Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:2680

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-04-2020
Datum publicatie
16-04-2020
Zaaknummer
HAA 18/5258
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen omgevingsvergunning van rechtswege. Niet is komen vast te staan dat e-mail verweerder heeft bereikt. Opschorting beslistermijn liep daarom door. De omgevingsvergunning is daarbij terecht geweigerd.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/HAA 18/5258 WABOA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

gemachtigde: Nedralux B.V. te Bergen (NH),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen, verweerder

gemachtigde: Remi Westbroek, teammanager Toezicht, Handhaving en Veiligheid bij de BUCH.

Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2018 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de eerste aanvraag van eiseres van 26 januari 2018 om een omgevingsvergunning voor het veranderen en vergroten van een appartementenhotel aan de Karel de Grotelaan 6 in Bergen afgewezen.

Bij besluit van 7 juni 2018 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de tweede aanvraag van eiseres van 2 mei 2018 om een omgevingsvergunning voor het uitbreiden van dat appartementenhotel aan de Karel de Grotelaan 6 in Bergen afgewezen.

Bij één besluit van 17 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres van 26 juni 2018, ingekomen 28 juni 2018, tegen het primaire besluit 1 en van 17 juli 2018 tegen het primaire besluit 2 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting is aangevangen op 24 juli 2019. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door A.G.N. van Wonderen, verbonden aan haar gemachtigde. Voor verweerder zijn verschenen mr. T.C.M. van Hooft en mr. M.R. Becker. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst.

Van de zijde van verweerder is bij brief van 24 juli 2019 een stuk overgelegd.

Eiseres heeft zich bij brief van 5 augustus 2019 uitgelaten en stukken overgelegd.

Verweerder heeft daar bij brief van 20 augustus 2019 op gereageerd en stukken overgelegd.

Eiseres heeft daarop bij brief van 17 oktober 2019 gereageerd.

De rechtbank heeft partijen bij brief van 28 november 2019 in de gelegenheid gesteld binnen een termijn van vier weken mee te delen of zij nader op zitting willen worden gehoord. Geen van partijen heeft daarop gereageerd.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

a. Het bouwplan van eiseres voorziet in uitbreiding van het bestaande appartementenhotel met 8 appartementen naar een hotel met 6 appartementen en 20 (hotel-)kamers. Het appartementenhotel is gevestigd in een zogenaamde (Westfriese) stolpboerderij en maakt onderdeel uit van het (beschermde) dorpsgezicht van het centrum van Bergen. Eiseres heeft de omgevingsvergunning onder meer aangevraagd om de bestaande (langwerpige) piramidevormige kap boven de bestaande onderste bouwlaag te vervangen door een zogenaamde (geknikte) mansardekap met vlakke voor- en achtergevel die deels uitsteekt boven de te handhaven onderste bouwlaag. Het bruto vloeroppervlakte van het pand zal door uitvoering van het plan toenemen van 575 m2 naar 1000 m2 en het volume van het pand van 1740 m3 naar 3500 m3.

b. Voorheen gold voor het gebied op en rond het appartementenhotel het bestemmingsplan Bergen Centrum uit 1997. Bij besluit van 11 oktober 2011 heeft de raad ter vervangen van dat bestemmingsplan uit 1997 het bestemmingsplan Bergen Centrum - Beschermd Dorpsgezicht vastgesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Raad van State) heeft dit bestemmingsplan met zijn uitspraak van 21 augustus 2013 vernietigd voor het plandeel met de bestemming “Horeca” voor het perceel Karel de Grotelaan 6. Voor dit perceel heeft de gemeenteraad vervolgens het bestemmingsplan “Chacha-terrein” (gewijzigd) vastgesteld op 2 februari 2017. Dat besluit bevatte zelf geen planregels. Bij het besluit was volstaan met de vermelding: “besluit: het ontwerp-bestemmingsplan Chacha-terrein gewijzigd vast te stellen, zodanig dat de huidige functie, zoals verwoord in het bestemmingsplan Bergen Centrum 1977, en de monumentale verschijningsvorm van de stolp, zoals verwoord in de bestemming ‘waarde Cultuurhistorie’ van het bestemmingsplan Beschermd Dorpsgezicht 2011, worden bestendigd”. Na de vaststelling van dat besluit heeft verweerder planregels opgesteld, bedoeld voor dat bestemmingsplan.

c. De Raad van State heeft bij uitspraak van 9 januari 2018 het besluit van de gemeenteraad van 11 oktober 2011 tot vaststelling van dat bestemmingsplan Chacha-terrein vernietigd en daarbij bepaald dat de gemeenteraad binnen 16 weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit diende te nemen. Voorts heeft de Raad van State toen bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat een aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het plangebied (dus in wezen het perceel Karel de Grotelaan 6) in ieder geval tevens getoetst dient te worden aan artikel 6 van de regels betreffende de bestemming “Waarde- Cultuurhistorie”, die verweerder bij wijze van planregels na vaststelling van het bestemmingsplan Chacha-terrein had opgesteld. Daarbij heeft de Raad van State bepaald dat deze voorziening vervalt op het moment dat het nieuw vast te stellen bestemmingsplan in werking treedt.

d. Op 4 oktober 2018 heeft de gemeenteraad een nieuw bestemmingsplan “Chacha-terrein” vastgesteld voor het perceel Karel de Grotelaan 6.

e. De eerste aanvraag van eiseres, van 26 januari 2018, voor de omgevingsvergunning is voor eiseres verzorgd door bouwkundig ontwerper [naam 1] (hierna: de bouwkundige).

f. Bij brief van 12 februari 2018 heeft de behandelend ambtenaar [naam 2] , medewerker vergunningen bij het intergemeentelijk samenwerkingsverband werkorganisatie De BUCH1, namens verweerder aan eiseres meegedeeld dat de aanvraag niet volledig was en haar in de gelegenheid gesteld ontbrekende gegevens in te dienen. Verweerder heeft daarbij meegedeeld dat de beslistermijn is onderbroken. In de brief is verder vermeld: “Als u nog vragen heeft kunt u bij voorkeur via e-mail contact met mij opnemen” gevolgd door het e-mailadres van de behandelend ambtenaar.

