Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:2696

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-04-2020
Datum publicatie
29-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3043
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaard het beroep ongegrond. De rechtbank is van oordeel dat, ondanks het begrijpelijk is dat eiseres dit als een onredelijke situatie ervaart, de Awir geen ruimte biedt aan verweerder om bij de vaststelling van het toetsingsinkomen voor de zorgtoeslag af te wijken van het door de inspecteur bij de aanslag ib/pvv vastgestelde verzamelinkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 30-04-2020
V-N Vandaag 2020/1195
FutD 2020-1467
V-N 2020/28.32.30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/3043

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2020 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Toeslagen, kantoor Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de herziene beschikking zorgtoeslag 2014 van 3 mei 2019.

Het bezwaar is bij beslissing van 22 mei 2019 kennelijk ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2020 te Haarlem.

Eiseres is zonder bericht niet verschenen. De griffier heeft eiseres bij aangetekende brief, verzonden op 11 februari 2020 en gericht aan het adres waar domicilie werd gekozen, onder vermelding van plaats en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Uit het Track&Tracesysteem van PostNL is gebleken dat de brief op 12 februari 2020 is uitgereikt, zodat eiseres behoorlijk is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde D.J.M. Loffeld.

Overwegingen

Feiten

Algemeen

1. Eiseres is tot 1 juni 2013 in dienst geweest bij [A] B.V. (hierna: [A] ).

2. Op 4 februari 2014 is er overeenstemming bereikt tussen eiseres en [A] inzake de afwikkeling van de arbeidsrelatie per 1 juni 2013. Hierdoor heeft eiseres een nabetaling van [A] ontvangen van € 5.000.

3. Met dagtekening 20 maart 2014 heeft het Uitkeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: UWV) eiseres geïnformeerd over de door eiseres te ontvangen uitkering van € 1.786,21 voor de periode 3 juni 2013 tot en met 31 oktober 2013.

Berekeningsjaar 2013

4. Met dagtekening 3 mei 2014 is aan eiseres een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) voor het jaar 2013 opgelegd naar een verzamelinkomen van € 12.922.

5. Met dagtekening 25 juli 2014 is, naar aanleiding van de aanslag ib/pvv 2013, de definitieve berekening zorgtoeslag vastgesteld op € 1.060. Hierbij is uitgegaan van een toetsingsinkomen van € 12.922.

6. Met dagtekening 20 augustus 2015 is aan eiseres een vermindering ib/pvv voor het jaar 2013 opgelegd. Het verzamelinkomen is daarbij verhoogd met de betalingen van het UWV (€ 1.786,21) en [A] (€ 5.000) naar € 19.708.

7. Met dagtekening 11 september 2015 is, naar aanleiding van de vermindering ib/pvv 2013, de definitieve berekening zorgtoeslag voor het jaar 2013 herzien naar € 1.002. Hierbij is uitgegaan van een toetsingsinkomen van € 19.708.

Berekeningsjaar 2014

8. Met dagtekening 27 december 2013 is aan eiseres voor het jaar 2014 een voorschot zorgtoeslag toegekend van € 693. Hierbij is uitgegaan van een toetsingsinkomen van

€ 21.139.

9. Met dagtekening 23 mei 2015 is aan eiseres een definitieve aanslag ib/pvv voor het jaar 2014 opgelegd naar een verzamelinkomen van € 26.078. Het verzamelinkomen van 2014 bestaat, onder andere, ook uit de betalingen van het UWV (€ 1.786,21) en [A] (€ 5.000).

10. Met dagtekening 3 juli 2015 is, naar aanleiding van een Basisregistratie inkomen-melding (hierna: BRI-melding) de definitieve berekening zorgtoeslag voor het jaar 2014 herzien naar € 243. Hierbij is uitgegaan van een toetsingsinkomen van € 26.078.

11. Op 5 juli 2015, ontvangen door verweerder op 7 juli 2015, heeft eiseres tegen de definitieve berekening zorgtoeslag 2014 van 3 juli 2015 bezwaar gemaakt.

