Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:2492

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-04-2020
Datum publicatie
23-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1936
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aangezien de aanspraken rechtstreeks verband houden met de dienstbetrekking, is het vereiste causale (conditio sine qua non) verband tussen de dienstbetrekking en de uitkering in zoverre gegeven.

De rechtbank is van oordeel dat de uitkering onder deze omstandigheden zozeer haar grond vindt in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten moet worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 24-04-2020
V-N Vandaag 2020/1133
FutD 2020-1348 met annotatie van Fiscaal up to Date
NLF 2020/1119 met annotatie van Carl Luijken
PJ 2020/87 met annotatie van H.M. KAPPELLE
V-N 2020/29.2.4
Belastingadvies 2020/16.5
NTFR 2020/1283
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/1936

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 april 2020 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

(gemachtigde: drs. P. Koch MRE MBA),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de op 1 augustus 2018 ingehouden loonheffing ten bedrage van € 466.843,91 en premies zorgverzekeringswet (hierna: ZVW) ten bedrage van € 514,28.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2020 te Haarlem.

Namens eiser zijn verschenen mr. drs. A. Seubring en mr. M.J.C Veerman RB, kantoorgenoten van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.M. Christiaanse, mr. drs. M.J.G. Hubens, mr. J.B. Wieken en D. Varkevisser.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft van 1 november 2011 tot haar overlijden op 4 januari 2013 een gezamenlijke huishouding gevoerd met [a] . Zij is met ingang van 11 april 2005 als piloot in dienst geweest bij [b] . In verband daarmee heeft zij deelgenomen aan de pensioenregeling voor het vliegend personeel van [b] , vastgelegd in het Pensioenreglement van de Stichting [c] (hierna: Pensioenreglement). Op grond van het Pensioenreglement zijn de nabestaande partners van de deelnemers aanspraakgerechtigd. Stichting [d] (hierna: [d] ) is belast met de uitvoering van de pensioenregeling. Het pensioen is herverzekerd bij Aegon.

2. In verband met de aankoop van een gezamenlijke woning hebben eiser en [a] op 17 december 2012 een afspraak gemaakt bij de notaris. De notaris heeft op verzoek van eiser en [a] een concept voor een samenlevingsovereenkomst opgesteld, waarin eiser is aangewezen als gerechtigde tot een partnerpensioen. In verband met het overlijden van [a] heeft de vervolgafspraak voor het ondertekenen van de definitieve samenlevingsovereenkomst op 21 januari 2013 niet plaatsgevonden.

3. Naar aanleiding van het overlijden van [a] is het bestuur van [d] verzocht om tot uitkering van een (tijdelijk) partnerpensioen aan eiser over te gaan. [d] heeft het verzoek afgewezen omdat niet is voldaan aan de in het Pensioenreglement opgenomen vereisten van een notarieel samenlevingscontract en het schriftelijk aanmelden van eiser bij het pensioenfonds.

4. Eiser heeft [d] in verband met de afwijzing van het verzoek tot uitkering van een pensioen gedagvaard voor de kantonrechter te Haarlem. Bij vonnis van 24 september 2015 heeft de kantonrechter voor recht verklaard - kort gezegd - dat [d] eiser met ingang van

4 januari 2013 een tijdelijk nabestaandenpensioen en vanaf het bereiken van de 65-jarige leeftijd een partnerpensioen is verschuldigd. [d] heeft uitvoering gegeven aan dit vonnis en heeft daartegen tevens hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. Het gerechtshof heeft het vonnis bij arrest van 18 juli 2017 vernietigd, de vorderingen van eiser afgewezen en eiser veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen [d] ter uitvoering van het vonnis heeft betaald. Eiser heeft tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld.

5. Omdat [d] inmiddels had besloten tot liquidatie over te gaan en het cassatieberoep het liquidatieproces dreigde te verstoren, zijn eiser en [d] in overleg getreden over een schikking. Eiser heeft verweerder gedurende dit overleg per e-mail van zijn gemachtigde van 30 mei 2018 bericht dat [d] bereid is een lumpsum te betalen en af te zien van terugbetaling indien eiser het beroep in cassatie intrekt. Gevoegd als bijlage bij deze e-mail is een conceptovereenkomst waarin is uitgegaan van een belastbare uitkering. De gemachtigde van eiser heeft te kennen gegeven niet betrokken te zijn bij de totstandkoming van deze conceptovereenkomst en de kwalificatie ‘pensioen’ en ‘belastbaarheid’ ter discussie te stellen. De gemachtigde heeft verweerder verzocht om een fiscaal oordeel over het karakter van de betaling. In dat verband is bij de e-mail een brief gevoegd met daarin opgenomen een toelichting en de volgende drie vragen:

“1. Acht u het standpunt correct dat de betaling door [ [d] ] aan [eiser] niet aan loonbelasting is onderworpen nu geen sprake is van Pensioen?

2. Indien u van oordeel bent dat sprake is van een pensioenuitkering, acht u dan een uitkering in eens van dit bedrag dan een aan revisierente onderworpen afkoop?