g. De bouwkundige heeft de gevraagde aanvullende gegevens voor eiseres ingediend. Zijn begeleidende brief is gedateerd 2 maart 2018. De gegevens heeft de bouwkundige op 5 maart 2018 geüpload via het omgevingsloket, de landelijke voorziening bedoeld in artikel 7.6 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

h. Bij brief van 11 april 2018 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat hij de beslistermijn op de aanvraag verlengt met zes weken.

i. In de gemeente Bergen adviseert de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit Bergen (ARK) over de vraag of het uiterlijk van het bouwwerk al dan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. De ARK heeft op 2 mei 2018 geadviseerd de eerste aanvraag af te wijzen.

j. Op 8 mei 2018 heeft een beleidsmedewerker Verkeer, Vervoer en Parkeren, werkzaam bij werkorganisatie De BUCH een advies over de parkeerbehoefte als gevolg van het bouwplan uitgebracht (Parkeeradvies). Hij concludeert dat het bouwplan moet voorzien in 16 parkeerplaatsen op eigen terrein en dat valet-parking, die eiseres aankondigt te willen gaan verzorgen, geen oplossing biedt.

g. Op 1 juli 2018 is het (facet)bestemmingsplan “Parkeren” in werking getreden, dat ook geldt voor het perceel waarop het bouwplan betrekking heeft. In dit bestemmingsplan zijn (bouw)regels opgenomen over parkeervoorzieningen en voor laden en lossen. Dit bestemmingsplan is in de plaats gekomen van vergelijkbare regels die tot 1 juli 2018 in de Bouwverordening gemeente Bergen 2012 (Bouwverordening) stonden.

h. In regels over ruimtelijke ordening2 in de gemeente is de Commissie voor Cultuurhistorische Kwaliteit (CCK) aangewezen als commissie voor de advisering over de vraag of de met een beschermd dorpsgezicht samenhangende waarden al dan niet onevenredig worden aangetast als wordt verzocht om afwijking van bouwregels in regels van ruimtelijke ordening die op die waarden betrekking hebben. Op 10 september 2018 heeft de CCK aan verweerder een advies uitgebracht over het bouwplan.

Vertegenwoordiging verweerder ter zitting

2. Ter zitting heeft de rechtbank mr. T.C.M. van Hooft en mr. M.R. Becker verzocht te onderbouwen dat zij gemachtigd zijn, althans volmacht hebben om, verweerder te vertegenwoordigen. Bij de brief van 24 juli 2019 is een verklaring van de gemachtigde van verweerder gevoegd waarin hij hen beiden machtigt hem ter zitting te vertegenwoordigen. Eerst in de brief van 17 oktober 2019 heeft eiseres zich (alsnog) uitgelaten over de vertegenwoordiging ter zitting. Anders dan eiseres daar aanvoert, twijfelt de rechtbank er op basis van de op 24 juli 2019 toegezonden verklaring van de gemachtigde van verweerder niet langer aan dat Van Hooft en Becker bevoegd waren tot vertegenwoordiging van verweerder ter zitting. Zoals uit de door eiseres aangehaalde Bevoegdhedenregeling colleges en burgemeesters BUCH 2018 (artikel 5) blijkt, is aan de gemachtigde van verweerder als teammanager ondermandaat, c.q. volmacht, verleend om verweerder in deze procedure te vertegenwoordigen. De gemachtigde is op grond van artikel 6 van die regeling bevoegd verder ondermandaat of volmacht te verlenen om hem ter zitting te vertegenwoordigen. Anders dan eiseres, althans haar juridisch ongeschoolde gemachtigde kennelijk bedoelt te betogen, is de bevoegdheid tot het verlenen van die volmacht niet in de bijlage bij de Bevoegdhedenregeling uitgesloten. Aan de opmerkingen van eiseres ter zake gaat de rechtbank daarom voorbij. Er is dus geen aanleiding, anders dan eiseres aanvoert, de opmerkingen namens verweerder ter zitting gedaan, buiten beschouwing te laten.

Het primaire besluit 2 op de tweede aanvraag van 2 mei 2018

3. Omdat eiseres geen beroepsgronden heeft ingediend die zijn gericht tegen het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het bezwaar van 17 juli 2018 tegen het primaire besluit 2 op de tweede aanvraag (van 2 mei 2018), is het beroep in zoverre niet-ontvankelijk. De rechtbank zal alleen de rechtmatigheid van het bestreden besluit onderzoeken, voor zover dat ziet op (het primaire besluit 1 op) de eerste aanvraag.

Vergunning van rechtswege?

4. Als meest verstrekkende beroepsgrond heeft eiseres, voor het eerst ter zitting, aangevoerd dat de omgevingsvergunning op de eerste aanvraag van rechtswege is verleend. Zij stelt dat de bouwkundige de ontbrekende gegevens op vrijdag 2 maart 2018 per e-mail aan de behandelend ambtenaar heeft gezonden. De beslistermijn ging daarna volgens eiseres weer lopen. Volgens eiseres verstreek de beslistermijn daardoor op 10 april 2018 en is de vergunning daarom die dag van rechtswege verleend. De verlenging van de beslistermijn op 11 april 2018 had, aldus eiseres, geen effect meer. Eiseres voert in dat kader ook nog aan dat de reactie van verweerder van 10 september 2018 buiten beschouwing moet blijven omdat die reactie volgens eiseres buiten de gegunde drie weken termijn en daarmee te laat zou zijn ingediend.

