Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:2425

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-04-2020
Datum publicatie
06-04-2020
Zaaknummer
C/15/281882 / HA ZA 18-774
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres beschikt met arrest van Hof Monaco over executoriale titel die niet krachtens verdrag of wet voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar is (art. 431 lid 2 Rv). Aan alle criteria uit Gazprombank-arrest HR voldaan, zodat arrest wordt erkend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/281882 / HA ZA 18-774

Vonnis van 1 april 2020

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. J.P. Koets te Haarlem,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat voorheen mr. M.C. van Rijswijk te Amsterdam,

thans zonder advocaat.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift tot het leggen van conservatoir beslag van 6 april 2018 met producties 1 tot en met 9, met het door de voorzieningenrechter van deze rechtbank verleende verlof van 9 april 2018

  • -

    de dagvaarding van 4 mei 2018 met producties 1 tot en met 12

  • -

    de akte domiciliekeuze zijdens [eiseres] van 30 mei 2018

  • -

    de incidentele conclusie tot onbevoegdheid c.q. ontbreken rechtsmacht tevens voorwaardelijke incidentele conclusie tot zekerheidstelling ex artikel 224 van 8 augustus 2018 met producties 1 en 2

  • -

    de conclusie van antwoord in incident onbevoegdheid c.q. ontbreken rechtsmacht tevens voorwaardelijke incidentele conclusie tot zekerheidstelling ex artikel 224 Rv van 22 augustus 2018 met producties 1 tot en met 18

  • -

    de conclusie van repliek in incident tevens voorwaardelijke eis in reconventie in de hoofdprocedure van 26 september 2018 met producties 3 tot en met 11

  • -

    de brief van de rechtbank Den Haag van 28 september 2018 aan de advocaten van partijen inzake de conclusie van repliek in incident tevens voorwaardelijke eis in reconventie in de hoofdprocedure, waarin is opgenomen dat de rechtbank geen acht zal slaan op de akte voor zover deze de voorwaardelijke eis in reconventie in de hoofdzaak betreft, nu [gedaagde] bij conclusie van antwoord een eis in reconventie kan instellen

  • -

    de conclusie van dupliek in incident van 17 oktober 2018

  • -

    de rolbeslissing inzake pleidooi in het incident van de rechtbank Den Haag van 14 november 2018

  • -

    het vonnis in incident van de rechtbank Den Haag van 14 november 2018, waarbij de zaak is verwezen naar deze rechtbank

  • -

    de oproeping na verwijzing zijdens [eiseres] van 20 november 2018

  • -

    de verwijzing naar de parkeerrol op verzoek van partijen van 2 januari 2019

  • -

    het verzoek tot voortprocederen na parkeerrol voor vonnis in incident van partijen van 27 september 2019

  • -

    het vonnis in het incident ex artikel 224 Rv van 30 oktober 2019, waarbij de vorderingen in het incident zijn afgewezen en de zaak naar de rol van 11 december 2019 is verwezen voor conclusie van antwoord in de hoofdzaak aan de zijde van [gedaagde]

  • -

    het B2-formulier waarmee mr. Van Rijswijk voornoemd zich per roldatum van 11 december 2019 heeft onttrokken als advocaat van [gedaagde].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 26 augustus 1989 zijn partijen in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

2.2.

Op 19 december 2017 is [gedaagde] in een voorlopige voorzieningenprocedure door het gerechtshof te [woonplaats] (La Cour d’Appel de la Principauté de [woonplaats], hierna: La Cour d’Appel) – voor zover hier van belang – veroordeeld tot betaling aan [eiseres] van een maandelijkse bedrag aan alimentatie van € 25.000,-, bij vooruitbetaling te voldoen op de eerste dag van iedere maand met ingang van 17 december 2017, alsmede tot betaling van een bedrag ineens (provision ad litem) van € 50.000,-. De uitspraak van La Cour d’Appel is in [woonplaats] voor directe tenuitvoerlegging vatbaar.

2.3.

Op 27 december 2017 is de uitspraak van La Cour d’Appel aan [gedaagde] betekend.

2.4.

[gedaagde] heeft niet voldaan aan zijn betalingsverplichting jegens [eiseres] uit hoofde van de uitspraak van La Cour d’Appel.

2.5.

Op 9 april 2018 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank op daartoe strekkend verzoek van [eiseres] van 6 april 2018 verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van [gedaagde] op onroerende zaken en onder derden.

