Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:2670

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-04-2020
Datum publicatie
09-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1356
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

MRB naheffiingsaanslag plus boete.

Eiseres was ingezetene en heeft gereden met auto met buitenlandskenteken. Eiseres is niet geslaagd in tegenbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/936
Viditax (FutD), 15-04-2020
FutD 2020-1244
V-N 2020/34.35.29
NTFR 2020/1176
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/1356

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 april 2020 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, Centrale administratieve processen, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 9 mei 2014 tot en met 31 mei 2018 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (hierna: mrb) opgelegd ten bedrage van € 6.844, alsmede bij beschikking een boete van € 5.278.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft een nader stuk ingediend, welke in afschrift is verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2020 te Haarlem.

Eiseres is verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. M. Masman.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres staat met ingang van 17 februari 1965 in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) ingeschreven op een Nederlands adres. Bij een controle op 1 juni 2018 om ongeveer 19.47 uur is aan de [a] geconstateerd dat eiseres een personenauto, voorzien van een niet in Nederland geregistreerd kenteken (hierna: de auto), bestuurde.

2. Verweerder heeft eiseres bij brief van 11 september 2018 een vooraankondiging gezonden van de in verband met voormelde constatering op te leggen naheffingsaanslag en te nemen boetebeschikking. In de brief is onder meer opgenomen:

Opbouw naheffingsaanslag

Periode van naheffing: 9 mei 2014 tot en met 31 mei 2018

Basis tarief: € 2.128

Brandstoftoeslag: € 3.142

Provinciale opcenten: € 1.574

Boete: € 5.278

Te betalen: € 12.122 (na afronding)”

In de brief wordt eiseres de mogelijkheid geboden hierop te reageren, waarbij tevens eventuele bewijsstukken kunnen worden meegezonden. Eiseres heeft daarop gereageerd.

Geschil

3. In geschil is of de naheffingsaanslag en de boete terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat de auto niet gedurende de periode waarover is nageheven, in Nederland aan haar ter beschikking heeft gestaan.

4. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld

- dat de auto in Polen is geregistreerd alwaar wegenbelasting werd voldaan. De auto is van het bedrijf waar haar man werkte. Hij kwam ieder weekend met de auto naar huis. Omdat zowel zijzelf als haar man in Nederland de beschikking hadden over een andere auto, hebben zij verder in Nederland de auto niet gebruikt;

- dat zij slechts éénmalig met de auto heeft gereden. Zij heeft op het laatste moment besloten om met de auto naar een bijeenkomst te gaan die werd gesponsord door het bedrijf waar haar man werkte; en

- dat verweerder uitspraak heeft gedaan alvorens haar te horen. Zij is ervan overtuigd dat de uitspraak op bezwaar anders had geluid indien verweerder haar, zoals verzocht, had gehoord. Immers de tweede naheffingsaanslag is komen te vervallen omdat verweerder haar toen wel heeft gehoord. Op beide naheffingsaanslagen zijn dezelfde grieven van toepassing.

Beoordeling van het geschil

Het horen

5. De rechtbank zal allereerst beoordelen of verweerder het horen van eiseres achterwege heeft kunnen laten.

6. Artikel 25, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) bepaalt dat in afwijking van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) een belanghebbende op zijn/haar verzoek wordt gehoord. Eiseres heeft verzocht om te worden gehoord. Verweerder had eiseres dus moeten horen.

7. Artikel 6:22 van de Awb bepaalt dat de uitspraak op bezwaar ondanks de schending van een vormvoorschrift in stand kan worden gelaten, indien aannemelijk is dat de belanghebbende daardoor niet in zijn/haar belangen is geschaad.

8. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres weliswaar had moeten worden gehoord, maar dat zij door het nalaten daarvan niet in haar belangen is geschaad, aangezien de grieven die in beroep zijn aangevoerd geen aanleiding geven om een ander standpunt in te nemen. De rechtbank volgt verweerder hierin. Gelet hierop leidt dit vormverzuim naar het oordeel van de rechtbank niet tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar. Verweerder heeft ter zitting verklaard bereid te zijn het griffierecht te vergoeden. De rechtbank ziet hierin aanleiding te bepalen dat verweerder het griffierecht aan eiseres vergoedt.

9. Dat – zoals eiseres stelt – het horen in een andere procedure wel tot een voor haar gunstige uitkomst heeft geleid en dat dit in de onderhavige procedure dus ook het geval zou zijn, leidt niet tot een ander oordeel. Ten eerste betreft het twee beschikkingen die zijn gegeven op basis van verschillende onderdelen van de regelgeving. Ten tweede is het bezwaarschrift in de andere procedure – naar verweerder ter zitting heeft toegelicht – niet gegrond verklaard op basis van hetgeen eiseres in de hoorzitting heeft aangevoerd, maar doordat verweerder heeft onderkend dat de desbetreffende beschikking op grond van de van toepassing zijnde regelgeving nooit had mogen worden afgegeven.

De naheffingsaanslag

10. Het gaat hier om een naheffingsaanslag die is opgelegd op basis van artikel 34 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet). Voor de beoordeling van de naheffingsaanslag moeten diverse stappen worden doorlopen gelet op het arrest van de Hoge Raad van 5 april 2019 met nummer 18/02987 (ECLI:NL:HR:2019:483). Uit deze uitspraak blijkt ook dat het naheffen van de mrb over een periode van niet langer dan vijf jaar voor een in het buitenland geregistreerde auto, anders dan eiseres heeft gesteld, niet in strijd is met het Unierecht.