5. Bij brief van 20 augustus 2019 heeft de rechtbank verweerder verzocht binnen drie weken na verzending van die brief op de uitlating van eiseres van 5 augustus 2019 te reageren. Verweerder heeft dat gedaan bij brief die hij heeft verzonden op 10 september 2019. Hij heeft derhalve binnen drie weken en dus binnen de termijn gereageerd. Dat die brief op 16 september 2019 door de rechtbank is ontvangen, doet daar, anders dan eiseres aanvoert, niet aan af. Ook overigens zou er geen grond zijn dat stuk, anders dan eiseres aanvoert, buiten beschouwing te laten omdat het niet binnen drie weken door de rechtbank zou zijn ontvangen, reeds omdat eiseres voldoende gelegenheid heeft gehad om daarna op dat stuk te reageren.

6. Verweerder betwist niet dat eiseres de gevraagde, ontbrekende gegevens per e-mail kon inzenden maar betwist in zijn reactie van 10 september 2019 dat de behandelend ambtenaar op 2 maart 2018 de mail van de bouwkundige zou hebben ontvangen. Hij voert aan dat hij al het e-mailverkeer tussen de bouwkundige en de behandelend ambtenaar heeft onderzocht, maar dat niet is gebleken dat die ambtenaar op 2 maart 2018 een e-mail van de bouwkundige heeft ontvangen. Verweerder stelt, onder overlegging van een kleine schermprint van ontvangen e-mails, dat de behandelend ambtenaar op 12 februari 2018 en 6 maart 2018 e-mails van de bouwkundige heeft ontvangen maar in de tussentijd niet. Omdat de ontbrekende gegevens eerst op 5 maart 2018 zijn ingediend via het omgevingsloket heeft de termijnverlening op 11 april 2018 effect gesorteerd, zodat tijdig op de aanvraag is beslist, aldus steeds verweerder.

7.1

Op grond van artikel 3.9 Wabo diende verweerder aanvankelijk binnen acht weken na de ontvangst van de aanvraag op 26 januari 2018 te beslissen. Met de brief van 12 februari 2018 heeft verweerder de beslistermijn op grond van artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) opgeschort tot eiseres de ontbrekende gegevens had aangevuld. Verweerder kon op grond van artikel 2.9 Wabo de termijn nog met zes weken verlengen, maar dan moest hij het besluit daartoe binnen de lopende beslistermijn kenbaar maken om effect te sorteren.

7.2

Op grond van artikel 3.9, derde lid, Wabo is paragraaf 4.1.3.3 Awb op de beslissing op de aanvraag van toepassing, zodat op grond van artikel 4:20b Awb de gevraagde beschikking van rechtswege is gegeven als niet tijdig op de aanvraag is beslist.

8. Partijen worden verdeeld gehouden door de voor dit geschilpunt beslissende vraag of (de bouwkundige van) eiseres de ontbrekende gegevens reeds op 2 maart 2018 per e-mail aan de behandelend ambtenaar had doen toekomen, waardoor de beslistermijn vanaf dat moment niet verder was geschorst, of eerst door het uploaden van die gegevens op 5 maart 2018 in het omgevingsloket. Als eiseres gelijk heeft, verstreek de beslistermijn van acht weken, door opschorting vanaf de dag na 12 februari 2018 tot 2 maart 2018, op 10 april 2018. Als zij de ontbrekende gegevens eerst 5 maart 2018 heeft ingediend, is de beslistermijn op 11 april 2018 geldig verlengd.

9. Voor de beantwoording van deze vraag stelt de rechtbank voorop, dat het tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder op de weg van eiseres ligt om aannemelijk te maken dat de e-mail de behandelend ambtenaar daadwerkelijk op 2 maart 2018 heeft bereikt. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd en daarbij de genoemde stukken overgelegd. Zij verwijst naar haar begeleidende brief bij het inzenden van de ontbrekende gegevens met als datum 2 maart 2018. Zij stelt dat deze brief bij e-mail aan de behandelend ambtenaar is gezonden. Zij wijst er verder op dat die ambtenaar in de brief van 12 februari 2018, waarbij hij de ontbrekende stukken heeft opgevraagd, expliciet vermeldt dat contact bij voorkeur per e-mail dient te verlopen. Voorts wijst zij er op dat die ambtenaar van maandag tot donderdag werkt en niet op vrijdag, terwijl 2 maart 2018 een vrijdag was. Voorts stelt zij dat de behandelend ambtenaar op maandag 5 maart 2018 naar de bouwkundige heeft gebeld met het verzoek of de bouwkundige de op 2 maart 2018 ontvangen stukken ook via het omgevingsloket kon laden. Zij legt een stuk (hierna: het document) over dat onder meer als volgt luidt:

“Van: AGN van Wonderen [e-mailadres 1]

Onderwerp: Re: Hotel de Karel

Datum: 5 maart 2018 16:21

Aan: [naam 1] [e-mailadres 2]

[naam 1] ,

Doe maar is prima!

Groet,

Andre

Op 5 mrt. 2018 om 11:49 heeft [naam 1] < [e-mailadres 2] > het volgende geschreven:

Goedemiddag Andre,

Vanmorgen belde [naam 2] mij over de gegevens die ik vrijdag aan hem heb gemaild. Hij vroeg mij deze gegevens ook via het OLO in te dienen. Kun je me laten weten wat ik moet doen?

Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd en zie uw reactie met belangstelling tegemoet.

Met vriendelijke groet,

Ing. [naam 1]

(…)

Van: [naam 1] [mailto: [e-mailadres 2] ]

Verzonden: vrijdag 2 maart 2018 12:31

Aan: [naam 2]

Onderwerp: Hotel de Karel

Beste [naam 2] ,

Bijgaand aangepaste tekeningen en begeleidend schrijven inzake de aanvraag Karel de Grotelaan 6. Zaaknummer: (…)”

Voorts voert zij aan dat de behandelend ambtenaar ook verder per e-mail berichten aan eiseres zendt.

