Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:2523

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-04-2020
Datum publicatie
08-04-2020
Zaaknummer
C/15/300159 / KG ZA 20-127
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vanwege de maatregelen ivm het coronavirus geen zitting op de rechtbank, maar eerst een schriftelijke ronde. Vervolgens heeft alsnog een zitting plaatsgevonden, via Skype voor bedrijven. Inhoudelijk: vordering afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/300159 / KG ZA 20-127

Vonnis in kort geding van 1 april 2020

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. J.R.M. Schravenmade te Maarssen,

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. A.E. Koster te Den Helder.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

[eiseres] heeft [gedaagde] bij exploot van 6 maart 2020 gedagvaard om op maandag

16 maart 2020 in kort geding te verschijnen voor de voorzieningenrechter van deze rechtbank. Na afkondiging van crisismaatregelen in verband met het coronavirus werd door de Raad voor de rechtspraak besloten om vanaf 17 maart 2020 de rechtbanken te sluiten en geen zittingen meer te houden. In beginsel zou de zitting in deze zaak dan ook doorgaan.

[gedaagde] is wethouder in de gemeente Den Helder. In dat verband diende hij aanwezig te zijn bij crisisoverleg, dat in Den Helder op 16 maart 2020 zou worden gehouden. Zijn advocaat heeft daarom verzocht om uitstel van de mondelinge behandeling.

Na overleg met de voorzieningenrechter en met partijen werd beslist dat [gedaagde] binnen een week een schriftelijk antwoord zou opstellen en aan de voorzieningenrechter en aan [eiseres] zou doen toekomen, waarna verder zou worden beslist.

1.2.

Op 23 maart 2020 heeft [gedaagde] een conclusie van antwoord/pleitnota aan de voorzieningenrechter en de advocaat van [eiseres] toegezonden.

1.3.

De voorzieningenrechter heeft vervolgens beslist dat geen vonnis zou kunnen worden gewezen, zonder [eiseres] te kunnen laten reageren op de inhoud van de conclusie van antwoord. In overleg met partijen is daarna beslist om wel een mondelinge behandeling te houden, maar waarbij partijen niet op de rechtbank hoefden te verschijnen.

Via het programma Skype voor bedrijven werd op 24 maart 2020 digitaal een (test)verbinding gelegd tussen voorzieningenrechter en de betrokken partijen.

1.4.

De mondelinge behandeling vond plaats op 25 maart 2020.

De voorzieningenrechter en de griffier zaten op dat moment op de rechtbank, beiden achter een beeldscherm met camera en microfoon.

[eiseres] zat, met enige tussenruimte, op kantoor bij haar advocaat, mr. Schravenmade.

[gedaagde] was via beeldtelefoon aanwezig bij zijn advocaat, mr. Koster.

Allen waren voor elkaar hoorbaar en zichtbaar.

1.5.

Partijen hebben hun standpunt toegelicht, mr. Schravenmade aan de hand van een pleitnota. Deze pleitnota was op verzoek van de voorzieningenrechter op voorhand toegezonden.

1.6.

Na de behandeling is vonnis bepaald op vandaag.

2 De uitgangspunten

2.1.

[gedaagde] heeft in september 2014 het bedrijf Den Helder Aircraft Systems B.V. opgericht (hierna: de onderneming). [gedaagde] was op dat moment gehuwd met de nicht van [eiseres] .

2.2.

Op 4 mei 2015 heeft [eiseres] een bedrag van € 30.000,- overgemaakt naar de bankrekening van de onderneming. Genoemd bedrag is gebruikt als financiële injectie voor de onderneming.

2.3.

Het bedrag van € 30.000,- wordt niet in de jaarrekeningen van de onderneming als schuld van de onderneming vermeld.

2.4.

Per e-mailbericht van 9 augustus 2016 zond [eiseres] [gedaagde] een concept leningovereenkomst. In dit concept staat, voor zover hier van belang, onder meer het volgende:

Artikel 2 Doel van de lening

De lening is bedoeld voor de oprichting van een eigen onderneming en zal uitsluitend voor dit doel worden aangewend (..)

Artikel 5 Looptijd en terugbetaling van hoofdsom

De schuld (hoofdsom en rente) dient te zijn afgelost op 1 januari 2019. Aflossing van de uitstaande hoofdsom gebeurt door betaling van 6 gelijke termijnen van € 5000,- en dient plaats te vinden per de eerste dag van de maand. De grootte van de eindtermijn is € 5000,-.

De eerste termijn is verschuldigd op de eerste dag van de maand augustus 2018.”

2.5.

[gedaagde] heeft de concept leningovereenkomst niet getekend.

2.6.

Op 9 april 2018 heeft [eiseres] een bedrag van € 1.000,- ontvangen van [gedaagde] , met de omschrijving ‘Lening [XX] ’. Het geld is overgemaakt vanaf een rekening van Greenguy Holding BV, een andere onderneming van [gedaagde] .

2.7.

Op 12 oktober 2018 informeert [eiseres] via WhatsApp bij [gedaagde] naar de manier van aflossen, omdat zij voor een andere auto wil kijken. [gedaagde] antwoordt: ‘Gaan we iets voor regelen Tante!’. [eiseres] herhaalt haar vraag op 13 december 2018 en op 15 januari 2019. [gedaagde] reageert hier niet op.

2.8.

Op 18 januari 2019 schrijft [eiseres] per WhatsApp aan [gedaagde] het volgende:

“Op 4 mei 2015 heb je mij om een lening gevraagd van € 30.000 voor een door jou op te zetten onderneming Den Helder Aircraft systems B.V.. Op die datum heb ik dat bedrag overgemaakt op eerder genoemde onderneming t.a.v. van jou.

