Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:2600

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
07-04-2020
Datum publicatie
09-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3166
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

participatiewet - geen ontheffing arbeidsverplichtingen - medisch onderzoek zorgvuldig

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/3166

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Koenhen).

Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser meegedeeld dat de aan de Participatiewet (PW) verbonden verplichtingen gehandhaafd blijven.

Bij besluit van 11 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2020. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser ontvangt sinds 2010 een uitkering op grond van de PW. In het kader van een onderzoek naar de mogelijkheden voor re-integratie heeft op 10 juli 2018 een gesprek plaatsgevonden tussen eiser en een medewerker van verweerder ( [naam 1] ). Op grond daarvan is eiser aangemeld voor een belastbaarheidsonderzoek. Dat heeft op 7 augustus 2018 plaatsgevonden, door [naam 2] , adviserend arts bij A-Rea. Deze heeft op basis van het spreekuurcontact geconcludeerd dat bij eiser sprake is van langdurige medische beperkingen. Eiser is volgens [naam 2] wel belastbaar in arbeid, mits het gaat om licht fysieke arbeid waarbij eiser frequent kan afwisselen tussen lopen, staan en zitten.

2. Eiser heeft aangevoerd dat hij niet in staat is (fulltime) te werken. Hij heeft daarbij verwezen naar zijn bezwaarschrift, de aanvulling daarop en de brief die hij aan zijn verhuurder heeft geschreven (in verband met de ernstige overlast die zijn bovenbuurvrouw veroorzaakt). Eiser geeft aan dat hij zich niet serieus genomen voelt door verweerder, onder meer omdat tijdens de hoorzitting [naam 2] niet aanwezig was en de commissie zijn nadere medische informatie niet in ontvangst wilde nemen.

3. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat eiser in staat gesteld is de stukken in te dienen die hij wilde, maar dat eiser daar geen gebruik van heeft gemaakt. Er is geen sprake van het ontbreken van interesse aan de zijde van verweerder met betrekking tot de medische situatie van eiser. Verder heeft verweerder erop gewezen dat het niet gebruikelijk is dat de medisch adviseur aanwezig is tijdens de hoorzitting.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

In artikel 9, eerste lid, van de PW zijn de verplichtingen tot arbeidsinschakeling opgenomen. Het tweede lid van artikel 9 van de PW biedt het college de mogelijkheid in individuele gevallen tijdelijk ontheffing te verlenen van de verplichtingen als bedoeld in het eerste lid, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

4.2

Verweerder heeft zijn besluit, waar het gaat om de arbeidsbeperkingen, gebaseerd op het advies van [naam 2] . Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op dat advies mogen baseren. [naam 2] heeft eiser op zijn spreekuur gezien en informatie van behandelaars betrokken in zijn beoordeling en de bevindingen inzichtelijk gerapporteerd. Het onderzoek is dan ook op zorgvuldige wijze verricht en de rapportage is deugdelijk gemotiveerd. [naam 2] heeft voorts naar aanleiding van de door eiser gemaakte opmerkingen nader toegelicht dat de sociale omstandigheden van eiser geen reden vormen voor het aannemen van (meer) beperkingen, maar dat daaruit voortvloeiende klachten die wel medisch van aard zijn meegewogen worden. Verder heeft [naam 2] benadrukt dat het een inschatting is van de mogelijkheden en dat het een momentopname is. [naam 2] heeft er voorts op gewezen dat de testen die door hem zijn uitgevoerd veel informatie geven, ook al zijn het eenvoudige tests. De rechtbank heeft verder in aanmerking genomen dat [naam 2] de medische informatie die hij uit de door eiser gepresenteerde map heeft geselecteerd heeft betrokken in de beoordeling. Ter zitting heeft eiser verklaard dat [naam 2] daarmee beschikte over de belangrijkste medische stukken. Uit het medisch advies komt verder naar voren dat [naam 2] de pijnklachten van eiser erkent en ook geen twijfel heeft aan de behandelingen die eiser ondergaat. De klachten van eiser zijn dan ook wel serieus genomen, al leidt dat niet tot het overnemen van alle door eiser ervaren belemmeringen. Uit de rapportage en de toelichting van [naam 2] komt naar voren dat met de bij eiser aanwezige medische aandoeningen wel rekening is gehouden. Met betrekking tot de vraag of eiser in staat moet worden geacht fulltime (aangepaste) werkzaamheden te verrichten, heeft [naam 2] toegelicht dat in de NVAB-richtlijn Duurbelasting in Arbeid geen grond te vinden is voor het aannemen van een urenbeperking. Zo lijkt van een stoornis in de energiehuishouding geen sprake, is er geen reden om preventief een urenbeperking noodzakelijk te achten en is van verminderde beschikbaarheid (door behandeling) geen sprake. Eiser heeft geen medische informatie ingebracht die doet twijfelen aan de juistheid van de conclusies van [naam 2] . Eiser had ter zitting weliswaar (weer) zijn ordner mee met allerhande (medische) informatie. De rechtbank merkt hierover echter op dat het op de weg van eiser had gelegen om, indien hij over informatie beschikt die een ander licht op de zaak zou kunnen werpen, die informatie daaruit te selecteren en in te brengen.

5. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat eiser (deels) van zijn arbeidsverplichtingen te ontheffen.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is op 7 april 2020 gedaan door mr. L. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.