10. Met deze onderbouwing heeft eiseres niet het bewijs geleverd dat zij op 2 maart 2018 (per e-mail) de ontbrekende stukken aan de behandelend ambtenaar heeft doen toekomen. Doorslaggevend daarvoor is dat uit het document niet blijkt dat enige e-mail van de bouwkundige (met de ontbrekende gegevens) de e-mailbox van behandelend ambtenaar op vrijdag 2 maart 2018 daadwerkelijk heeft bereikt. Eiseres heeft geen (e-mail)antwoordbericht overgelegd waaruit de ontvangst op 2 maart 2018 door de behandelend ambtenaar blijkt. Eiseres heeft ook niet een e-mailbericht overgelegd die de bouwkundige aan de behandelend ambtenaar zou hebben gezonden. In het wel overgelegde document is in het derde gedeelte, dat kennelijk zou moeten zien op een tweevoudig doorgestuurd e-mail bericht van 2 maart 2018, geen e-mailadres van de behandelend ambtenaar als geadresseerde vermeld, zodat daaruit ook daarom niet valt op te maken of de bouwkundige op die dag een e-mail aan de behandelend ambtenaar heeft gezonden. De enkele vermelding bij “Aan: [naam 2] ” is daarvoor onvoldoende overtuigend. In het document is voorts wel opgenomen dat “ [naam 2] vanmorgen belde over de gegevens die vrijdag waren gemaild” maar ook die stelling vindt elders geen bevestiging. Bovendien is dat een onbegrijpelijke opmerking omdat de bouwkundige dan niet aan zijn opdrachtgeefster, maar een toen niet betrokken derde een vraag over de aanvraag zou hebben gesteld. Voorts is zonder toelichting ook niet begrijpelijk waarom de bouwkundige daarover wilde overleggen, omdat hij wel bekend was met het omgevingsloket waarin gegevens over bouwaanvragen moeten worden ingediend. De enkele datering van de brief van de bouwkundige op 2 maart 2018 levert ook niet het bewijs dat die brief per e-mail op 2 maart 2018 al was verzonden en dat de aanvullende gegevens de behandelend ambtenaar die dag hebben bereikt. Voorts weegt de rechtbank voor de waardering van het bewijs mee dat eiseres het beroep op de van rechtswege verleende vergunning eerst ter zitting bij de rechtbank heeft gedaan en niet al toentertijd, in april 2018, toen in haar visie de vergunning van rechtswege zou zijn verleend, noch als grond in bezwaar heeft aangevoerd. Dat is een aanwijzing te meer dat die e-mailverzending niet op 2 maart 2018 heeft plaatsgevonden. Een verklaring daarvoor zou nog kunnen zijn dat eiseres niet een derde heeft ingeschakeld, die beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Maar dat is toch geen verklaring, omdat uit het dossier blijkt dat aan eiseres eerder, op 25 januari 2018, door termijnoverschrijding een omgevingsvergunning3 van rechtswege is verleend, zodat eiseres wel bekend was met het gevolg van niet tijdig beslissen op (reguliere) aanvragen om omgevingsvergunning.

11. Eiseres heeft dus niet het bewijs geleverd dat de opschorting van de beslistermijn op vrijdag 2 maart 2018 eindigde.

12. In haar ter zitting overgelegde stuk heeft eiseres nog opgemerkt dat het verzoek van 12 februari 2018 om aanvulling van gegevens ten onrechte niet aan haar gemachtigde zou zijn gestuurd, waardoor het besluit tot verlenging niet op de voorgeschreven wijze zou zijn bekend gemaakt. Voor zover zij bedoelt aan te voeren dat ook daardoor een beschikking van rechtswege zou zijn ontstaan, overweegt de rechtbank nog als volgt. Uit het aanvraagformulier, zoals zich dat onder de processtukken bevindt, blijkt niet dat eiseres de bouwkundige tot gemachtigde had gesteld die namens haar zou optreden in de aanvraagfase. Maar als dat al het geval is geweest, dan blijkt uit de reactie van de bouwkundige, gedateerd 2 maart 2018, dat hij op de hoogte was van het verzoek van 12 februari 2018, die als gevolg had verlenging van de beslistermijn. Niet is gesteld of gebleken dat eiseres door de adressering van het verzoek van 12 februari 2018 aan haar persoonlijk, benadeeld is. Onder die omstandigheden blijft de verzenddatum van de brief van 12 februari 2018 beslissend voor de vraag wanneer de beslistermijn door dat verzoek is verlengd, zodat ook de adressering van dat verzoek niet mee kan brengen dat een beschikking van rechtswege is ontstaan. De beroepsgronden die zien op het tot stand komen van een beschikking van rechtswege, treffen daarom geen doel.

Wettelijk kader

13. In artikel 2.10, eerste lid, Wabo is bepaald wanneer een aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, zoals in dit geval, wordt geweigerd. Er geldt een zogenaamd limitatief/imperatief stelsel: verweerder moet de vergunning weigeren als zich een van de weigeringsgronden voordoet. De weigeringsgronden zijn ondergebracht in vijf onderdelen. Voor onderhavig zaak komen alleen de weigeringsgronden in beeld, die zijn samen te vatten als: b. strijd met voorschriften in de bouwverordening; c. strijd met het bestemmingsplan: d. redelijke eisen van welstand. Als sprake is van strijd met het bestemmingplan dient verweerder op grond van het tweede lid ook te onderzoeken of van de regels in het bestemmingplan kan worden afgeweken met toepassing van artikel 2.12 Wabo.

