Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:2662

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-04-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3166
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag langdurigheidstoeslag. Wajong samen met fictieve inkomsten uit oppaswerkzaamheden hoger dan 110% van de bijstandsnorm. Beleid van verweerder niet onredelijk. Geen reden voor toepassing hardheidsclausule. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
Wet werk en bijstand
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/3166

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.M. van Eeten),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Helder, verweerder

(gemachtigde: E.C.J.L. Drogt).

Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een individuele inkomenstoeslag op grond van de Participatiewet (PW) afgewezen.

Bij besluit van 13 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2019. Eiseres is samen met
[naam] , een vriendin, verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Ter zitting is het onderzoek in deze zaak geschorst en is verweerder in de gelegenheid gesteld een nadere reactie over te leggen.

Bij brief van 14 maart 2019 heeft verweerder deze reactie gegeven. Hierop heeft eiseres haar reactie gegeven.

De rechtbank heeft het onderzoek in deze zaak gesloten nadat partijen toestemming hebben gegeven voor het doen van uitspraak zonder tweede zitting en de uitspraakdatum bepaald op heden.

Overwegingen

1.1.

Eiseres ontvangt sinds 16 december 2007 een Wajong-uitkering. In 2016 is gebleken dat eiseres geen arbeidsvermogen heeft en volledig arbeidsongeschikt is. Op 26 oktober 2017 heeft eiseres een individuele inkomenstoeslag aangevraagd en daarbij desgevraagd onder meer bankafschriften overgelegd. Eiseres past op kinderen van haar vriendin. Verweerder heeft eiseres verzocht om nadere informatie waaronder een schriftelijke verklaring over de onkostenvergoeding voor het oppassen en gegevens daarvan. Eiseres heeft verklaard dat de onkosten voor twee kinderen zijn. Het gaat om vergoeding van benzine voor het halen en brengen van school, ontbijt en avondeten. Dit is gemiddeld 15 keer per maand.

1.2.

Verweerder heeft de aanvraag van eiseres bij het primaire besluit afgewezen. Volgens verweerder voldoet eiseres niet aan de voorwaarden om voor de toeslag in aanmerking te komen. Uitgaande van het normale tarief voor oppaswerkzaamheden van € 5,- per uur per kind tezamen met de Wajonguitkering maakt dat eiseres boven de 110% van de voor haar geldende bijstandsnorm uitkomt. Daarnaast heeft eiseres volgens verweerder zicht op inkomensverbetering. Tegen dit besluit heeft eisers bezwaar gemaakt.

2.

2.1.

De adviescommissie heeft als volgt geadviseerd. De referteperiode die geldt voor de bepaling van de hoogte van het inkomen betreft voor eiseres 26 oktober 2014 tot en met
25 oktober 2017. Eiseres heeft binnen deze periode oppaswerkzaamheden verricht. Gelet op de aard, omvang, de duur en het structurele karakter kunnen deze werkzaamheden aangemerkt worden als op geld waardeerbare arbeid. Verweerder is terecht uitgegaan van een fictief inkomen nu van een reële betaling voor de verrichte werkzaamheden geen sprake is. Eiseres kan in ieder geval het wettelijk minimumloon bedingen. Dat zij dit heeft nagelaten komt voor rekening en risico van eiseres.
Verweerder is uitgegaan van een fictief inkomen van € 300,- per maand. Verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt of stilgestaan is bij de vrij te laten jonggehandicaptenkorting als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder c, van de PW. Daarnaast is verweerder ten onrechte uitgegaan van bedragen zonder vakantietoeslag. De huidige berekening kan dan ook niet in stand blijven. Daarbij vraagt de commissie zich af of geen rekening gehouden moet worden met de (fictieve) gevolgen van de fictieve inkomsten op de Wajonguitkering. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat eiseres een reëel perspectief op inschakeling op de arbeidsmarkt heeft, waardoor niet kan worden geoordeeld dat eiseres zicht heeft op inkomensverbetering.

2.2.

In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit onder wijziging van de motivering gehandhaafd. Eiseres komt volgens verweerder niet in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag omdat haar inkomen boven de 110% van de voor eiseres geldende bijstandsnorm uitkomt. Dat sprake zou zijn van zicht op inkomensverbetering heeft verweerder laten vervallen. Voor de vaststelling van het inkomen van eiseres is verweerder uitgegaan van de Wajonguitkering van € 999,51 per maand, de jonggehandicaptenkorting van € 60,17 per maand en het fictieve inkomen zonder vakantietoeslag van € 300,- per maand. Het totale inkomen van eiseres is dan € 1.235,34. 110% van de voor eiseres geldende bijstandsnorm exclusief vakantietoeslag is € 1.030,91. Bij de hoogte van de Wajonguitkering is rekening gehouden met het fictieve inkomen. Dit heeft geen gevolgen voor de Wajonguitkering omdat er sprake is van oude rechten en er geen arbeidsvermogen is.