12. Op 20 augustus 2015 is er een BRI-melding ontvangen, met een verlaging van het verzamelinkomen van 2014 van € 26.078 naar € 19.292. Het verzamelinkomen van 2014 is verlaagd met de betalingen van het UWV (€ 1.786,21) en [A] (€ 5.000).

13. Met dagtekening 29 december 2015 heeft verweerder het bezwaar van eiseres aangemerkt als een verzoek tot bijzondere situatie. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen.

14. Met dagtekening 4 maart 2016 is, naar aanleiding van de BRI-melding van

20 augustus 2015, de definitieve berekening zorgtoeslag voor het jaar 2014 herzien naar

€ 861. Hierbij is uitgegaan van een toetsingsinkomen van € 19.292.

15. Op 27 maart 2019 is nogmaals een BRI-melding ontvangen, met een verhoging van het verzamelinkomen van 2014 van € 19.292 naar € 26.078. Het verzamelinkomen van 2014 is verhoogd met de betalingen van het UWV (€ 1.786,21) en [A] (€ 5.000).

16. Op 25 april 2019, ontvangen door verweerder op 30 april 2019, heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de definitieve berekening toeslagen 2014 van 3 mei 2019.

17. Met dagtekening 3 mei 2019 is voor eiseres de definitieve berekening zorgtoeslag voor het jaar 2014 nogmaals herzien naar € 243. Hierbij is uitgegaan van een toetsingsinkomen van € 26.078.

18. Met dagtekening 22 mei 2019 heeft verweerder bij uitspraak op bezwaar het bezwaar tegen de definitieve berekening zorgtoeslag van 3 mei 2019, kennelijk ongegrond verklaard.

19. Op 1 juli 2019, ontvangen door de rechtbank op 2 juli 2019, heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank tegen de uitspraak op bezwaar.

Geschil
20. In geschil is of de definitieve berekening zorgtoeslag 2014 terecht is herzien naar

een te ontvangen bedrag van € 243.

21. Eiseres stelt dat de definitieve berekening zorgtoeslag van 3 mei 2019 ten onrechte is herzien naar een bedrag van € 243. Meer specifiek is eiseres van mening dat dat verweerder een te hoog toetsingsinkomen van € 26.078 heeft gehanteerd voor de berekening. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar.

22. Verweerder stelt dat terecht de definitieve berekening zorgtoeslag 2014 is herzien naar het eerder vermelde bedrag van € 243. Verweerder stelt dat hij wettelijk verplicht is bij de vaststelling van het recht op zorgtoeslag gebruik te maken van het authentieke inkomensgeven dat is vastgelegd in de BRI. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

23. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid

24. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift zes weken. Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit is bekendgemaakt. Indien een bezwaarschrift voor die termijn wordt ingediend, bepaalt artikel 6:10, eerste lid, van de Awb dat de niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijft, indien het besluit ten tijde van de indiening:

- wel reeds tot stand was gekomen, of

- nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was.

25. De rechtbank constateert dat het bezwaar tegen de definitieve berekening zorgtoeslag 2014 was ingediend, alvorens het besluit bekend was gemaakt. Nu de definitieve berekening zorgtoeslag als bijlage was toegevoegd aan het bezwaarschrift van eiseres, is de rechtbank van oordeel dat ten tijde van de indiening van het bezwaar het besluit wel reeds tot stand was gekomen. Derhalve blijft een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar achterwege.

Zorgtoeslag 2014

26. Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Wet op de zorgtoeslag is de hoogte van de zorgtoeslag afhankelijk van de draagkracht op basis van het inkomen en het vermogen. Ingevolge artikel 1, eerste lid van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir), geldt de Awir voor inkomensafhankelijke regelingen. De Wet op de zorgtoeslag moet als zodanige regeling worden aangemerkt.