Standpunt verweerder over de aanvraag

14. Verweerder heeft aan de weigering om de omgevingsvergunning te verlenen, samengevat de volgende argumenten ten grondslag gelegd.

a. het bouwplan is strijdig met de in de Bouwverordening 2012 gestelde eis dat moet worden voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein (artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder b, Wabo); verweerder verwijst naar het Parkeeradvies van 8 mei 2018; in het bestreden besluit heeft verweerder aangegeven dat er in afwijking van het Parkeeradvies en het primaire besluit 1 geen 16 parkeerplaatsen op eigen terrein extra nodig zijn, maar 14, omdat er twee appartementen wegvallen.

b. het bouwplan is op twee punten strijdig met de ter plaatse geldende bestemmingsplannen en regels ruimtelijke ordening (artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, Wabo):

1. Bestemmingsplan Bergen Centrum - Beschermd Dorpsgezicht: er is sprake van overkraging doordat de kap aan de straatzijde volgens het plan wordt rechtgetrokken. Het dakoverstek dat daardoor ontstaat aan de noord-/straatzijde is groter dan de toegestane 20 cm en geprojecteerd op gronden met de bestemming “verkeer” die strak tegen de oude voorgevel/darsdeuren aan liggen. Ook staat de overkraging daardoor buiten het bouwvlak geprojecteerd, hetgeen volgens de planregels ook niet is toegestaan.

2. Voor het perceel geldt de bestemming Waarde-Cultuurhistorie. De bestaande dakvormen en dakhellingen mogen op grond van de bij die bestemming horende bepalingen niet worden gewijzigd. Voor wijziging in afwijking van die regels is advies vereist van CCK. CCK heeft negatief geadviseerd. Verweerder volgt dat advies.

Omdat er een negatief parkeeradvies is en omdat de ARK negatief over het plan heeft geadviseerd, ziet verweerder geen aanleiding om mee te werken aan afwijking van de bestemmingsplannen ten behoeve van het bouwplan, hoewel het bouwplan onder de zogenaamde kruimelgevallenregeling valt (artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede, Wabo).

c het bouwplan is in strijd is met redelijke eisen van welstand (artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, Wabo); verweerder neemt het negatieve advies van de ARK over.

Parkeerplaatsen

15.1

Artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening luidde tot 1 juli 2018 als volgt:

1. Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen

Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

(…)

4. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste en het derde lid:
a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

15.2

Voor de toepassing van artikel 2.5.30 Bouwverordening heeft verweerder de notitie Ruimtelijk Parkeerbeleid 2009 vastgesteld. In de notitie is onder meer vermeld: “Huidige functies of functies volgens het vigerende bestemmingsplan hebben geen invloed bij de bepaling van het aantal benodigde parkeerplaatsen.” In de notitie is beschreven hoe wordt bepaald welke nieuwe parkeerbehoefte een bouwplan genereerd. Het huidige theoretische parkeergebruik wordt daartoe afgetrokken van het aantal parkeerplaatsen waarvoor het bouwplan volgens bijgevoegde parkeernormen de behoefte genereert. Vervolgens wordt bekeken of die parkeerbehoefte op eigen terrein en daarna in openbaar gebied kan worden opgelost. Bij de notitie is een bijlage opgenomen: “Parkeernormen gemeente Bergen (Bron: ASVV 2004 van CROW)” waarin per type gebouw is aangegeven welke parkeerbehoefte wordt gegeneerd.

15.3

Het sedert 1 juli 2018 geldende bestemmingsplan Parkeren luidt voor zover van belang:

3.1

Parkeervoorzieningen

Een omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van een bouwwerk wordt slechts verleend indien in, op of onder het bouwwerk, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het bouwwerk behoort, in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid, wordt bepaald aan de hand van het bepaalde in de 'Notitie Ruimtelijk Parkeerbeleid 2009'.

(…)

3.3

Afwijkingsbevoegdheid

a. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.1 indien:

1. het voldoen aan deze regel door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of

2. op andere geschikte wijze in de nodige parkeergelegenheid wordt voorzien;

3. strikte toepassing van de nota leidt tot een bijzondere hardheid, die niet door dringende redenen/noodzaak wordt gerechtvaardigd;

onder de voorwaarde dat dit mogelijk is indien de structuur van de omgeving daartoe aanleiding geeft en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en de verkeerssituatie ter plaatse.

16. Eiseres voert aan dat het parkeeradvies niet deugt. De bestaande parkeerplaatsen in het bestemmingsplan van 1977 zijn ten onrechte niet meegenomen in de parkeerberekening. Er kan voorts worden voorzien in de parkeerbehoefte middels VIP valet parking op eigen terrein van eiseres elders in de gemeente. Zij beroept zich op de afwijkingsbevoegdheid.

17. De rechtbank laat in het midden of dit onderdeel van het bestreden besluit en de beroepsgrond nu moeten worden getoetst aan de Bouwverordening, die ten tijde van het primaire besluit 1 nog gold, of aan het bestemmingsplan Parkeren dat ten tijde van het bestreden besluit gold, omdat in beide gevallen vergelijkbare regels gelden en uiteindelijk wordt teruggegrepen op de dezelfde Notitie Ruimtelijk Parkeerbeleid 2009. Voorts verschilt het beoordelingskader in het licht van de aangevoerde beroepsgronden niet relevant voor de mogelijkheid om af te wijken van de hoofdregel.

18. Op zich is niet in geschil dat uitbreiding van 8 appartementen naar 6 appartementen en 20 hotelkamers volgens de Parkeernormen tot een toename in de parkeerbehoefte leidt van 14 parkeerplaatsen. In het bouwplan is voor deze parkeerbehoefte op het terrein bij het appartementenhotel geen voorziening getroffen.

19. Eiseres heeft echter de juistheid van de berekening van de parkeerbehoefte betwist, door aan te voeren dat de bestaande parkeerplaatsen die onder het bestemmingsplan uit 1977 meetelden, niet zijn meegenomen in de berekening. De rechtbank begrijpt dat eiser zich daarbij op het standpunt stelt dat in 1977 bij het opstellen van het bestemmingsplan er van is uitgegaan dat voor de horeca die toen gevestigd was in het pand (“Discotheek Chacha”), met 45 parkeerplaatsen rekening was gehouden.

