer 2] ) is uitsluitend in gebruik als tuin. Het grote en het achterste perceel grenzen (ook) aan de openbare weg [straat 1] (tegenover nummer 2) althans aan een strook gemeentegrond langs de [straat 1] die ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan Zuiderloo onder meer is bestemd als “groen”. In deze gemeentegrond loopt een greppel die moet worden overgestoken om vanaf het perceel van eiser te kunnen ‘uitwegen’ op de [straat 1] . Tussen de greppel en de [straat 1] ligt nog een strook gemeentegrond van ongeveer 2 meter breed die beplant is met gras.

1.2

In het in 2015 vastgestelde bestemmingsplan Zuiderloo is in overleg met eiser een deel van perceel [perceelnummer 1] (aan de zijde van [straat 2] ) samen met perceel [perceelnummer 2] bestemd voor “Wonen – uit te werken” voor maximaal één wooneenheid. Een uitwerkingsplan is nog niet vastgesteld.

1.3

Eiser heeft op 25 april 2018 de omgevingsvergunning aangevraagd voor een uitrit vanaf perceel [perceelnummer 2] naar de [straat 2] zoals bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en artikel 2.12 van de Algemene plaatselijke verordening Heiloo 2017 (Apv). In de aanvraag heeft hij aangegeven de uitrit aan te vragen ten behoeve van een toekomstig te bouwen woning. In een toelichting op zijn aanvraag, gedateerd 13 mei 2018, heeft eiser echter aangegeven de uitrit te willen gebruiken voor een te realiseren carport/schuur waaronder/waarin hij zijn vaar- en klassieke voertuigen zal stallen, dat hij een te bouwen carport/schuur niet vanaf de [adres 1] zal kunnen bereiken en dat hij daarom een uitrit vanaf zijn perceel naar de [straat 2] nodig heeft.

1.4

Op 23 april 2018 heeft een overleg plaatsgevonden naar aanleiding van “Grondverkoop [straat 2] 2, naast kavel van [eiser]”. Daarbij waren aanwezig eiser (EZ), een persoon die het verslag verzorgde, en [naam] (MS) namens de gemeente. In het verslag van het overleg is onder meer vermeld: “Voor de kavel dient nog een Uitwerkingsplan (UWP) gemaakt te worden. Voorafgaande dient een posterieure overeenkomst te worden gesloten. Dit is nu nog niet aan orde, omdat er nog geen bouwwens is en geen overeenstemming is bereikt. (…) Ontsluiting is mogelijk op de Haagbeuk of op de [straat 2] . [Eiser] heeft de voorkeur voor de ontsluiting op de [straat 2] . Uit een mailwisseling met de gemeente blijkt dat hierover overeenstemming is (ontsluiting noordoostzijde kavel) (…) Inrit aan de [straat 2] kan in principe al worden aangevraagd (t.b.v. ontsluiting achtererf). Aanvraag wordt voorbereid EZ.”

1.5

Verweerder heeft uiteindelijk aan zijn afwijzing ten grondslag gelegd dat de aanvraag om een uitweg dient te worden geweigerd omdat het gaat om een tweede uitrit én omdat die uitrit ten koste gaat van openbaar groen als bedoeld in artikel 2.12, derde lid, aanhef en onder f, Apv.

2. Artikel 2.2 van de Wabo luidt, voor zover van belang, als volgt:

1. Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om:

e. een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen,

geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat (…) uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder een omgevingsvergunning.

Artikel 2.18 van de Wabo luidt, voor zover van belang, als volgt:

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2 kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.

Artikel 2.12 van de Apv luidt als volgt:

Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

2. Bij de aanvraag wordt een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie overgelegd.

3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd:

a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;

b.de bruikbaarheid van de weg wordt aangetast;

c. indien de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

d. indien het uiterlijk aanzien van de omgeving op onaanvaardbare wijze wordt aangetast;

e. indien door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of

f. indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.

4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of de Provinciale wegenverordening of het Provinciaal wegenreglement.

3. In beroep heeft eiser zich gemotiveerd tegen het bestreden besluit gekeerd.

Daarbij herhaalt hij zijn in bezwaar ingenomen stellingen die kort samengevat inhouden dat:

  • -

    het geen tweede uitrit is, maar een eerste uitrit van een nog te ontwikkelen woning;

  • -

    verweerder zelfs uitgaande van een tweede uitrit tot verlening van de vergunning had moeten overgaan, omdat aan de aantasting van het openbaar groen geen zwaarder gewicht had moeten worden toegekend dan aan zijn belang bij het verkrijgen van een extra uitrit;

  • -

    een ambtenaar de toezegging heeft gedaan dat een uitweg zal worden vergund. Eiser doet in dit verband een beroep op het vertrouwensbeginsel;

  • -

    verweerder heeft besloten in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