3. Indien u van oordeel bent dat revisierente geheven dient te worden, bent u het dan eens met de stelling dat de tegenbewijs ex artikel 30i AWR van toepassing is en dat dien ten gevolge de revisierente vastgesteld dient te worden als beschreven in de bijlage?”

6. Bij brief van 20 juni 2018 heeft verweerder op het verzoek van eiser om een fiscaal oordeel gereageerd. Verweerder geeft in deze brief als zijn standpunt te kennen:

- dat de uitkering in de conceptvaststellingsovereenkomst niet kan worden aangemerkt als een kwalificerende pensioensoort als omschreven in Hoofdstuk IIB van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB), dat daardoor niet wordt voldaan aan de eisen die de Wet LB stelt aan een zuivere pensioenregeling en dat daaruit volgt dat geen sprake is van een pensioenregeling in de zin van Hoofdstuk IIB van de Wet LB;

- dat de uitkering loon uit vroegere dienstbetrekking van een ander vormt, dat [d] ter zake inhoudingsplichtig is en dat de uitkering tevens als loon wordt aangemerkt voor de Wet IB 2001; en

- dat eventuele verschuldigdheid van revisierente niet aan de orde is.

7. De gemachtigde van eiser heeft verweerder per e-mail van 25 juni 2018 als volgt bericht:

“In navolging op uw brief van 20 juni 2018 heeft [ [d] ] aangegeven nog een verduidelijking van uw standpunt te willen vernemen zodat zij volstrekte zekerheid verkrijgt over de fiscale positie van het pensioenfonds in deze kwestie. Hierbij is van belang dat de door u beoordeelde tijdelijke uitkering op twee levens niet zal worden uitgevoerd. De optie die nu op tafel ligt, is de optie van een eenmalig aan de heer [eiser] uit te keren bedrag waarvan de omvang is gebaseerd op de contante waarde van de voornoemde tijdelijke uitkering op twee levens.

Zou u svp willen bevestigen dat een eenmalige uitkering die door [ [d] ] aan de heer [eiser] zal worden verstrekt, teneinde in te stemmen met het stopzetten van de procedure in cassatie inzake de door het hof verworpen aanspraak op partnerpensioen, niet kan worden beschouwd als een uitkering die valt onder het bepaalde in artikel 19b, lid 1, Wet LB. Is artikel 19 b, lid 1 Wet LB inderdaad niet van toepassing dan zal de heffing van revisierente conform artikel 30i AWR niet aan de orde kunnen komen. Het pensioenfonds is dan bevrijd van het risico conform artikel 44b Invorderingswet hiervoor aansprakelijk te kunnen worden gesteld.

[ [d] ] gaat overigens uit van een inhoudingsplicht en zal de reguliere loonheffing inhouden op de eenmalige uitkering en deze afdragen aan de Belastingdienst.”

8. Verweerder heeft hierop per e- mail van 28 juni 2018 als volgt geantwoord:

“Een eenmalige uitkering die door [ [d] ] aan de heer [eiser] zal worden verstrekt, teneinde in te stemmen met het stopzetten van de procedure in cassatie inzake de door het hof verworpen aanspraak op partnerpensioen, wordt niet aangemerkt als een uitkering die in de zin van Hoofdstuk IIB van de Wet LB fiscaal te kwalificeren is als een pensioenregeling. Hierdoor zijn de artikelen 19b, lid 1 Wet LB en 30i AWR niet van toepassing en is het pensioenfonds voor deze eenmalige uitkering bevrijd van aansprakelijkheid conform artikel 44b Invorderingswet.

Het pensioenfonds is overigens wel inhoudingsplichtig voor deze eenmalige uitkering en dient de reguliere loonheffing hierover in te houden en aan de Belastingdienst af te dragen.”

9. Het overleg tussen eiser en [d] heeft geleid tot een vaststellingsovereenkomst, die in juli 2018 door partijen is ondertekend. De overeenkomst luidt, voor zover thans van belang:

“DE ONDERGETEKENDEN:

[…]

VERKLAREN TE ZIJN OVEREENGEKOMEN EN VAST TE STELLEN ALS VOLGT:

1. Zonder dat hieruit een erkenning van aansprakelijkheid door - of gehoudenheid tot vergoeding van de gevorderde bedragen van - [ [d] ] kan/mag worden afgeleid - maar uitsluitend ter besparing van tijd en verdere (juridische) kosten en mitsdien volledig coulance-halve - stelt het [ [d] ] aan [eiser] een bedrag beschikbaar ter grootte van €900.000 […] bruto (het ‘Bedrag’).

2. […] [ [d] ] betaalt het Bedrag uit onder inhouding van loonheffing (loonbelasting en premies volksverzekeringen).