20. Die beroepsgrond gaat niet op. Zoals verweerder heeft overwogen (in navolging van de bezwaarcommissie) is in de Notitie Ruimtelijk Parkeerbeleid 2009 opgenomen dat het bouwplan alleen kan worden goedgekeurd als de toename in de parkeerbehoefte kan worden opgelost door realisatie van parkeerplaatsen op eigen terrein en dat de toename in parkeerbehoefte dient te worden berekend door de volgende stappen te doorlopen:

Stap 1: bepalen aantal parkeerplaatsen dat het bouwplan genereert met behulp van parkeernormen;

Stap 2: huidige theoretische parkeergebruik aftrekken van aantal parkeerplaatsen volgens stap 1. Het resultaat hiervan bepaalt de parkeeropgaaf;

2 Hierbij moet er rekening mee worden gehouden dat een plan ook parkeerders kan trekken die in het openbaar gebied zullen parkeren. Bezoekers van appartementbewoners bijvoorbeeld zullen in de regel niet parkeren in een besloten parkeervoorziening, omdat de kans groot is dat er hier geen plaats meer is.

Stap 3: bekijken of de parkeeropgaaf op eigen terrein kan worden opgelost. Als de parkeeropgaaf op eigen terrein kan worden opgelost: bouwplan op dit punt goedkeuren.

Indien de parkeeropgaaf niet of niet geheel op eigen terrein kan worden opgelost:

Stap 4: onderzoeken of dit deel in het openbaar gebied kan worden opgelost.

Indien het parkeren in openbaar gebied kan worden opgelost: in de vergunning opnemen dat het deel dat op eigen terrein kan worden opgelost daadwerkelijk wordt gerealiseerd + afspraak vastleggen van compensatie4 in openbaar gebied.

Indien het parkeren in openbaar gebied niet kan worden opgelost: geen vergunning afgeven op dit gebied.

Verweerder gaat er gelet op de Notitie terecht vanuit dat hierbij onder het huidige theoretische parkeergebruik moet worden verstaan de theoretische parkeerbehoefte op basis van het gebruik ten tijde van het besluit op de aanvraag als dat ook planologisch was toegestaan. Ten tijde van het besluit was het perceel legitiem in gebruik als appartementenhotel met 8 appartementen. Bij de berekening van de parkeerbehoefte heeft verweerder dan ook terecht alleen met het daarbij horende huidige theoretische parkeergebruik rekening gehouden en niet met 45 parkeerplaatsen waarmee volgens eiser onder een ander, eerder gebruik wellicht rekening was gehouden.

21. Eiseres doet daarnaast een beroep op de afwijkingsbepaling. Zij stelt op andere wijze in de parkeerbehoefte te voldoen door zogenaamde valet-parkeren aan te bieden, hetgeen betekent – naar de rechtbank begrijpt - dat voertuigen van hotelbezoekers elders, buiten het centrum van Bergen, op een terrein van eiseres zullen worden geparkeerd.

22. Verweerder is niet bereid gebruik te maken van zijn bevoegdheid om van de parkeernorm af te wijken. Hij voert aan dat de kans bestaat dat de valet-parking op 2,5 kilometer van het appartementenhotel een wassen neus zal blijken en dat de parkeerdruk rond het hotel ondanks dat aanbod zal toenemen. Gelet op deze motivering heeft verweerder in redelijkheid kunnen weigeren gebruik te maken van zijn bevoegdheid om van de regels af te wijken. De door eiseres nog aangehaalde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 april 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ7526) en de daarin gebezigde redenering maakt dit oordeel niet anders. In die zaak had het vergunningverlenende bestuursorgaan besloten om vanwege het aanbod van valet-parking wel gebruik te maken van een vergelijkbare afwijkingsbevoegdheid. Derden waren daartegen opgekomen. Marginaal toetsend kwam de Raad van State in dat geval tot de conclusie dat wel in redelijkheid tot afwijking van de parkeereis kon worden besloten. Dit betekent echter nog niet dat verweerder in onderhavige situatie gehouden zou zijn om met toepassing van zijn discretionaire bevoegdheid mee te werken aan het aanmerken van valet-parking als toereikend alternatief voor parkeren op eigen terrein. Anders gezegd: dat rekening zou kunnen worden gehouden met valet-parking als alternatief, betekent nog niet dat verweerder een dergelijk alternatief onder alle omstandigheden moet accepteren. Dat staat immers niet in de betreffende regels.

23. De weigering van de omgevingsvergunning met een beroep op de parkeerregels kan dus de toetsing in rechte doorstaan.

Overkraging

24. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de overkraging geen reden is om niet mee te werken aan het bouwplan. Artikel 17 van de planregels in enig bestemmingsplan is niet van toepassing. (Ook) voor dit onderdeel van het bouwplan mag, aldus eiseres, niet getoetst worden aan de bestemmingsplannen uit 2011 en 2017 die niet voor haar perceel aan de Karel de Grotelaan 6 gelden.

25. Eiseres heeft niet betwist de stelling van verweerder dat de grens van het bestemmingsplan Bergen Centrum - Beschermd Dorpsgezicht strak langs de voorgevel van het appartementenhotel loopt ook ter plaatse van de terugliggende darsdeuren. De eerste verdieping ter plaatse van de darsdeuren gaat volgens het bouwplan overkragen, dat wil zeggen uitsteken voorbij de begane-grondgevel bij de darsdeuren. Dat betekent dat op dat deel van het bouwplan, anders dan eiseres aanvoert het bestemmingsplan Bergen Centrum - Beschermd Dorpsgezicht wel van toepassing is. Daar geldt de bestemming “verkeer”. In artikel 13 van dat bestemmingsplan, dat ziet op de bestemming verkeer, zijn regels voor overstek gegeven. Dakoverstekken mogen op grond van artikel 13.2 aanhef en onder g boven de bestemming verkeer maximaal 20 centimeter bedragen. Eiseres heeft, nog daargelaten of een verdieping zoals voorzien een dakoverstek is in de zin van dat bestemmingsplan5 hetgeen verweerder betwist6, niet bestreden dat de eerste verdieping meer dan 20 centimeter oversteekt zoals verweerder ook stelt. Het bouwplan is dus ook in zoverre in strijd met het bestemmingsplan. Verweerders weigering op dit punt van het bestemmingsplan af te wijken heeft eiseres niet nader gemotiveerd bestreden. De beroepsgrond tegen deze weigeringsgrond slaagt dus ook niet.

