Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:2436

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
02-04-2020
Zaaknummer
7922889 \ AO VERZ 19-98
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Vervolg op gedeeltelijke tussenbeschikking na akten partijen i.v.m. verstrekken stukken, provisie en transitievergoeding. Wederom gedeeltelijke tussenbeschikking i.v.m. provisie en transitievergoeding.

Eerste tussenuitspraak: ECLI:NL:RBNHO:2019:9321

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0372
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 7922889 \ AO VERZ 19-98

Uitspraakdatum: 25 maart 2020

Beschikking in de zaak van:

[werknemer] ,

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

verder te noemen: [werknemer]

gemachtigde: mr. S.S.L. Haimé

tegen

de besloten vennootschap RN Vastgoed B.V.,

gevestigd te Beverwijk

verwerende partij

verder te noemen: RN

gemachtigde: mr. S.E.H. van Thoor

1 Het verdere procesverloop

1.1.

Bij (gedeeltelijke tussen)beschikking van 7 november 2019 heeft de kantonrechter [werknemer] in de gelegenheid gesteld om – kort gezegd – uiterlijk op 19 december 2019 schriftelijk (i) een nadere toelichting te geven omtrent zijn provisieberekening, (ii) aan te geven van welke stukken hij verstrekking door RN verzoekt en welk rechtmatig belang hij daarbij heeft en (iii) een gemotiveerde berekening van de hoogte van de transitievergoeding over te leggen. RN is in de gelegenheid gesteld hierop uiterlijk op 30 januari 2020 schriftelijk te reageren.

1.2.

[werknemer] heeft vervolgens op 24 december 2019 een akte ingediend, tevens houdende een wijziging van het verzoek. RN heeft hierop bij akte van 30 januari 2020 schriftelijk gereageerd. Aan beide stukken zijn producties gehecht.

1.3.

Hierna is beschikking bepaald op heden.

2 Het gewijzigde verzoek

2.1.

[werknemer] verzoekt de kantonrechter – na wijziging van het (resterend) verzoek bij voornoemde akte – om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

I. RN te veroordelen tot het verstrekken van:

(i) alle ontbrekende (bel-)formulieren van [werknemer] ;

(ii) provisieoverzichten over de perioden 1 maart 2016 tot 1 januari 2017 en 1 juni

2018 tot 1 januari 2020 en hierin duidelijk te vermelden wat het bedrag is aan

kosten koper per klant;

(iii) de overzichten van de maandelijks aan [werknemer] te verstrekken commissie,

zodat de totale provisie op een juiste manier voor [werknemer] kan worden

berekend over de periode van zijn dienstverband bij RN, op straffe van

verbeurte van een dwangsom;

II. RN te veroordelen tot het verstrekken van uittreksel(s) uit het Kadaster indien RN geen

duidelijkheid wil geven over de aankoop van grond door een klant afkomstig van een lead van [werknemer] , op straffe van verbeurte van een dwangsom;

III. de beslissing omtrent de veroordeling tot betaling van een tot nu toe vastgesteld bedrag

aan provisie van € 62.820,35 bruto aan te houden totdat RN alle ontbrekende informatie

heeft aangeleverd om tot een juiste berekening te komen van de provisie van [werknemer] ;

Subsidiair:

IV. de beslissing omtrent de veroordeling tot betaling van de transitievergoeding aan te houden totdat RN alle ontbrekende informatie heeft aangeleverd om tot een juiste berekening te komen van de transitievergoeding voor [werknemer] .

3 Het verweer

3.1.

RN verzoekt de kantonrechter de (resterende) verzoeken van [werknemer] af te wijzen, met dien verstande dat [werknemer] nog recht heeft op betaling door RN van een bedrag van € 6.046,89 bruto aan provisies en € 3.000,94 bruto aan transitievergoeding.

3.2.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, onder de beoordeling nader worden ingegaan.

4 De verdere beoordeling

4.1.

RN voert primair aan dat [werknemer] de akte niet tijdig heeft ingediend, zodat de inhoud daarvan (inclusief de producties) buiten beschouwing dienen te blijven. De kantonrechter overweegt hieromtrent als volgt.

4.2.

Uit de bij de rechtbank ingekomen stukken blijkt dat [werknemer] de akte, zonder producties, eerst bij fax van 19 december 2019 heeft ingediend. [werknemer] heeft de akte vervolgens, voorzien van producties, op 24 december 2019 ingediend. RN stelt dat zij de akte zonder producties eerst op 22 december 2019 heeft ontvangen en vervolgens op 24 december 2019 met producties. De kantonrechter zal aan deze (geringe) overschrijding van de indieningstermijn geen gevolg verbinden, nu niet is gebleken dat RN daardoor is geschaad in haar procespositie. Zij had nog ruim vijf weken de tijd om haar antwoordakte in te dienen en daarvan heeft zij ook uitvoerig gebruik gemaakt, zo blijkt uit de omvang van die akte. Indien RN had gemeend dat zij onvoldoende tijd had voor het indienen van een antwoordakte, had zij eventueel om uitstel voor indiening kunnen verzoeken.