3. Eiseres heeft in beroep betoogd dat haar inkomen niet boven de 110% van de voor haar geldende bijstandsnorm uitkomt. Er is slechts sprake van een onkostenvergoeding van € 50,- per maand en geen sprake van inkomen. Zij kan niet aan haar eerder afgelegde verklaring worden gehouden. Dit is hoogstens representatief voor de eerste maand. Eiseres wijst daarbij op het werkrooster van haar vriendin, een verklaring van deze vriendin, haar bankmutaties en een verklaring van haar zelf.
Als er al sprake zou zijn van inkomen dan heeft verweerder ten onrechte met een fictief inkomen gerekend. Het inkomen blijkt immers concreet uit het dossier. Eiseres komt hiermee niet boven de 110% van de voor haar geldende bijstandsnorm uit. Volgens eiseres dienen de feitelijke inkomsten als uitgangspunt te worden genomen.
Indien toch met een fictief inkomen mag worden gerekend dan stelt eiseres dat € 5,- per kind per uur veel te hoog is en dat verweerder het aantal uren verkeerd heeft ingeschat. Uit het werkrooster van de vriendin van eiseres volgt dat twee keer per week sprake is van een avond-/slaapdienst. Dit is ongeveer vier keer per maand. Er dient uitgegaan te worden van
8 uur per kind, per maand. Daarbij dient het laagste tarief van het Nibud (voor scholieren) tussen de € 3,10 en € 4,70 per uur te worden gehanteerd. Bij een bedrag van € 3,10 per kind per uur gedurende 8 uur per kind per maand is in totaal sprake van een inkomen van € 49,60 per maand. Samen met haar Wajonguitkering heeft zij dan een inkomen van minder dan 110% van de voor haar geldende bijstandsnorm. Tot slot is gelet op haar gezondheidssituatie, het vrijblijvende karakter van de oppaswerkzaamheden en het gegeven dat het om een vriendendienst gaat, aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen. Aan haar had dan ook de langdurigheidstoeslag moeten worden toegekend.

4. Verweerder heeft geen aanleiding gezien voor een ander standpunt. Er is terecht uitgegaan van een fictief inkomen. Eiseres heeft voorts uit eigen beweging verklaard dat zij 15 keer per maand, gedurende 2 uur, op twee kinderen past. In totaal past zij dus 30 uur per maand op. Aan deze verklaring kan zij worden gehouden. Verweerder acht het voorts redelijk dat gerekend is met een vergoeding van € 5,- per uur per kind. Ook wanneer uitgegaan moet worden van de verklaring van eiseres dat zij 1 à 2 keer per week oppast, heeft zij een inkomen dat hoger ligt dan 110% van de voor haar geldende bijstandsnorm. Voor toepassing van de hardheidsclausule ziet verweerder geen aanleiding. Er is geen sprake van een geringe overschrijding van haar inkomsten. Dat eiseres alleen kan oppassen als zij zich goed voelt leidt daar evenmin toe. Uit de bankafschriften volgt dat eiseres iedere maand een vergoeding krijgt voor haar oppaswerkzaamheden. Dat zij slechts af en toe kan oppassen volgt hieruit niet. Met name bij de beoordeling van het zicht op inkomensverbetering betrekt verweerder de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager. Wanneer niet wordt voldaan aan langdurig een laag inkomen kan niet op grond van persoonlijke omstandigheden alsnog een individuele inkomenstoeslag worden verleend.

5. De rechtbank ziet zich geplaatst voor de vraag of verweerder de aanvraag van eiseres voor een individuele inkomenstoeslag terecht heeft afgewezen.

6. Ter beantwoording van deze vraag is de volgende wet- en regelgeving van belang.
Artikel 36, eerste lid, van de PW bepaalt dat het college op een daartoe strekkend verzoek van een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering, gelet op de omstandigheden van die persoon, een individuele inkomenstoeslag kan verlenen.
In artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking tot het verlenen van een individuele inkomenstoeslag, als bedoeld in artikel 36. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat de regels, bedoeld in het eerste lid, voor zover het gaat om het eerste lid, onderdeel b, in ieder geval betrekking hebben op de hoogte van de individuele inkomenstoeslag en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen langdurig en laag inkomen.

De in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW bedoelde verordening is de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet (de Verordening).

Artikel 3 van de Verordening luidt als volgt:

1. Conform de bepalingen van artikel 36, eerste lid, van de wet behoren tot de doelgroep personen:

a. van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigdeleeftijd;

b. die langdurig een laag inkomen hebben;

c. die geen in aanmerking te nemen vermogen hebben als bedoeld in artikel 34 van de wet;

d. en die geen uitzicht hebben op inkomensverbetering.