Waarde Cultuurhistorie: bestaande dakvorm

26. Als gevolg van de voorlopige voorziening in de uitspraak van de Raad van State van 9 januari 2018 moest tot aan het inwerkingtreden van het nieuwe bestemmingsplan Chacha-terrein7 dat de gemeenteraad moest vaststellen voor het perceel Karel de Grotelaan 68 een nieuwe aanvraag om omgevingsvergunning – naar de rechtbank begrijpt bij wijze van toetsing aan een regel van ruimtelijke ordening als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c Wabo - worden getoetst aan artikel 6 van de regels – betreffende de bestemming “Waarde- Cultuurhistorie” -, die verweerder bij wijze van planregels na vaststelling van het bestemmingsplan Chacha-terrein had opgesteld (hierna: artikel 6 Cultuurhistorie). Dat betekent dat ook onderhavige aanvraag aan die regels moest worden getoetst.

27. Dat artikel 6 Cultuurhistorie luidt voor zover van belang:

6.1

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde – Cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en de veiligstelling van de cultuurhistorische waarden welke samenhangen met het beschermde dorpsgezicht.

6.2

Bouwregels

Voor het bouwen op de in lid 6.1 bedoelde gronden gelden, naast en mogelijk in afwijking van het bepaalde elders in deze regels, de volgende regels:

a. bestaande kapvormen en dakhellingen mogen niet worden veranderd;

(…)

6.3

Afwijken van de bouwregels

6.3.1

Algemeen

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.2 met dien verstande dat de waarden die samenhangen met het beschermd dorpsgezicht hierdoor niet mogen worden aangetast en dat de maximale maten zoals elders in deze regels bepaald in acht worden genomen. Op deze bevoegdheid tot afwijken is lid 6.3.2 van toepassing.

6.3.2

Adviesprocedure

a. de bevoegdheid tot afwijken zoals bedoeld in lid 6.3.1, wordt uitsluitend toegepast indien vooraf advies is ingewonnen bij de Commissie Cultuurhistorische Kwaliteit over de vraag of de met het beschermde dorpsgezicht samenhangende waarden niet onevenredig worden aangetast.

b. in het advies van de Commissie Cultuurhistorische Kwaliteit wordt getoetst aan het Beeldkwaliteitplan Bergen Centrum d.d. december 2009 en worden de volgende waarden betrokken:

1. het kleinschalige, besloten en intieme karakter van de bebouwingsring rondom de Ruïnekerk;

2. de verscheidenheid aan functies in de bebouwingsring rondom de Ruïnekerk;

3. het contrast tussen het groene rustpunt van de Ruïnekerk en de levendige buitenring;

4. het contrast tussen de ovale accentuering van de Ruïnekerk door bomen en de rechthoekige vorm van het plein, waardoor de aanwezigheid van de kerk op het hoogste punt van het oude dorp wordt verbijzonderd;

5. de traditionele kleinschalige woonhuizen met bedrijfsfunctie op de begane grond, die grotendeels bestaan uit één bouwlaag met een vaak steile kap, waarbij de nok bij smallere panden meestal loodrecht op en bij bredere panden meestal evenwijdig aan de straat is gericht;

6. het afwisselende bebouwingsbeeld door de opbouw van de pleinwanden uit afzonderlijke panden;

7. de ligging van de bebouwing dicht op elkaar en dicht op de weg;

8. de verspringende rooilijnen met knikjes en uitsparingen;

9. de variatie in kapvorm, kaprichting, topgevels en dakkapellen; de variërende perceelsbreedten van gemiddeld 7 tot 10 m en ingeval van bijzondere bebouwing bredere percelen;

10. kenmerkende smalle tussenruimten (stegen) ter plaatse van niet-aaneengesloten gebouwen;

11. de zorgvuldige detaillering van de oudere bebouwing;

12. de situering van oudere dorpsbebouwing langs de oude uitvalswegen;

13. de wegenstructuur welke te herleiden is naar de historische verbindingen tussen de verschillende buurtschappen en richting de Ruïnekerk;

14. de boombeplanting en de inrichting van de openbare ruimte;

15. het onderscheid in de bestrating tussen het voetgangersgebied en het gebied voor het overige verkeer;

16. de zichtlijnen naar het plein.

28. Niet in geschil is dat het bouwplan voorziet in een wijziging van de bestaande kapvorm en dakhelling zodat het plan in strijd is met artikel 6 Cultuurhistorie. Verweerder heeft onderzocht of hij gebruik zal maken van zijn bevoegdheid om van die regel af te wijken. Daartoe heeft hij - in bezwaar - het advies van de CCK ingewonnen. Verweerder zag gelet op dat advies geen aanleiding – naar de rechtbank begrijpt met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a en onder ten tweede Wabo - van de regel af te wijken.

29. Eiseres heeft tegen dit onderdeel van het bestreden besluit aangevoerd, dat de stolp/het appartementenhotel geen beschermde status heeft en dat verweerder niet voorafgaand aan het primaire besluit 1 CCK-advies heeft gevraagd. Zij voert verder aan dat zij ten onrechte niet is uitgenodigd voor de behandeling in de commissie. Zij “betwist” de juistheid van het CCK-advies en betwist dat is getoetst aan het beeldkwaliteitsplan. Zij betwist verder – naar de rechtbank begrijpt - de geldigheid van het beeldkwaliteitsplan. Zij voert voorts aan dat het bouwplan aan het zicht wordt onttrokken door de bouw van “De 7 Dorpelingen”.