4.3.

Vast staat dat een medewerker van RN recht op provisie heeft als de klant die door die medewerker is gebeld uiteindelijk grond koopt. De bellende verkoopmedewerker schrijft op een formulier de gegevens van de klant die hij heeft gebeld en zijn eigen initialen. Als de klant daadwerkelijk grond koopt, ontvangt de medewerker die het eerste telefonische contact met die klant heeft gehad, de provisie conform de geldende staffel (overgelegd als productie 2 bij het verzoekschrift). Voor de berekening daarvan worden eerst van het aankoopbedrag de kosten koper afgetrokken en vervolgens wordt een percentage toegekend op basis van de staffel. De aankopen van de klanten worden op een whiteboard bij RN genoteerd, met daarbij het aankoopbedrag en de initialen van de verkopende medewerker van RN. Indien een klant nogmaals grond koopt, heeft de betreffende verkoper wederom recht op provisie, maar dan conform de tweede kolom van de staffel (‘Load’).

4.4.

Gelet op het voorgaande acht de kantonrechter het redelijk om de door partijen overgelegde foto’s van de whiteboards als uitgangspunt aan te houden voor het antwoord op de vraag wie in een bepaalde aankoopsituatie provisiegerechtigd is.

4.5.

De kantonrechter is van oordeel dat RN met de door haar overgelegde stukken bij antwoordakte (overzichten maandelijkse commissie [werknemer] , loonspecificaties, bankafschriften) voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de provisies waarop [werknemer] recht had over de periode tot juni 2018 aan hem zijn uitbetaald. Gelet daarop heeft [werknemer] onvoldoende belang bij zijn verzoek voorzover dat ziet op het overleggen door RN van de stukken van maart 2016 tot juni 2018. In zoverre zal dat verzoek dan ook worden afgewezen.

4.6.

Ook het verzoek van [werknemer] tot het overleggen door RN van bel-overzichten zal worden afgewezen. Uit de akte van [werknemer] blijkt immers dat de betreffende overzichten gedeeltelijk eigen aantekeningen zijn, waarvan RN heeft aangevoerd deze niet te kennen en volgens RN beschikt [werknemer] zelf (nog) over die stukken, omdat hij heeft nagelaten de bedrijfsgegevens/eigendommen aan RN te retourneren. [werknemer] heeft niet aannemelijk gemaakt dat RN over belformulieren beschikt die [werknemer] zelf niet heeft, zodat de kantonrechter van oordeel is dat onvoldoende grondslag bestaat om RN tot overlegging van bedoelde bel-overzichten/formulieren.

4.7.

[werknemer] heeft voorts naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende bewijs geleverd van zijn standpunt dat hij ten aanzien van bepaalde klanten recht zou hebben op provisie conform de ‘Load’-kolom van de staffel. De kantonrechter volgt met betrekking tot het verzoek tot het verstrekken van uittreksel(s) uit het Kadaster dan ook het standpunt van RN. Deze stukken zijn openbaar en het ligt op de weg van [werknemer] , als verzoeker, om zijn stellingen te onderbouwen met relevante stukken. Ook het verzoek van [werknemer] tot veroordeling van RN tot het verstreken van uittreksel(s) uit het Kadaster zal derhalve worden afgewezen.

4.8.

Met betrekking tot de vordering die ziet op het verstrekken door RN van provisie- overzichten over de periode van 1 juni 2018 tot 1 januari 2020 en de overzichten van de maandelijkse aan [werknemer] te verstrekken commissie oordeelt de kantonrechter (mede gelet op hetgeen in r.o. 4.4. is overwogen) dat [werknemer] – gelet op de door RN overgelegde foto’s van de whiteboards over die periode – onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt welk gerechtvaardigd belang hij daarbij heeft. Ook dit verzoek zal worden afgewezen.

4.9.

[werknemer] stelt zich op het standpunt dat hij in ieder geval nog recht heeft op provisiebetalingen met betrekking tot de volgende aankoopbedragen van klanten: (i) [klant 1] € 250.000,00, (ii) [klant 2] € 845,750,00, (iii) [klant 3] € 185.000,00, (iv) [klant 4] € 30.000,00 en (v) [klant 5] € 14.000,00.

4.10.