4.1

De stelling dat het niet zou gaan om een tweede uitrit maar om een (eerste) uitrit voor een tweede woning, volgt de rechtbank niet. De rechtbank acht in dit verband van belang dat uit de toelichting op de aanvraag van 15 mei 2018 blijkt dat het eiser in wezen te doen was om een uitrit voor een te bouwen carport/schuur en (kennelijk) niet (meer) om een te bouwen tweede woning. Daarbij komt dat de gemeente zich weliswaar jegens eiser heeft verplicht om (zo veel als mogelijk is) mee te werken aan planologische maatregelen om realisatie van een tweede woning op de percelen van eiser mogelijk te maken, maar dat niet is gebleken van concrete stappen door eiser ter realisatie van die tweede woning. Van een concreet tijdspad om tot de tweede woning te komen is niet gebleken. Voor realisatie zal eerst een uitwerkingsplan moeten worden vastgesteld. Van een bouwplan of een vergunningaanvraag voor de bouw van een tweede woning is nog geen sprake. Ook is nog geen sprake van een overeenkomst tussen eiser en de gemeente, terwijl die, zo staat tussen partijen vast, eerst zal moeten worden gesloten voordat het bouwen van een tweede woning planologisch mogelijk zal worden gemaakt. Verweerder heeft de aanvraag onder deze omstandigheden daarom terecht gekwalificeerd als een aanvraag voor een tweede uitrit vanuit één perceel en (nog) niet voor een eerste uitweg voor de nieuw te bouwen woning.

4.2

Vast staat voorts dat een uitweg vanaf de achterzijde van het perceel van eiser naar de [straat 2] alleen gerealiseerd kan worden door de strook met groenbestemming tussen het perceel van eiser en de [straat 2] , bestaande uit de grasstrook en de greppel. De uitweg zal dus ten koste gaan van het daar aanwezige openbaar groen zoals bedoeld in artikel 2.12, derde lid, aanhef en onder f, Apv. Dat het hier slechts om een zeer bescheiden groenstrook zou gaan, kan daar niet aan af doen.

4.3

Nu het gaat om een tweede uitrit en nu die tweede uitrit ten koste zal gaan van openbaar groen, was verweerder gelet op artikel 2.12, derde lid, aanhef en onder f, Apv gehouden om de gevraagde omgevingsvergunning voor de uitrit te weigeren. Op grond van die bepaling, waar staat dat de vergunning in dat “slechts wordt geweigerd”, is sprake van een gebonden afweging: verweerder mag alleen weigeren als zich een van die situaties voordoet, maar dan moet hij ook weigeren de gevraagde vergunning te verlenen. Dat in dit geval het verloren gaan van openbaar groen niet zwaarwegend zou zijn, zoals eiser stelt, maakt dit niet anders, omdat uit artikel 2.12, derde lid, aanhef en onder f Apv zonder meer volgt dat een tweede uitrit die ten koste gaat van openbaar groen dient te worden geweigerd. Verweerder heeft daarin ook geen beoordelingsruimte of ruimte voor belangenafweging. Alleen voor een eerste uitrit ligt dit anders, omdat in artikel 2.12, derde lid, aanhef en onder e, Apv het vereiste is opgenomen dat door de uitweg openbaar groen op “onaanvaardbare wijze” wordt aangetast. In die situatie kan en moet de aard van de aantasting dus wel beoordeeld en afgewogen worden.

5. Verweerder heeft de omgevingsvergunning voor de door eiser gewenste uitweg daarom terecht geweigerd.

6. Eisers beroep op het vertrouwensbeginsel kan hem niet baten. De rechtbank stelt voorop dat de hiervoor al besproken Apv-bepaling geen discretionaire ruimte aan verweerder laat. Eiser beroept zich op het overleg van 23 april 2018. Uit het verslag en de toelichting ter zitting blijkt dat het overleg niet was geïnitieerd om de uitweg (of de aanvraag daartoe) te bespreken, maar over verkoop (aan buren) van een stuk gemeentegrond nabij de door eiser gewenste uitweg. Uit het verslag blijkt wel dat eiser een aanvraag voor een uitweg kon indienen. Anders dan eiser stelt, blijkt uit het verslag niet dat daarbij van de zijde van verweerder ook is toegezegd dat de (thans voorliggende) aanvraag ook zou worden ingewilligd. Als eiser al zou kunnen worden gevolgd in de stelling dat hem toegezegd zou zijn dat hij de uitrit vergund zou krijgen, dan zag die toezegging kennelijk op een uitrit bedoeld voor de nog te bouwen tweede woning en niet op een tweede uitrit ten behoeve van een te bouwen schuur/carport als bedoeld in de toelichting op eisers aanvraag van 13 mei 2018.

7. Ook eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet, nu hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder in andere gevallen, maar onder overigens geheel vergelijkbare omstandigheden, in afwijking van de sedert 2017 geldende Apv wel tweede uitritten heeft vergund die ten koste zijn gegaan van openbaar groen.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat dan geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 8 april 2020 door mr. R.H.M. Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier.

Als gevolg van maatregelen die zijn getroffen naar aanleiding van het covid-19virus is deze uitspraak niet in het openbaar uitgesproken. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.