2.6.

Op 10 april 2018 heeft [eiseres] ten laste van [gedaagde] conservatoir beslag gelegd op een aan [gedaagde] toebehorend aandeel in een onroerende zaak gelegen te Heemstede en op een aan [gedaagde] toebehorende onroerende zaak te Bennebroek, alsmede onder de ING Bank.

2.7.

Op 4 mei 2018 heeft [eiseres] [gedaagde] bij dagvaarding betrokken in een procedure bij de rechtbank Den Haag met zaak- en rolnummer C/09/553174 / HA ZA 18-557. De zaak is door de Rechtbank Den Haag bij incidenteel vonnis van 14 november 2018 in de stand waarin zij zich toen bevond naar deze rechtbank verwezen en heeft thans bovenstaand zaak- en rolnummer.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert in de hoofdzaak om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

1. het tussen partijen gewezen arrest van het gerechtshof te [woonplaats], La Cour d’Appel, van 19 december 2017 te erkennen en te bekrachtigen en [gedaagde] te veroordelen conform dit arrest te veroordelen tot:

betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 50.000, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 december 2017, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

betaling aan [eiseres] van de thans vervallen alimentatietermijnen van € 150.000-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de verschillende data van opeisbaarheid, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 25.000,- per maand, vanaf 1 juni 2018 en vervolgens bij vooruitbetaling te voldoen op de eerste dag van elke kalendermaand, te vermeerderen met de wettelijke rente gerekend vanaf de verschillende data van opeisbaarheid;

2. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 2.205,53 aan beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2018, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

3. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 131,- zonder betekening, dan wel € 199,- in het geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2.

Aan deze vordering legt [eiseres] – kort gezegd – ten grondslag dat [gedaagde] aan voormelde veroordeling niet heeft voldaan. [eiseres] beschikt met het arrest over een executoriale titel die niet krachtens een verdrag of wet voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar is. Zodoende heeft [eiseres] er belang bij dat het arrest op grond van artikel 431 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in Nederland wordt erkend en met een op die erkenning gebaseerd vonnis hier ten lande executeerbaar wordt gemaakt.

3.3.

[gedaagde] heeft voor alle weren een exceptie van onbevoegdheid en een incident tot zekerheidstelling voor proceskosten opgeworpen.

3.4.

[gedaagde] voert verweer in het incident.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De verdere beoordeling

in het bevoegdheidsincident

4.1.

Bij eerdere vonnissen (in incident) van de rechtbank Den Haag van 14 november 2018 en bij vonnis in incident van deze rechtbank van 30 oktober 2019 is reeds op alle incidentele vorderingen beslist, met uitzondering van een tweetal grondslagen in het bevoegdheidsincident, die beide betrekking hebben op de rechtsmacht van de Nederlandse rechter.

4.2.

[eiseres] is woonachtig in [woonplaats], terwijl [gedaagde] in [woonplaats], woont en partijen gehuwd zijn in [land]. Daarmee heeft deze procedure een sterk internationaal karakter. Over de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en de relatieve bevoegdheid van rechtbank Noord-Holland is reeds geoordeeld en beslist door de rechtbank Den Haag bij vonnis in incident van 14 november 2018. In r.o. 3.4 van dat vonnis heeft de rechtbank Den Haag het volgende overwogen:

3.4

Met betrekking tot de overige stellingen van [gedaagde] in het bevoegdheidsincident wordt het volgende opgemerkt. Toewijzing van een vordering op grond van artikel 431 lid 2 Rv kan afstuiten op de grond dat de eisende partij met het voorleggen van een vordering op de voet van artikel 431 lid 2 Rv aan de Nederlandse rechter misbruik van procesrecht maakt, dan wel dat de voor erkenning vatbare buitenlandse beslissing volgens het recht van het land van herkomst niet, nog niet dan wel niet meer uitvoerbaar is. Tevens kan er onder omstandigheden aanleiding zijn de beslissing op de voet van artikel 431 lid 2 Rv aan te houden indien tegen het buitenlandse vonnis een rechtsmiddel is ingesteld en daarop nog niet bij een onherroepelijke uitspraak is beslist. Deze verweren dienen echter in de hoofdzaak aan de orde te worden gesteld en beoordeeld.

De rechtbank zal op deze weren ingaan.

in de hoofdzaak

Rechtsmacht

4.3.