Onder verwijzing naar een omzetoverzicht van [werknemer] over de periode van 1 juni 2018 tot en met mei 2019 en foto’s van de whiteboards over die periode voert RN aan dat [werknemer] provisiegerechtigd is ten aanzien van de volgende aankoopbedragen van klanten: (i) [klant 6] € 28.000,00, (ii) [klant 7] € 7.500,00, (iii) [klant 8] € 7.500,00, (iv) [klant 9] € 7.000,00, (v) [klant 4] € 30.000,00, (vi) [klant 1] € 100.000,00, (vii) [klant 5] € 14.000,00 en (viii) [klant 10] € 34.375,00. Volgens RN volgt hieruit dat [werknemer] nog recht heeft op uitbetaling van € 6.046,89 bruto aan provisie.

4.11.

De kantonrechter begrijpt dat tussen partijen niet (langer) in geschil is dat [werknemer] in ieder geval nog recht heeft op provisiebetalingen door RN over de aankoopbedragen van de klanten [klant 4] € 30.000,00 en [klant 5] € 14.000,00.

4.12.

Ook ten aanzien van de klant [klant 1] is niet in geschil dat [werknemer] nog recht heeft op provisiebetaling door RN, echter voert RN aan dat het om een aankoopbedrag van € 100.000,00 gaat, in plaats van de door [werknemer] gestelde € 250.000,00. De kantonrechter is van oordeel dat – gelet op hetgeen in r.o. 4.4. is overwogen – ook voor de hoogte van het aankoopbedrag de whiteboards als uitgangspunt moeten worden aangehouden. Uit de overgelegde foto van het whiteboard van maart 2019 blijkt dat [klant 1] voor een bedrag van € 250.000,00 heeft aangekocht. Het standpunt van RN dat in mei 2019 de koopoptie gedeeltelijk is ontbonden, waardoor uiteindelijk voor € 100.000,00 is aangekocht door [klant 1] , volgt de kantonrechter niet. Het door RN overgelegde stuk waarmee zij dit standpunt heeft getracht te onderbouwen is ongedateerd en niet ondertekend, zodat de kantonrechter daaraan voorbij gaat en oordeelt dat het standpunt van [werknemer] dat hij recht heeft op provisiebetaling door RN met betrekking tot het aankoopbedrag van € 250.000,00 van [klant 1] door RN onvoldoende gemotiveerd is weersproken.

4.13.

Ten aanzien van de klant [klant 2] betwist RN provisie verschuldigd te zijn aan [werknemer] . Ter onderbouwing van dat standpunt verwijst zij naar de initialen ‘ [initialen medewerker 1] ’ ( [medewerker A] ) die bij deze klant op het whiteboard staan. Volgens [werknemer] hadden zijn intialen (‘ [initialen werknemer] ’) op het whiteboard moeten staan, omdat hij de medewerker is geweest die het eerste telefonische contact met [klant 2] heeft gehad, zodat hij provisie- gerechtigd is bij aankoop van grond door deze klant. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst [werknemer] naar het betreffende belformulier waaruit volgt dat hij contact heeft gehad met [klant 2] . De kantonrechter gaat ook in dit verband uit van hetgeen op het whiteboard staat, zodat er ten aanzien van [klant 2] vanuit wordt gegaan dat [werknemer] niet provisiegerechtigd is. Daarbij komt dat het naar het oordeel van de kanton- rechter, gelet ook op de hoogte van het aankoopbedrag, voor de hand had gelegen dat [werknemer] binnen korte tijd na de bekendmaking van de informatie op het whiteboard zou hebben geprotesteerd tegen het opnemen van de initialen van [medewerker A] , indien [werknemer] daarop daadwerkelijk aansprak had. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat [werknemer] daartegen eerder dan met het indienen van het verzoekschrift op 18 juli 2019 heeft geklaagd. De kantonrechter oordeelt dan ook dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat [werknemer] provisiegerechtigd is ten aanzien van [klant 2] .

4.14.

Met betrekking tot de klant [klant 3] stelt [werknemer] zich op het standpunt dat hij provisiegerechtigd is ten aanzien van het aankoopbedrag van € 185.000,00. Ter onder- bouwing van dat standpunt verwijst [werknemer] naar een foto van een whiteboard, waarop zijn initialen staan bij de aankoop van [klant 3] ter hoogte van € 185.000,00. RN betwist dat [werknemer] provisiegerechtigd is ten aanzien van [klant 3] . RN voert daartoe aan dat [medewerker A] door [klant 3] rechtstreeks is benaderd en dat [werknemer] uitsluitend facilitair heeft opgetreden tussen [klant 3] en een andere verkoper. Dat standpunt is niet onderbouwd met stukken, zodat hieraan voorbij wordt gegaan. Voor zover RN daarnaast, onder verwijzing naar een stuk uit het Kadaster, heeft aangevoerd dat [klant 3] met RN slechts een erfdienstbaarheid heeft gevestigd, overweegt de kantonrechter dat een dergelijk standpunt niet wordt onderbouwd door overlegging van een enkel stuk. De kantonrechter gaat er, gelet op hetgeen op de foto van het whiteboard staat, vanuit dat [werknemer] aan- spraak maakt op provisiebetaling door RN met betrekking tot de klant [klant 3] voor een aankoopbedrag van € 185.000,00.

