Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:2652

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
07-04-2020
Datum publicatie
09-04-2020
Zaaknummer
HAA 20/44 en HAA 20/45
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

niet tegemoetgekomen aan beroep pkv

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 20/45 (beroep)

HAA 20/44 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 7 april 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser, verzoeker

(gemachtigde: mr. J. Sprakel),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft op 6 januari 2020 bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op zijn aanvraag van 2 januari 2020 om verlenging van de opvang die op 8 januari 2020 eindigt. Eiser heeft tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.

Verweerder heeft op 8 januari 2020 op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft op 10 januari 2020 het beroep en verzoek voorlopige voorziening ingetrokken. Tegelijk met de intrekking heeft eiser verzocht om verweerder ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedure bij de rechtbank.

De rechtbank heeft bij brief van 13 januari 2020 verweerder in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Verweerder heeft gereageerd.

Partijen hebben niet binnen de daarvoor gestelde termijn aangegeven op een zitting te willen worden gehoord.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de kosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit).
In het Besluit zijn nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

2. In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan eiser is tegemoetgekomen, kan ingevolge artikel 8:75a Awb het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep.

3. Ingevolge artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb is artikel 8:75a Awb van overeenkomstige toepassing in de voorlopige voorzieningenprocedure.

4. Verweerder heeft in zijn brief van 27 januari 2020 aangevoerd geen aanleiding te zien om de proceskosten te vergoeden. Het besluit tot verlenging van de opvang is een besluit in reactie op de aanvraag die de trajecthouder van eiser namens eiser heeft ingediend. Hoewel de gemachtigde van eiser heeft aangegeven dat eiser niet wist dat zijn trajecthouder deze aanvraag heeft ingediend, betwist verweerder dit. Een aanvraag tot verlenging wordt altijd in samenspraak met de cliënt gedaan. Het besluit is gezien het voorgaande terecht aan eiser zelf bekend gemaakt en niet aan zijn gemachtigde aangezien die niet bij de aanvraag betrokken was. Mensen zonder vaste woon-of verblijfplaats en die in de opvang verblijven kunnen een briefadres aanvragen. Eiser kan daar zijn post ophalen. Voor iedere cliënt is een aparte hangmap aanwezig. Het besluit voor eiser is op 3 januari 2020 afgegeven en op de eerst volgende werkdag, te weten 6 januari 2020, in zijn hangmap gelegd. Eiser kan in de opvang navragen of er post voor hem is. Kennelijk heeft eiser dit pas op 9 januari 2020 gedaan en is hem de post toen overhandigd. De post was echter al eerder beschikbaar voor hem. Dat eiser de post pas op 9 januari 2020 heeft gelezen is niet aan verweerder te wijten. Dat eiser heeft aangegeven dat het besluit tot verlenging van de opvang niet op de juiste wijze bekend is gemaakt en dat hij niet eerder dan door post van de rechtbank op de hoogte is geraakt van het besluit volgt verweerder niet.

5. Bij brief van 7 februari 2020 heeft eiser gereageerd op de brief van verweerder van 27 januari 2020. Eiser stelt dat verweerder met stellingen komt zonder deze te onderbouwen. Uit niets blijkt dat dit ook werkelijk zo is gegaan. De bekendmaking van het besluit had naar aanleiding van de mail die de gemachtigde heeft gestuurd aan verweerder op 2 januari 2020 (mede) aan hem moeten zijn gericht. Eiser liet zich namelijk vertegenwoordigen. Als verweerder dit had gedaan dat had eiser niet op 6 januari 2020 een beroep en een verzoek tot voorlopige hoeven in te dienen. Het standpunt blijft dus dat bekendmaking pas heeft plaatsgevonden op het moment dat de rechtbank het besluit van verweerder aan de gemachtigde heeft toegezonden.

6. De rechtbank ziet in het hiervoor weergegevene geen grond voor het oordeel dat verweerder geheel of gedeeltelijk aan het beroep of verzoek van eiser is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb. Hetgeen eiser aanvoert maakt dat niet anders. Omdat verweerder op 3 januari 2020 al een besluit had genomen op de aanvraag van eiser, kon eiser op 6 januari 2020 geen beroep en verzoek meer instellen wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag. Het beroep kan immers, zo volgt uit artikel 6:12 van de Awb, alleen ingesteld worden als verweerder in gebreke is een besluit op de aanvraag te nemen. .

7. De rechtbank zal het verzoek om verweerder in de proceskosten te veroordelen dan ook afwijzen.

Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N. Joacim, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken

griffier rechter

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak met betrekking tot het beroep (AWB 20/45) kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Tegen deze uitspraak met betrekking tot het verzoek (AWB 20/44) staat geen rechtsmiddel open.