Bij conclusie van repliek in incident heeft [gedaagde] gesteld (1) dat voor de rechtsmacht van de Nederlandse rechter onherroepelijkheid van de veroordeling een vereiste is en (2) dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft indien er sprake is van misbruik van recht.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Onherroepelijkheid van de veroordeling

4.4.

In zijn standaardarrest Gazprombank (zie hierna in 4.9) heeft de Hoge Raad onder meer overwogen dat toewijzing van een vordering op de voet van art. 431 lid 2 Rv kan afstuiten op de grond dat de voor erkenning vatbare buitenlandse beslissing volgens het recht van het land van herkomst niet, nog niet dan wel niet meer uitvoerbaar is. Dat die uitspraak (mogelijk) niet onherroepelijk is omdat daartegen (wellicht) nog een rechtsmiddel kán worden ingesteld, doet niet af aan de uitvoerbaarheid van de uitspraak zolang dat rechtsmiddel niet daadwerkelijk en met schorsende werking ís ingesteld. Anders dan [gedaagde] betoogt, is onherroepelijkheid van de veroordeling op zichzelf geen criterium voor de erkenning van de buitenlandse beslissing op de voet van art. 431 lid 2 Rv en evenmin voor het al dan niet aannemen van rechtsmacht. Nu [gedaagde] niet heeft gesteld, en evenmin is gebleken, dát tegen de uitspraak van La Cour d’Appel een rechtsmiddel met schorsende werking is ingesteld waarop nog niet bij een onherroepelijke uitspraak is beslist, bestaat geen grond voor de aanname dat de uitspraak inmiddels niet meer, of nog niet opnieuw, uitvoerbaar zou zijn, zodat dit geen beletsel vormt voor de rechtsmacht van de Nederlandse rechter.

Misbruik van recht

4.5.

[gedaagde] heeft in het incident tot onbevoegdheid c.q. ontbreken van rechtsmacht voorts aangevoerd dat rechtsmacht van de Nederlandse rechter ontbreekt indien sprake is van misbruik van recht. Die stelling slaagt evenmin. Een bevestigend antwoord op de vraag of sprake is van misbruik van recht leidt immers niet tot gebrek aan rechtsmacht, maar tot het oordeel dat de vordering (in de hoofdzaak) in dat geval zou moeten worden afgewezen. Dit verweer is echter in het bevoegdheidsincident opgeworpen en gekoppeld aan de (volgens [gedaagde] om die reden niet aanwezige) rechtsmacht. Omdat in de hoofdzaak niet van antwoord is gediend, is een dergelijk verweer in de hoofdzaak niet aan de orde.

4.6.

Nu beide door [gedaagde] opgeworpen weren niet tot een andersluidend oordeel kunnen leiden, is daarmee de rechtsmacht en bevoegdheid van deze rechtbank gegeven.

in het incident verder

4.7.

Resteert in het incident nog de beslissing omtrent de proceskosten. Gegeven de relatie tussen partijen zullen die tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij in het incident de eigen kosten draagt.

in de hoofdzaak verder

Partijdebat geëindigd: vordering in de hoofdzaak onweersproken

4.8.

Nu zich na de onttrekking van mr. Van Rijswijk geen nieuwe advocaat voor [gedaagde] heeft gesteld en [gedaagde] in de onderhavige bodemprocedure slechts door tussenkomst van een advocaat rechtsgeldig proceshandelingen kan verrichten, is het partijdebat daarmee geëindigd. Aangezien [gedaagde] wegens onttrekking advocaat geen conclusie van antwoord heeft genomen, zijn de stellingen die [eiseres] bij inleidende dagvaarding ter onderbouwing van haar vordering in de hoofdzaak heeft aangevoerd onweersproken gebleven. Ook is geen eis in reconventie ingesteld.

Aan de orde is dus slechts de door [eiseres] in de hoofdzaak ingestelde vordering, die is gebaseerd op artikel 431 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en strekt tot het erkennen en bekrachtigen van het tussen partijen gewezen arrest van La Cour d’Appel van 19 december 2017.

Beslissing voor erkenning vatbaar?