4.15.

Op de door RN overgelegde foto van het whiteboard van september 2018 staan de initialen van [werknemer] ook bij de klant [klant 11] ten aanzien van een aankoopbedrag van € 21.000,00. RN stelt zich op het standpunt dat deze koop later is gecanceld, zodat [werknemer] geen aanspraak maakt op provisies met betrekking tot deze klant. Dit standpunt heeft RN echter niet onderbouwd met stukken, zodat de kantonrechter daaraan voorbij gaat en vasthoudt aan het uitgangspunt dat hetgeen op de foto’s van de whiteboards staat leidend is, zodat [werknemer] ook provisiegerechtigd is ten aanzien van de klant [klant 11] voor een aankoopbedrag van € 21.000,00.

4.16.

Gelet op het voorgaande concludeert de kantonrechter dat [werknemer] recht heeft op provisiebetalingen door RN over de volgende aankoopbedragen van klanten:

( i) [klant 4] € 30.000,00, (ii) [klant 5] € 14.000,00, (iii) [klant 1] € 250.000,00, (iv) [klant 6] € 28.000,00, (v) [klant 7] € 7.500,00, (vi) [klant 8] € 7.500,00, (vii)

[klant 9] € 7.000,00, (viii) [klant 10] € 34.375,00, (ix) [klant 3] € 185.000,00 en

( x) [klant 11] € 21.000,00.

4.17.

De conclusie is dat de verzoeken zoals genoemd onder 2.1.I. en 2.1.II. worden afgewezen en dat de verzoeken zoals genoemd onder 2.1.III. en 2.1.IV worden toegewezen, met dien verstande dat de beslissing omtrent de veroordeling tot betaling van een bedrag aan provisie en de transitievergoeding zal worden aangehouden.

4.18.

Gelet op de inhoud van het gewijzigde petitum bij akte van 24 december 2019, zal de kantonrechter [werknemer] in de gelegenheid stellen om een schriftelijke, korte, toelichting te geven – zonder dat daarbij nog nadere producties worden overgelegd – omtrent het gevolg dat het hiervoor overwogene heeft voor dat petitum. Indien alsnog nadere producties worden overgelegd, zal de kantonrechter daarop geen acht slaan. RN zal in de gelegenheid worden gesteld hierop een korte reactie geven, eveneens van maximaal drie bladzijden en zonder overlegging van nadere producties.

4.19.

Bij de in het voorgaande bedoelde toelichting dient ook rekening te worden gehouden met het volgende. Tussen partijen is in geschil hoe hoog de kosten koper zijn. Volgens [werknemer] heeft RN ter zitting gezegd dat de hoogte hiervan 6% bedraagt. RN betwist dat en voert aan dat is gezegd dat de omzetbelasting 6% is en daar bovenop nog vaste kosten kadaster en vaste notariskosten komen. Uit de zittingsaantekeningen blijkt dat hetgeen RN hieromtrent aanvoert voor juist moet worden gehouden.

4.20.

Voor zover RN heeft bedoeld in de antwoordakte een vordering tegen [werknemer] in te stellen, blijkt dat niet uit het petitum, zodat de kantonrechter daaromtrent geen oordeel zal geven.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst de verzoeken zoals hiervoor weergegeven onder 2.1.I. en 2.1.II. af;

5.2.

wijst de verzoeken zoals bedoeld onder 2.1.III. en 2.1.IV. toe, met dien verstande dat de beslissing omtrent de veroordeling tot betaling van een bedrag aan provisie en de transitie- vergoeding wordt aangehouden;

5.3.

stelt [werknemer] in de gelegenheid om uiterlijk op 22 april 2020 een schriftelijke, korte, toelichting te geven – zonder overlegging van nadere producties – omtrent het gevolg dat het onder 5.2. bedoelde heeft voor het bij akte van 24 december 2019 gewijzigde petitum;

5.4.

stelt RN in de gelegenheid om uiterlijk op 20 mei 2020 een korte, schriftelijke, reactie te geven – zonder overlegging van nadere producties – op het onder 5.3. bedoelde;

5.5.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gewezen door mr. D.P. Ruitinga, kantonrechter en op 25 maart 2020 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter