Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:2668

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-04-2020
Datum publicatie
09-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1539
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres was ingezetene en heeft gereden met auto met buitenlands kenteken. Eieres was dus houdster. Eiseres is niet geslaagd in tegenbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/919
Viditax (FutD), 15-04-2020
FutD 2020-1243
V-N 2020/34.35.30
NTFR 2020/1178
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Noord-Holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/1539

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 april 2020 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, Centrale administratieve processen, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 26 februari 2016 tot en met 27 september 2018 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (hierna: mrb) opgelegd ten bedrage van € 2.341, alsmede bij beschikking een boete van € 2.341.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

[Geslacht.eiser]Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2019 te Haarlem.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.E. van de Peppel, mr. K.D. Kortman en J.C. Mossing Holsteyn. Eiseres is niet verschenen. Omdat niet kon worden vastgesteld dat de uitnodiging voor de zitting aan eiseres was uitgereikt, is met toepassing van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht het onderzoek geschorst.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2020 te Haarlem.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Masman. Eiseres is niet verschenen. Eiseres is door de griffier bij aangetekende brief en bij niet aangetekende brief, beide verzonden op 17 december 2019 aan eiseres op het laatst bekende adres [a] , onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. De aangetekende brief is op de griffie retour ontvangen op 21 januari 2020. Op de enveloppe stond vermeld: “inconnu”. Op 7 februari 2020 heeft een medewerker van de griffie de rechtbank de basisregistratie personen (hierna: BRP) geraadpleegd. Daarin stond vermeld dat eiseres met ingang van 15 april 2019 is verhuisd naar Spanje. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het laatst bekende adres is aangeboden zodat de behandeling ter zitting doorgang kon vinden.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres stond vanaf 21 november 1989 ingeschreven in de BRP op een Nederlands adres. In de BRP is met ingang van 15 april 2019 geregistreerd dat eiseres haar verblijfplaats in Spanje heeft.

2. Op 28 september 2018 is bij een controle aan de [b] geconstateerd dat eiseres als bestuurder van een personenauto, van het merk [C] , met Duits kenteken [#] (hierna: de auto) van de Nederlandse weg heeft gebruikgemaakt.

3. Verweerder heeft eiseres bij brief van 28 november 2018 een vooraankondiging gezonden van de in verband met voormelde constatering op te leggen naheffingsaanslag en te nemen boetebeschikking. In de brief is onder meer opgenomen:

Opbouw naheffingsaanslag

Periode van naheffing: 26 februari 2016 tot en met 27 september 2018

Basis tarief: € 1352

Brandstoftoeslag: € 0

Provinciale opcenten: € 989

Boete: € 2341

Te betalen: € 4682 (na afronding)”

In de brief wordt eiseres de mogelijkheid geboden hierop te reageren, waarbij tevens eventuele bewijsstukken kunnen worden meegezonden. Eiseres heeft niet meer gereageerd.

4. Verweerder heeft daarop bij brief van 2 januari 2019 medegedeeld de naheffingsaanslag en boete op te leggen. De naheffingsaanslag is opgelegd met dagtekening 16 januari 2019 en bedraagt € 2.341. De daarbij opgelegde boete bedraagt € 2.341. Bij uitspraak op bezwaar zijn de naheffingsaanslag en boete gehandhaafd.

Geschil
5. In geschil is of de naheffingsaanslag en de boete terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat de auto niet gedurende de periode waarover is nageheven in Nederland aan haar ter beschikking heeft gestaan.

6. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat de auto nooit in haar bezit is geweest en dat zij slechts eenmalig in de auto heeft gereden. De auto is van een vriendin van eiseres uit Duitsland die bij eiseres op visite was. Eiseres moest haar kinderen ophalen en haar vriendin heeft het goedgevonden dat eiseres daarvoor de auto van haar vriendin gebruikte. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag en de boetebeschikking.

7. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de auto gedurende de periode van naheffing slechts eenmaal heeft gebruikt en verder niet tot haar beschikking heeft gehad, zodat de naheffing en de boete in stand moeten blijven. De enkele stelling van eiseres is volgens verweerder onvoldoende om tot een andersluidend standpunt te komen. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

8. Het gaat hier om een naheffingsaanslag die is opgelegd op basis van artikel 34 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet). Voor de beoordeling van de naheffingsaanslag moeten diverse stappen worden doorlopen gelet op het arrest van de Hoge Raad van 5 april 2019 met nummer 18/02987 (ECLI:NL:HR:2019:483).