27. Ingevolge artikel 7, eerste lid van de Awir wordt ter bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling het toetsingsinkomen van de belanghebbende en dat van zijn partner in aanmerking genomen. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Awir is het toetsingsinkomen het op het berekeningsjaar betrekking hebbende inkomensgegeven. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder o, van de Awir, wordt onder inkomensgegeven het inkomensgeven als bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) verstaan. Ingevolge deze bepaling wordt in casu onder inkomensgegeven verstaan: het na afloop van dat kalenderjaar van betrokkene over dat kalenderjaar laatst bepaalde verzamelinkomen.

28. Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de Awir herziet verweerder de tegemoetkoming indien na een wijziging van een inkomensgegeven blijkt dat de tegemoetkoming tot een te hoog of te laag bedrag is toegekend. Ingevolge het tweede lid van dit artikel geschiedt de herziening binnen acht weken na het tijdstip waarop het gewijzigde inkomensgegeven aan de Belastingdienst/Toeslagen bekend is geworden dan wel de uitspraak strekkende tot deze wijziging onherroepelijk is geworden.

29. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het toetsingsinkomen van 2014 ten onrechte op € 26.078 is vastgesteld. Volgens eiseres dient het toetsingsinkomen van 2014 verlaagd te worden met de betalingen van het UWV en [A] . Volgens eiseres heeft verweerder dit ten onrechte in het toetsingsinkomen van 2014 meegenomen. Het toetsingsinkomen van 2013 is namelijk al verhoogd met de betalingen van het UWV en [A] , waardoor, op basis hiervan, ook al de zorgtoeslag is gecorrigeerd.

30. Verweerder stelt dat zij terecht het toetsingsinkomen van 2014 heeft vastgesteld op € 26.078. Verweerder heeft bij de vaststelling van het recht op zorgtoeslag gebruik gemaakt van de authentieke inkomensgegeven die zijn vastgesteld in de BRI. Gelet op artikel 20 van de Awir was verweerder naar aanleiding van de BRI-melding van 27 maart 2019 verplicht een herziening door te voeren, naar een toetsingsinkomen van € 26.078. Daarnaast is verweerder van mening dat bij het bepalen van het recht op zorgtoeslag, anders dan bij de huurtoeslag, geen mogelijkheid bestaat om bepaald inkomen buiten beschouwing te laten

(1 maart 2017 ECLI:NL:RvS:2017:531, 14 maart 2018 ECLI:NL:RvS:2018:829 en

10 oktober 2018 ECLI:NL:RvS:2018:3277). Ook bestaat volgens verweerder geen mogelijkheid om af te zien van terugvordering van de zorgtoeslag op basis van de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 30 maart 2011(ECLI:NL:RvS:2011:BP9548).

31. Uit de wettelijke structuur volgt dat verweerder gehouden is het door de inspecteur bij de aanslag ib/pvv vastgestelde verzamelinkomen te volgen. Ook gelet op vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

(7 juli 2010, ECLI:NL:RVS:BN0491 en 8 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX3915) dient ter bepaling van de draagkracht, waarvan het recht op en de hoogte van de zorgtoeslag afhankelijk is, ingevolge artikel 7, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 8, eerste lid, van de Awir, het verzamelinkomen, zoals in de aanslag ib/pvv is opgenomen, in aanmerking te worden genomen. Gelet hierop is verweerder verplicht het door de inspecteur vastgestelde inkomen te volgen, hetgeen verweerder ook heeft gedaan.

32. De rechtbank is van oordeel dat, ondanks het begrijpelijk is dat eiseres dit als een onredelijke situatie ervaart, het wettelijk systeem geen mogelijkheid biedt om het toetsingsinkomen te verlagen. De Awir biedt geen ruimte om bij de vaststelling van het toetsingsinkomen voor de zorgtoeslag rekening te houden met de door eiseres genoemde omstandigheden. De stelling van eiseres, dat verweerder rekening had moeten houden met de voorafgaande correspondentie en de al opgelegde beschikkingen faalt dan ook.

33. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

34. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van

mr. M. van Doesburg, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 14 april 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019,

2500 EA Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.