Stap 1: belastbaar feit

11. Op 1 juni 2018 is geconstateerd dat eiseres in Nederland van de weg heeft gebruikgemaakt met een auto met buitenlands kenteken. Dit betekent dat eiseres houder was van de auto in de zin van de Wet. Verder staat vast dat eiseres geen Nederlandse mrb daarvoor heeft betaald. Op basis hiervan is het opleggen van de naheffingsaanslag terecht. Dit volgt uit artikel 1, eerste lid, artikel 6, artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, artikel 7, derde lid, aanhef en onder a, artikel 13, eerste en tweede lid, en artikel 34 van de Wet.

12. Er kan dus niet worden gezegd dat verweerder heeft gehandeld in strijd met wet- en regelgeving, ook al komt de uitkomst eiseres onredelijk voor. De rechtbank kan zich hierover niet uitlaten, omdat eiseres zich daarmee richt tegen het bepaalde in de regelgeving als zodanig. Artikel 11 van de Wet algemene bepalingen bepaalt immers dat de rechter volgens de wet moet rechtspreken en dat hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen. De bezwaren van eiseres tegen de hiervoor bedoelde wettelijke regeling als zodanig behoren dan ook gericht te worden aan het adres van de wetgever.

Stap 2: uitgangspunt berekeningsperiode

13. Verweerder heeft de naheffingsaanslag berekend over de periode 9 mei 2014 tot en met 31 mei 2018. Deze berekeningsperiode is niet te lang. De naheffingsaanslag mag namelijk als uitgangspunt worden berekend over een periode die (op zijn vroegst) aanvangt op de dag waarop eiseres is ingeschreven als ingezetene in de BRP en die eindigt de dag voorafgaand aan de dag waarop het gebruik van de weg wordt geconstateerd. Dit volgt uit artikel 34 in combinatie met artikel 13, tweede lid, van de Wet. In dit geval is als aanvangsdatum genomen de dag waarop de auto te naam is gesteld op de eigenaar. Dit leidt tot een lagere aanslag dan bij toepassing van het voornoemde uitgangspunt, waarbij de datum van inschrijving in de BRP als startpunt wordt genomen.

Stap 3: is eiseres in het leveren van tegenbewijs geslaagd?

14. De berekeningsperiode houdt in de kern een vermoeden in met betrekking tot de periode waarin eiseres houder was van de auto in Nederland in de zin van de Wet. Eiseres heeft de mogelijkheid om tegenbewijs te leveren. Hier is niet in geschil dat eiseres in de berekeningsperiode haar hoofdverblijf in Nederland had. Er zijn dan twee tegenbewijsmogelijkheden. Eiseres heeft de mogelijkheid om aannemelijk te maken (i) dat de auto haar in Nederland ter beschikking heeft gestaan met ingang van een latere dag dan 9 mei 2014, of (ii) dat de auto haar in een of meer tussenliggende tijdvakken niet in Nederland ter beschikking heeft gestaan. Gelet op rechtsoverweging 5.1.9, slotzin, en rechtsoverweging 5.7.2 van eerdergenoemd arrest van de Hoge Raad, moet onder ‘in Nederland ter beschikking staan’ worden verstaan ‘in Nederland feitelijk en niet geheel voorbijgaand ter beschikking staan’.

15. Eiseres heeft in dat verband aangevoerd dat zij de auto slechts éénmalig heeft gebruikt én dat zij de beschikking had over een andere auto zodat er ook geen noodzaak was om de auto te gebruiken.

16. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet in de op haar rustende bewijslast is geslaagd. Daarbij moet worden bedacht dat van belang is of de auto eiseres ter beschikking stond. Of zij de auto ook feitelijk vaker heeft gebruikt, is na een eerste constatering niet relevant. Uit de eigen verklaring van eiseres blijkt dat de auto ieder weekend in Nederland was. Gelet hierop stond de auto haar met grote regelmaat ter beschikking.

Overigens wordt de stelling van eiseres dat zij de auto eenmalig heeft gebruikt, op geen enkele wijze ondersteund door bewijs. Dat zij niet vaker is aangehouden, is daarvoor niet van betekenis.

Dat – zoals eiseres stelt – zij gedurende de berekeningsperiode een eigen auto ter beschikking heeft gehad, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Dit feit is geen beletsel voor het gebruiken van de onderhavige auto.

Op basis van de Wet is er daarom geen aanleiding om de naheffingsaanslag te vernietigen of te verminderen. De naheffingsaanslag blijft daarom in stand.

Boete

17. De boete is in overeenstemming met artikel 37 van de Wet in combinatie met artikel 67c van de AWR opgelegd. Het beboetbare feit is begaan. Eiseres heeft namelijk gebruikgemaakt van de weg in Nederland met een auto met een buitenlands kenteken zonder mrb te hebben voldaan. Dat eiseres niet wist van deze verplichting, maakt dat niet anders. Opmerking verdient verder dat opzet of schuld niet is vereist. Wel moet een boete achterwege blijven bij afwezigheid van alle schuld, maar daarvan is hier geen sprake. Dat eiseres zich door een adviseur onjuist heeft laten voorlichten en niet op de hoogte was van de regelgeving, kan haar niet baten. Verder zijn geen bijzondere (financiële) omstandigheden gesteld of bekend die aanleiding vormen om de boete te matigen of te vernietigen. De rechtbank acht de boete passend en geboden.

Slotsom

18. Het beroep is daarom ongegrond.

Proceskosten

19. Bij deze uitkomst van de procedure bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.K.A. Efstratiades, rechter, in aanwezigheid van
E. Hoekman, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 1 april 2020.

Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, worden al deze uitspraken alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

De griffier is verhinderd de uitspraak te tekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.