Stap 1: belastbaar feit

9. Eiseres heeft van 21 november 1989 tot 15 april 2019 ingeschreven gestaan als ingezetene in de BRP. Bij eiseres is op 28 september 2018 geconstateerd dat zij heeft gebruikgemaakt van de weg in Nederland met een auto met buitenlands kenteken. Verder staat vast dat eiseres geen Nederlandse mrb daarvoor heeft voldaan. Op basis van deze feiten is het opleggen van de naheffingsaanslag terecht. Dit volgt uit artikel 34 van de Wet.

Stap 2: uitgangspunt berekeningsperiode

10. Verweerder heeft de naheffingsaanslag berekend over de periode 26 februari 2016 tot en met 27 september 2018. Deze berekeningsperiode is niet te lang. De naheffingsaanslag mag namelijk als uitgangspunt worden berekend over een periode die (op zijn vroegst) aanvangt op de dag waarop eiser is ingeschreven als ingezetene in de BRP en die eindigt de dag voorafgaand aan de dag waarop het gebruik van de weg wordt geconstateerd. Dit volgt uit artikel 34 in combinatie met artikel 13, tweede lid, van de Wet. In dit geval is als aanvangsdatum genomen de dag waarop de auto op naam van de eigenaar is gesteld. Dit leidt tot een lagere aanslag dan bij toepassing van het voornoemde uitgangspunt, waarbij de datum van inschrijving in de BRP als startpunt wordt genomen.

Stap 3: is eiseres in het leveren van tegenbewijs geslaagd?

11. De berekeningsperiode houdt in de kern een vermoeden in met betrekking tot de periode waarin eiseres houder was van de auto in Nederland in de zin van de Wet. Eiseres heeft de mogelijkheid om tegenbewijs te leveren. Hier is niet in geschil dat eiseres in de berekeningsperiode haar hoofdverblijf in Nederland had. Er zijn dan twee tegenbewijsmogelijkheden. Eiseres heeft de mogelijkheid om aannemelijk te maken (i) dat de auto eiseres in Nederland ter beschikking heeft gestaan met ingang van een latere dag dan 26 februari 2016, of (ii) dat de auto haar in een of meer tussenliggende tijdvakken niet in Nederland ter beschikking heeft gestaan. Gelet op rechtsoverweging 5.1.9, slotzin, en rechtsoverweging 5.7.2 van eerdergenoemd arrest van de Hoge Raad, moet onder ‘in Nederland ter beschikking staan’ worden verstaan ‘in Nederland feitelijk en niet geheel voorbijgaand ter beschikking staan’.

12. Eiseres heeft gesteld dat de auto van haar vriendin uit Duitsland was, dat die vriendin bij haar op bezoek was en dat zij de auto eenmalig heeft gebruikt om haar kinderen op te halen.

13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres met deze enkele stelling niet voldaan aan de op haar rustende bewijslast, omdat deze stelling op geen enkele wijze wordt ondersteund door objectieve gegevens, zoals bijvoorbeeld tankbonnen, garagenota’s, betalingsbewijzen van parkeerkosten van die vriendin, waaruit blijkt dat de auto feitelijk ter beschikking stond aan de vriendin van eiseres in Duitsland.

Boete

14. De boete is in overeenstemming met artikel 37 van de Wet in combinatie met artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen opgelegd. Het beboetbare feit is begaan. Eiseres heeft namelijk gebruikgemaakt van de weg in Nederland met een auto met een buitenlands kenteken zonder mrb te hebben voldaan. Dat eiseres niet wist van deze verplichting, maakt dat niet anders. Opmerking verdient verder dat opzet of schuld niet is vereist. Wel moet een boete achterwege blijven bij afwezigheid van alle schuld, maar daarvan is hier geen sprake. Verder heeft eiseres nog gesteld dat zij de boete niet kan betalen maar zij heeft hiervan geen onderbouwing gegeven. Er zijn dan ook geen bijzondere (financiële) omstandigheden bekend die aanleiding vormen om de boete te matigen of te vernietigen. De rechtbank acht de boete passend en geboden.

Slotsom

15. Het beroep is daarom ongegrond.

Proceskosten

16. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.K.A. Efstratiades, rechter, in aanwezigheid van
E. Hoekman, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 1 april 2020.

Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, worden al deze uitspraken alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

De griffier is verhinderd de uitspraak te tekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.