Jouw afspraak was dat je dit bedrag binnen een jaar zou terugbetalen met rente. Wat in goed vertrouwen geloofde.

Omdat ik het geld toen niet direct nodig had, heb ik er al die jaren niet om gevraagd. Jij kwam er nooit op terug. Wel heb ik op 9 augustus 2016 een leenovereenkomst naar [YY] toegestuurd met een aantal punten die jij nog moest doornemen. Na een week zou jij erop terugkomen. Niks van gehoord (..)

Nu ik zelf in financiële problemen kom, verzoek ik je dringend om binnen 8 dagen na dagtekening van deze mail mij een betalingsregeling toe te sturen (..)”.

2.9.

Op 22 februari 2019 heeft DAS Rechtsbijstand [gedaagde] aangeschreven en daarbij de overeenkomst van geldlening per 1 juni 2019 opgezegd en [gedaagde] gesommeerd om een bedrag van € 34.848,12 te betalen.

2.10.

Op 1 juni 2019 heeft [eiseres] het openstaande bedrag niet van [gedaagde] ontvangen.

2.11.

In de periode van juli 2019 tot januari 2020 heeft [gedaagde] zeven keer een bedrag van € 750,- aan [eiseres] overgemaakt.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 31.413,12, vermeerderd met contractuele rente en kosten, waaronder een bedrag van

€ 1.065,- aan incassokosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij het bedrag van € 30.000,- aan [gedaagde] heeft geleend en dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] het bedrag uiterlijk op

1 januari 2019 zou hebben terugbetaald, zoals weergegeven in de concept leningovereenkomst. [gedaagde] heeft de schriftelijke weergave van de afspraken door [eiseres] nooit weersproken of gecorrigeerd. Behoudens enkele deelbetalingen weigert [gedaagde] echter het openstaande bedrag aan [eiseres] te voldoen. Nu [eiseres] volledig heeft ingeteerd op haar vermogen en steeds verder in de financiële problemen komt, heeft zij geen mogelijkheid om nog langer op het geld te wachten. Zowel haar auto als haar woning hebben onderhoud nodig en raken steeds verder in verval.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1.

De voorzieningenrechter is alleen bevoegd in spoedeisende zaken waarin een onmiddellijke voorziening is vereist. [gedaagde] heeft als verweer aangevoerd dat [eiseres] geen spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Vooruitlopend op dat verweer heeft [eiseres] in de dagvaarding aangevoerd dat zij geld nodig heeft om een nieuwe auto te kopen.

4.2.

De vraag naar het spoedeisend belang doet zich in deze zaak des te meer voor, nu het gaat om een gevorderde voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom. In zo een geval is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist.

4.3.

Het gaat hier om een door [eiseres] in 2015 ter beschikking gesteld geldbedrag van € 30.000,-. In 2018 heef [eiseres] enige malen aangedrongen op betaling door [gedaagde] , waarna [gedaagde] eenmaal € 1.000,- en zeven maal € 750,- heeft betaald.

[eiseres] heeft [gedaagde] via haar rechtsbijstandsverzekering DAS in februari 2019 gesommeerd om het restant verschuldigde (met rente) uiterlijk op 1 juni 2019 te voldoen, bij gebreke waarvan zij tot het nemen van rechtsmaatregelen zou overgaan.
heeft niet aan die sommatie voldaan. [eiseres] is toen geen bodemprocedure begonnen en ook geen kort geding. Zij heeft deze zaak pas aanhangig gemaakt bij eerdergenoemde dagvaarding van 6 maart 2020.

Onder deze omstandigheden en gelet op de hiervoor onder 4.1 en 4.2 vermelde uitgangspunten is de voorzieningenrechter van oordeel dat het vereiste spoedeisend belang ontbreekt. [eiseres] zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

4.4.

Gelet op dit oordeel zal [eiseres] worden veroordeeld in de proceskosten.

4.5.

De voorzieningenrechter wenst nog het volgende op te merken.

[eiseres] heeft bij de betaling van het bedrag van € 30.000,- geen schriftelijke overeenkomst opgesteld. Uit de stukken en wat beide partijen naar voren hebben gebracht kan in ieder geval worden afgeleid dat het bedrag van € 30.000,- in 2015 niet door [eiseres] is geschonken. Voorshands is het meest aannemelijk dat dit bedrag aan [eiseres] moet worden terugbetaald. Daarbij is nog niet geheel duidelijk of Den Helder Aircraft Systems B.V. of [gedaagde] als schuldenaar moet worden aangemerkt.

Teneinde een bodemprocedure met zeer waarschijnlijke bewijslevering over en weer te voorkomen, adviseert de voorzieningenrechter partijen om met hun respectieve advocaten om de tafel te gaan. In een dergelijk overleg kan aan de orde komen wie het restant verschuldigde zal gaan terugbetalen en op welke termijn dat mogelijk is.

4.6.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding, welke kosten aan de zijde van [gedaagde] zullen worden begroot op € 302,- verschotten (griffierecht) en op € 980,- aan salaris van de advocaat.

4.7.

De nakosten zijn slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot en zullen worden toegewezen op de wijze zoals hierna vermeld.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de gevorderde voorziening af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de kosten van dit geding, welke kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 304,- aan verschotten en op € 980,- aan salaris van de advocaat,

5.3.

veroordeelt [eiseres] in de kosten die zijn ontstaan na dit vonnis, onder de

voorwaarde dat gedaagde niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft

voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag

van € 68,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis, zulks te

vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de betekening van

dit vonnis tot de tot de dag van volledige betaling,

5.4.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskosten en de nakosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier L. Kliffen op 1 april 2020.1

1 LK/LJS