4.9.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient de Nederlandse rechter bij wie op de voet van art. 431 lid 2 Rv het geding opnieuw aanhangig wordt gemaakt te beoordelen of en in hoeverre hij, gelet op de omstandigheden van het hem voorgelegde geval, aan een beslissing van de buitenlandse rechter gezag toekent. Daarbij dient tot uitgangspunt dat een buitenlandse beslissing in Nederland in beginsel wordt erkend indien:

  • -

    i) de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is,

  • -

    ii) de buitenlandse beslissing tot stand is gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging,

  • -

    iii) de erkenning van de buitenlandse beslissing niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde en

  • -

    iv) de buitenlandse beslissing niet onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is.

Strekt de vordering op de voet van art. 431 lid 2 Rv – zoals in het onderhavige geding – tot veroordeling tot hetgeen waartoe de wederpartij in de buitenlandse beslissing is veroordeeld en is voldaan aan de vier hiervoor vermelde voorwaarden, dan dient de rechter de gebondenheid van partijen aan die beslissing tot uitgangspunt te nemen, en is de vordering in beginsel toewijsbaar (Hoge Raad 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838 (Gazprombank) en Hoge Raad 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:54 (Yukos)).

ad (i) bevoegdheidsgrond naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar?

4.10.

Tussen partijen is niet in geschil dat de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is. Uit de door partijen overgelegde stukken blijkt dat partijen – ten tijde van het verzoek tot echtscheiding – beide woonachtig waren te [woonplaats]. Naar internationaal algemeen aanvaarde maatstaven is in zaken betreffende huwelijks(vermogens)recht bevoegd de rechter van het land waarin de echtelieden woonachtig zijn. De uitspraak waarvan erkenning wordt gevraagd is van La Cour d’Appel de la Principauté de [woonplaats], derhalve de woonplaats van eiseres en (toentertijd) die van gedaagde.

ad (ii) en (iii) strekking

4.11.

De hierboven in 4.9 onder (ii) en (iii) genoemde voorwaarden beogen te voorkomen dat in de Nederlandse rechtsorde een buitenlandse rechterlijke beslissing tot gelding komt die naar haar totstandkoming of haar inhoud in strijd is met beginselen en waarden die in de Nederlandse rechtsorde als fundamenteel worden aangemerkt. Bij de beoordeling of aan deze voorwaarden is voldaan, gaat het er niet om of de buitenlandse beslissing juist is. Ook een rechterlijke beslissing die binnen de Nederlandse rechtsorde als onjuist zou worden aangemerkt, kan worden erkend. Dat is anders indien erkenning, gelet op de totstandkoming of inhoud van de desbetreffende beslissing, in strijd komt met beginselen en waarden die in de Nederlandse rechtsorde als fundamenteel worden aangemerkt (vgl. r.o. 4.1.3 en 4.1.4 van voornoemd Yukos-arrest van de Hoge Raad).

ad (ii) met voldoende waarborgen omklede rechtspleging?

4.12.

Uit de door beide partijen in het geding gebrachte producties blijkt dat [gedaagde] – zowel in eerste aanleg als in appel – zijn standpunt heeft ingebracht met bijstand van een procesvertegenwoordiger en dat zijn standpunt in beide instanties – althans tot het moment dat [gedaagde] zich aan het geding heeft onttrokken – in de beoordeling is betrokken. Dat [gedaagde] om hem moverende redenen heeft afgezien van deelname aan die laatste procedure, dient voor zijn rekening en risico te blijven. Op grond hiervan kan in ieder geval niet worden geconcludeerd dat de rechtspleging die heeft geleid tot de uitspraak van La Cour d’Appel van 19 december 2017 met onvoldoende waarborgen is omkleed. Bij gebreke van nader inhoudelijk verweer in de hoofdzaak moet het er dan ook voor worden gehouden dat de rechtspleging in [woonplaats] die heeft geleid tot de beslissing van La Cour d’Appel met voldoende waarborgen was omkleed.

ad (iii) strijd met Nederlandse openbare orde?

4.13.

Nu [gedaagde] geen zelfstandig inhoudelijk verweer in de hoofdzaak heeft gevoerd tegen dit onderdeel en de rechtbank ook ambtshalve geen strijd met de Nederlandse openbare orde aanwezig acht, vormt ook deze voorwaarde geen beletsel voor erkenning van de Monegaskische uitspraak. De rechtbank merkt ten overvloede op dat de gestelde omstandigheid dat een (voorlopige) alimentatieverplichting in [woonplaats] effectief loopt vanaf het moment dat er een definitieve uitspraak in de bodemprocedure is, op zichzelf geen grond is om deze uitspraak in strijd met de openbare orde te achten.

ad (iv) (eerdere) beslissing van Nederlandse of buitenlandse rechter

4.14.