[…]

3. [ [d] ] betaalt [eiser] […] éénmalig een bedrag van maximaal € 40.000,- (inclusief BTW), als tegemoetkoming in de door hem gemaakte (buiten)gerechtelijke/juridische kosten in verband met het onderhavige geschil.[…]

4. De over de periode januari 2013 tot en met augustus 2017 betaalde uitkeringen en verschuldigde proceskosten - tot (terug)betaling waarvan [eiser] bij arrest van 18 oktober [de rechtbank begrijpt: juli] 2017 van het Hof Amsterdam is veroordeeld - worden door [ [d] ] niet van [eiser] (terug)gevorderd.”

10. Aegon heeft op 1 augustus 2018 een bedrag van € 900.005,03 uitgekeerd (hierna: de uitkering) onder inhouding van € 466.843,91 loonheffing en € 514,28 premies ZVW. Eiser heeft tegen de inhoudingen bij brief van 10 september 2018, door verweerder ontvangen op 11 september 2018. Bezwaar gemaakt. Op 14 januari 2019 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Met dagtekening 26 maart 2019 heeft verweerder uitspraak op bezwaar gedaan.

Geschil
11. Ter zitting heeft verweerder zijn betoog dat de uitkering moet worden aangemerkt als (afkoop van) pensioen waarover revisierente is verschuldigd laten varen. In geschil is nog of de inhouding van loonheffing en premies ZVW over de uitkering uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst terecht heeft plaatsgevonden.

12. Eiser stelt dat de uitkering uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst niet kan worden aangemerkt als aan inhouding van loonheffing onderworpen loon (anders dan pensioen) uit vroegere dienstbetrekking van een ander. Eiser heeft op grond van het Pensioenreglement geen aanspraak op pensioen. De voorstellen die [d] tijdens de schikkingsonderhandelingen heeft gedaan vallen niet binnen de pensioenregels die voor [d] gelden en kunnen daarom niet als (afkoop van) pensioen aangemerkt worden. [d] heeft de vaststellingsovereenkomst gesloten om redenen die buiten de pensioensfeer zijn gelegen. Er is onvoldoende causaal verband met de dienstbetrekking van [a] om de uitkering in redelijkheid als daaruit genoten voordeel te kunnen aanmerken. Indien het vereiste causale verband al aanwezig zou zijn kan de uitkering hoogstens worden gezien als vergoeding voor immateriële schade en verlies van verdiencapaciteit en dus niet als loon. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep.

13. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de uitkering uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst moet worden aangemerkt als loon. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

14. Artikel 10 van de Wet LB bepaalt, voor zover van belang:

“1. Loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking.”

15. De vraag die ter beantwoording voorligt is of de uitkering ter beëindiging van het geschil over het bestaan van een pensioenaanspraak van eiser zozeer haar grond vindt in de dienstbetrekking van [a] dat zij als daaruit genoten moet worden aangemerkt (vgl. onder andere HR 29 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AW9439).

16. De rechtbank acht bij de beantwoording van deze vraag niet relevant dat [d] niet als werkgever van eiser kan worden aangemerkt, dat [d] geen oogmerk van beloning van eiser heeft gehad, en dat de uitkering naar maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel van eiser kan worden aangemerkt, aangezien het geschil betrekking heeft op de vroegere dienstbetrekking van [a] .

17. Ter zitting heeft eiser erkend dat [d] nooit tot het sluiten van de vaststellingsovereenkomst zou zijn overgegaan indien [a] geen aanspraken zou hebben gehad uit hoofde van het Pensioenreglement. Aangezien die aanspraken rechtstreeks verband houden met haar dienstbetrekking, is het vereiste causale (conditio sine qua non) verband tussen de dienstbetrekking en de uitkering in zoverre gegeven.

18. Wanneer eiser uit hoofde van het Pensioenreglement een pensioenaanspraak zou hebben zou er geen discussie zijn over de vraag of het voordeel uit dienstbetrekking is genoten, omdat [d] dan uitvoering zou geven aan een verplichting die [b] jegens [a] had. Ook in het geval dat [b] in het geheel niet betrokken is geweest bij de vaststellingsovereenkomst vloeit de totstandkoming daarvan naar het oordeel van de rechtbank voort uit de rechtsbetrekking tussen [b] en [d] die is terug te voeren op de dienstbetrekking van [a] . Tussen partijen is niet in geschil dat de hoogte van de uitkering niet overeenkomt met de waarde van de pensioenaanspraak in het geval eiser door de civiele rechter in het gelijk zou zijn gesteld. De rechtbank acht echter aannemelijk dat [d] zich bij de onderhandelingen over de vaststellingsovereenkomst mede heeft laten leiden door haar inschatting van de kansen van het ingestelde beroep in cassatie. De rechtbank is van oordeel dat de uitkering onder deze omstandigheden zozeer haar grond vindt in de dienstbetrekking van [a] dat zij als daaruit genoten moet worden aangemerkt. Hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd behoeft bij deze stand van zaken geen bespreking.

19. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

20. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Koenis, voorzitter, en mr. B. van Walderveen en mr. J. Gooijer, leden, in aanwezigheid van mr. M.C. Anema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2020.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.