30. Het negatieve CCK-advies luidt samengevat: de status van beschermd dorpsgezicht is gericht op instandhouding. De stolp wordt in het Beeldkwaliteitsplan benoemd als orde 1 pand. Dit veronderstelt een restauratieve aanpak. De oorspronkelijke en nog aanwezige kenmerkende vorm van het piramidedak is daarbij het belangrijkste element. Door het verticaal optrekken van de voorgevel en de hoge mansardekap wordt het plan te dominant voor deze gevoelige plek. De bovenbouw is zwaar van vorm ten opzichte van de onderbouw. Het plan beneemt het zicht op (de groene ruimte rondom) de Ruïnekerk vanuit de Karel de Grotelaan voor zover gezien oostelijk van nummer 6. De in de gebiedscriteria genoemde kleinschaligheid wordt door het bouwplan teniet gedaan. De bestaande stolp is op deze plek van groot belang voor de ervaring van de stedenbouwkundige ruimte. Temeer daar de stolp van de Karel de Grotelaan ook van opzij volledig in het zicht ligt. De nu voorgestelde mansardekap met rechtstandige voor- en achtergevel leidt tot een grote toename van het volume en het zijaanzicht. De CCK adviseert negatief ten aanzien van het verdwijnen van de stolp.

32. De gronden van eiseres tegen dit onderdeel van het besluit treffen ook geen doel. Dat wel sprake is van een beschermde status als onderdeel van een beschermd dorpsgezicht volgt reeds uit de verplichting tot toetsing aan artikel 6 Cultuurhistorie die voortvloeit uit de uitspraak van de Raad van State zodat niet zonder afwijkingsvergunning de kapvorm mag worden veranderd. De procedurele grieven vinden geen steun in het recht, zodat die ook niet afdoen aan het besluit. Hetgeen eiseres aanvoert tegen het CCK-advies kan daar ook niet aan afdoen. Uit het advies zelf blijkt dat de CCK, anders dan eiseres aanvoert, aan het beeldkwaliteitsplan heeft getoetst. Verweerder heeft voorts onbestreden aangevoerd dat de stolp/het appartementenhotel aan de straat grenst, zodat de stelling dat een ander gebouw het bouwplan aan het zicht onttrekt, feitelijke grondslag mist. Eiseres heeft ook overigens niet onderbouwd aangevoerd, waarom verweerder het CCK-advies niet zou mogen volgen. De weigering de omgevingsvergunning te verlenen onder verwijzing naar artikel 6 Cultuurhistorie kan derhalve ook de toetsing in rechte doorstaan.

Welstand

33. Verweerder heeft de aanvraag voorts afgewezen onder verwijzing naar het negatieve welstandsadvies van de ARK.

34. In zijn advies heeft ARK onder meer overwogen: het plan is door het verticaal optrekken van de voorgevel en de hoge mansardekap te dominant voor deze gevoelige plek. Het plan vermindert door het rechtop trekken van de voorgevel het zicht op (de groene ruimte rondom) de Ruïnekerk vanuit de Karel de Grotelaan, voor zover gezien oostelijk van nummer 6. De in de gebiedscriteria genoemde kleinschaligheid wordt door het bouwplan teniet gedaan. De nu voorgestelde mansardekap met rechtstandige voor- en achtergevel leidt tot een grote toename van het volume en het zijaanzicht. De nu gekozen dakvorm leidt in zijn huidige verhoudingen niet tot een aanvaardbaar beeld. De bestaande footprint van de stolp, die één op één als basis dient voor het nieuwe gebouw, is te breed om tot een evenwichtig gedimensioneerde mansardekap te komen. Het belangrijkste element van de stolp, het piramidevormig dak wordt in het voorliggende ontwerp volledig verwijderd. De ARK acht het voorliggende bouwplan te volumineus en niet passend voor deze gevoelige plek. De ARK adviseert daarom de gevraagde vergunning niet te verlenen.

35. Dit onderdeel van het bestreden besluit heeft eiseres niet bestreden. Deze weigeringsgrond draagt op zichzelf, wat er van de andere hiervoor toereikend geachte weigeringsgronden ook zou zijn, reeds zelfstandig het bestreden besluit.

Overige gronden

33. Hetgeen eiseres nog meer of anders niet nader gemotiveerd heeft aangevoerd – zoals haar beroep op onzorgvuldigheid in besluitvorming en op rechtszekerheid -, doet aan de voorgaande overwegingen niet af.

Conclusie

34. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit op het bezwaar tegen het primaire besluit 1 is ongegrond.

35. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, nog daargelaten of voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gemaakt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen het besluit op het bezwaar tegen het primaire besluit 2;

  • -

    verklaart het beroep ongegrond voor zover dat is gericht tegen het besluit op het bezwaar tegen het primaire besluit 1.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier, op 8 april 2010.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare zitting. Zodra dat weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken. De uitspraak wordt wel op www.rechtspraak.nl gepubliceerd.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 BUCH: Bergen, Uitgeest, Castricum, Heemskerk.

2 Bijvoorbeeld in het onder c hiervoor bedoelde artikel 6 van de regels – betreffende de bestemming “Waarde- Cultuurhistorie”.

3 Die andere aanvraag zag op een omgevingsvergunning voor parkeren op eigen terrein.

4 Volgens de notitie dient de aanvrager daarvoor met de gemeente een geldelijke compensatie overeen te komen.

5 In artikel 1.38 van dat bestemmingsplan Bergen Centrum – Beschermd Dorpsgezicht is dakoverstek gedefinieerd als: de breedte van de dakrand (inclusief de goot) welke zich buiten de verticale projectie van de gevel bevindt.

6 Verweerder heeft er overigens ook nog op gewezen dat eiseres geen eigenaar is van die grond en dat niet is gebleken dat de eigenaar voor de overkraging toestemming heeft gegeven.

7 Van oktober 2018.

8 Dat nieuwe bestemmingsplan Chachaterrein heeft de gemeenteraad op 4 oktober 2018 vastgesteld is kennelijk door het verstrijken van de beroepstermijn in werking getreden.