2. Tot die groep worden gerekend personen met:

a. een volledige of aanvullende bijstandsuitkering;
b. een IOAW- of IOAZ-uitkering;
c. een volledige Wajonguitkering.


Artikel 4 van de Verordening luidt - voor zover van belang - als volgt:

Geen recht op de individuele inkomenstoeslag heeft een persoon die:
(…)

b. op de peildatum of gedurende de referteperiode een inkomen of meerdere inkomsten heeft of heeft gehad uit of in verband met arbeid of andersoortige inkomsten en welke hoger zijn dan de toepasselijke bijstandsnorm;
(…)
e. uitzicht heeft op een inkomensverbetering;
(…)


Artikel 5 van de Verordening luidt als volgt:

1. Onder langdurig als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de wet wordt verstaan een ononderbroken periode van 36 maanden direct voorafgaand aan de peildatum.
2. Onder laag inkomen wordt verstaan het in aanmerking te nemen netto-maandinkomen van maximaal 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm.

Ingevolge artikel 1, onder l, van de Verordening wordt onder inkomen verstaan: het inkomen zoals bedoeld in artikel 32 lid 1 van de wet, waarop voor de zinsnede onder sub c van het artikel ”een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan” moet worden gelezen “de referteperiode”.

Een bijstandsuitkering wordt in afwijking van artikel 32, van de wet, voor de beoordeling van het recht op een individuele inkomenstoeslag als inkomen aangemerkt;

Ingevolge artikel 7, van de Verordening kan het college de hardheidsclausule toepassen waarbij in individuele bijzondere situaties ten gunste van de belanghebbende kan worden afgeweken van de bepalingen van deze Verordening.

Artikel 32, van de PW luidt als volgt:

1. Onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voorzover deze:

a. betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, een premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel k, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van een of meer kostgangers, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting, premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 43 van de Zorgverzekeringswet, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en

b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

Artikel 31, eerste lid van de PW, luidt als volgt:

Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. In elk geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

7. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat de gemeenten geheel vrij zijn in de wijze waarop zij invulling geven aan de inkomenstoeslag. Dat brengt met zich dat de rechter bij de behandeling van een beroep dat tegen een in concreto genomen besluit is ingesteld, ook gehouden is om - met terughoudendheid - te toetsen of het desbetreffende algemeen verbindende voorschrift een voldoende deugdelijke grondslag voor dat besluit vormt. Bij die, niet rechtstreekse, toetsing van het algemeen verbindende voorschrift vormen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijk richtsnoer.

8. De rechtbank acht het beleid van verweerder dat bij de vaststelling van het inkomen wordt uitgegaan van het inkomensbegrip zoals volgt uit de PW niet onredelijk. Voorts kan in het verlengde daarvan ook worden gevolgd dat daaronder ook fictieve inkomsten worden verstaan. De rechtbank ziet hiervoor steun in onder meer de uitspraak van de CRvB van
24 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1255, waarbij is overwogen dat gelet op het bepaalde in artikel 32, eerste lid, van de PW, in verbinding met artikel 31, eerste lid, van de PW, niet alleen van belang is het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken. De beroepsgrond van eiseres dat verweerder slechts van de feitelijke inkomsten uit had moeten gaan, slaagt dan ook niet.

9. De rechtbank is verder van oordeel dat de oppaswerkzaamheden van eiseres door verweerder terecht zijn aangemerkt als op geld waardeerbare activiteiten. De intentie van eiseres om deze werkzaamheden te verrichten doet daaraan niet af. Eiseres had hiervoor een redelijke vergoeding kunnen krijgen. De door verweerder aangenomen vergoeding van € 5,- per kind per uur acht de rechtbank in dit geval redelijk. Eiseres heeft onvoldoende onderbouwd dat het door haar voorgestelde tarief van € 3,10 per uur in de referteperiode voor haar passend is. Of eiseres nu 30 uur per maand paste op de kinderen van haar vriendin, zoals zij eerst heeft verklaard, of dat dit acht uur betrof, zoals nadien verklaard, maakt in het onderhavige geval niet uit. In beide gevallen heeft eiseres immers tezamen met haar Wajonguitkering een inkomen dat hoger ligt dan 110% van de voor haar geldende bijstandsnorm.

10. Verweerder heeft gelet op het voorgaande de individuele inkomenstoeslag terecht geweigerd op grond van de omstandigheid dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarde dat zij langdurig een laag inkomen heeft. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat wat eiseres heeft aangevoerd geen feiten en omstandigheden betreffen die zouden moeten leiden tot het oordeel dat toepassing van de Verordening leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Voor toepassing van de hardheidsclausule bestaat geen aanleiding.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. Steinhauser, rechter, in aanwezigheid van
F. Voskamp, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 10 april 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.