Gesteld noch gebleken is dat hiervan sprake is, zodat de rechtbank niet aan deze grond hoeft te toetsen.

Conclusie

4.15.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat aan alle door de Hoge Raad geformuleerde voorwaarden voor erkenning van de voorliggende uitspraak is voldaan, zodat deze voor erkenning vatbaar is en de vordering van [eiseres] daarmee voor toewijzing gereed ligt, dit met inachtneming van het navolgende.

Hoofdsom

4.16.

[eiseres] vordert betaling van een aantal bedragen, te vermeerderen met wettelijke rente. Omdat er tussen datum van dagvaarding en datum van dit vonnis bijna twee jaar is verstreken, heeft de tijd de omschrijving van de vordering ingehaald. Een groot aantal van de gevorderde alimentatietermijnen is inmiddels vervallen en daarmee opeisbaar geworden. Omwille van de begrijpelijkheid van het dictum, zal de toe te wijzen vordering daarin als volgt worden uitgesplitst:

  • -

    € 50.000,00 (provision ad litem)

  • -

    € 150.000,00 (ten tijde van inleidende dagvaarding reeds vervallen alimentatietermijnen) +

€ 200.000,00 – SUBTOTAAL

+ sinds dagvaarding per maand vervallen alimentatietermijnen:

  • -

    € 175.000,00 (na dagvaarding vervallen alimentatietermijnen: juni t/m december 2018)

  • -

    € 300.000,00 (na dagvaarding vervallen alimentatietermijnen: 2019)

  • -

    € 100.000,00 (na dagvaarding tot en met vonnis vervallen alimentatietermijnen: 2020)

€ 775.000,00TOTAAL

+ vanaf datum vonnis per maand (m.i.v. 1 mei 2020) nog te vervallen alimentatietermijnen:

- € 25.000,00 € 25.000,00 per maand.

Beslagkosten

4.17.

[eiseres] vordert om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. Nu daartegen geen zelfstandig verweer is gevoerd, worden de beslagkosten als gevorderd begroot op een totaalbedrag van (€ 1.540,03 + € 423,50 + € 242,- =) € 2.205,53.

Rente

4.18.

[eiseres] vordert vergoeding van de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW.

De rente over de hoofdsom en de beslagkosten kan slechts worden toegewezen met ingang van de datum van dagvaarding (4 mei 2018), omdat niet is gesteld waarom de rente met ingang van de respectieve gevorderde ingangsdata verschuldigd is. De rente over de eerst ná dagvaarding (te) vervallen alimentatietermijnen zal worden toegewezen met ingang van de data van opeisbaarheid van de desbetreffende termijnen, in die zin dat de rente van de termijn die op 1 juni 2018 is vervallen is verschuldigd met ingang van diezelfde datum en zo verder.

Proceskosten

4.19.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt van deze procedure.

5 De beslissing

De rechtbank

In de hoofdzaak

5.1.

erkent en bekrachtigt het tussen partijen gewezen arrest van La Cour d’Appel de la Principauté de [woonplaats] van 19 december 2017,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 775.000,- (zegge: zevenhonderdvijfenzeventigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over:

  • -

    het bedrag van € 50.000,00 met ingang van 4 mei 2018,

  • -

    het bedrag van € 150.000,00 met ingang van 4 mei 2018 (betreffende de vervallen

alimentatietermijnen van december 2017 tot en met 1 mei 2018),

- het bedrag van € 575.000,00 met ingang van de desbetreffende data van opeisbaarheid

(betreffende de vervallen alimentatietermijnen van 1 juni 2018 tot

en met 1 april 2020),

telkens tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] om met ingang van 1 mei 2020 en vervolgens bij vooruitbetaling op de eerste dag van elke kalendermaand aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 25.000,- (zegge: vijfentwintigduizend euro) per maand, steeds te vermeerderen met de wettelijke rente daarover als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf de desbetreffende datum van opeisbaarheid, telkens tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 2.205,53, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van met ingang van 4 mei 2018 tot de dag van volledige betaling,

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af,

In de hoofdzaak en in het incident

5.7.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 1 april 2020.1

1 Conc.: 936