Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:2598

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
07-04-2020
Datum publicatie
09-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3271
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

berekening terugvordering Wajong in verband met verdiensten

Wetsverwijzingen
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/3271

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: R. Roos).

Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij over de periode van 10 september 2018 tot en met 31 december 2018 te veel Wajong-uitkering heeft ontvangen, waardoor hij € 1.220,37 dient terug te betalen.

Bij besluit van 20 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2020. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Eiser ontvangt een Wajong-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Hij ontvangt tevens een toeslag op grond van de Toeslagenwet. Vanaf 10 september 2018 heeft hij (wisselende) inkomsten uit arbeid. Verweerder heeft berekend dat eiser te veel aan Wajong-uitkering (€ 1305,66) heeft ontvangen en heeft dat van eiser teruggevorderd. Verweerder heeft ook berekend dat eiser te weinig toeslag heeft ontvangen (€ 85,29). Dat bedrag is in mindering gebracht op het bedrag dat wordt teruggevorderd.

2. Eiser heeft allereerst aangevoerd dat hij niet begrijpt waarom verweerder uitgaat van een hoger brutosalaris dan hij heeft ontvangen en is van mening dat door verweerder fouten zijn gemaakt. Verweerder zou op basis hiervan coulance moeten betrachten en van terugvordering af moeten zien, aldus eiser.

3. Verweerder heeft hierop nogmaals een berekening gegeven van het teveel betaalde bedrag, waarbij verweerder is uitgegaan van het loon inclusief de vakantietoeslag. Verweerder heeft verder toegelicht dat de inkomsten van eiser eigenlijk zouden moeten worden toegerekend aan de uitkering over de betreffende maand, maar dat dit voor eiser ongunstig was. Om die reden heeft verweerder ervoor gekozen de vierwekenperiode te hanteren voor de berekening. Kwijtschelding is volgens verweerder niet mogelijk, nu een verplichting tot terugvordering bestaat.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

De berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid waarnaar de Wajong-uitkering betaald wordt, moet op grond van de Wajong per maand plaatsvinden. Verweerder is voor de berekening uitgegaan van het brutosalaris, inclusief vakantietoeslag, zoals dat door eiser is doorgegeven en zoals dat ook in het systeem van de belastingdienst te vinden is. Ter zitting heeft eiser bevestigd dat verweerder van het juiste salaris is uitgegaan. Dat salaris is afgezet tegen eisers maatmanloon (dat is het geïndexeerde minimumloon, inclusief de vakantietoeslag). Omdat eiser zijn salaris per vier weken ontvangt heeft verweerder het maatmanloon omgerekend naar een vierwekenperiode. De uit deze berekening voortvloeiende arbeidsongeschiktheidspercentages heeft verweerder vervolgens gebruikt om de hoogte van de betaling van de Wajong-uitkering te berekenen. Het verschil met wat aan eiser was uitbetaald levert het bedrag op dat wordt teruggevorderd. In deze berekening heeft de rechtbank geen onjuistheden aangetroffen.

4.2

De omstandigheid dat de berekening op de rekenmodule van de website van verweerder een andere uitkomst geeft als eiser hij zijn inkomsten ingeeft, leidt niet tot een andere conclusie. Zoals ook op de website is vermeld, betreft de uitkomst in de rekenmodule slechts een indicatie en kan de exacte berekening alleen door verweerder gemaakt worden.

4.3

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat verweerder op juiste gronden heeft vastgesteld dat eiser € 1305,66 te veel aan Wajong-uitkering heeft ontvangen.

5. Eiser heeft voorts aangevoerd dat verweerder en Startwijzer fouten hebben gemaakt waarvan hij de dupe is geworden. Een en ander zou volgens hem moet leiden tot kwijtschelding van de terugvordering.

6.1

Waar het gaat om het handelen van Startwijzer stelt de rechtbank voorop dat dit een re‑integratiebedrijf is dat los staat van verweerder, zodat eventueel foutief handelen niet aan verweerder kan worden toegerekend. Daar komt bij dat de fout van Startwijzer volgens eiser uit het doorgeven van een te hoog inkomen aan verweerder bestond, dat heeft geleid tot het besluit van verweerder eiser per december 2018 een lager voorschot te verstrekken. Dit heeft verweerder echter gewijzigd naar aanleiding van een bezwaar van eiser daartegen. Verweerder heeft (mede daardoor) over de gehele periode die hier aan de orde is eiser een volledige Wajong-uitkering betaald, dus 70%. De rechtbank ziet dan ook niet dat het handelen van Startwijzer op enigerlei wijze heeft bijgedragen aan het ontstaan van de terugvordering.

6.2

Met betrekking tot de handelwijze van verweerder merkt de rechtbank op dat de berekening van de hoogte van de Wajong-uitkering pas kan plaatsvinden als de verdiensten van eiser bekend zijn, omdat sprake is van wisselende inkomsten. Zoals hiervoor is overwogen heeft verweerder een juiste berekening uitgevoerd. Nu vaststaat dat te veel uitkering is betaald, moet verweerder dat bedrag van eiser terugvorderen, tenzij sprake is van dringende redenen (artikel 3:56 Wajong). Dan moet het gaan om onaanvaardbare gevolgen van de terugvordering. Dergelijke gevolgen heeft eiser niet gesteld en daarvan is ook niet gebleken.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is op 7 april 2020 gedaan door mr. L. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.