Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:2419

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-03-2020
Datum publicatie
01-04-2020
Zaaknummer
8201661 \ AO VERZ 19-100
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

De arbeidsovereenkomst wordt op verzoek van werkgever ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding. Werkgever heeft ernstig verwijtbaar gehandeld, omdat ten onrechte is gesteld dat sprake was van disfunctioneren tijdens een periode dat werknemer ziek was, werknemer direct na herstel van haar ziekte ontslag is aangezegd en na herstel onvoldoende gelegenheid tot verbetering is gegeven. Er wordt een billijke vergoeding toegekend van € 45.000,00 bruto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0379
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./repnr.: 8201661 \ AO VERZ 19-100 (PA)

Uitspraakdatum: 3 maart 2020

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

de besloten vennootschap Hoenderdaell B.V.

gevestigd te Den Helder

verzoekende partij

verder te noemen: Hoenderdaell

gemachtigde: mr. J.H. Prins

tegen

[verweerster]

wonende te [woonplaats]

verwerende partij

verder te noemen: [verweerster]

gemachtigde: mr. P.P.J.L. Appelman

1 Het procesverloop

1.1.

Hoenderdaell heeft op 2 december 2019 een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verweerster] heeft een verweerschrift en een (voorwaardelijk) tegenverzoek ingediend.

1.2.

Op 4 februari 2020 heeft een zitting plaatsgevonden. Partijen hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. [verweerster] heeft ook pleitaantekeningen overgelegd. Vóór de zitting heeft [verweerster] bij brief van 28 januari 2020 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

[verweerster] , geboren [geboortedatum] 1962, is sinds 1 juni 2012 in dienst bij Hoenderdaell. De functie van [verweerster] is medewerkster boekhouding met een salaris van € 3.050,00 bruto per maand exclusief vakantiegeld.

2.2.

In een functioneringsverslag van 18 augustus 2017 staat onder meer het volgende:
“(…) Voelt zich echter beperkt in de functie debiteuren, heeft het gevoel haar capaciteiten niet compleet te benutten door de afbakening van haar werk voor alleen debiteuren. [XX] is van mening dat binnen het debiteurenbeheer een grote verantwoording ligt en de hele breedte in de functie wordt meegenomen (…). [XX] geeft aan dat dit goed gaat, maar merkt ook beperkingen op als het gaat om boekhoud technisch gebied. [verweerster] geeft aan dat zij van mening is dit wel te kunnen, heeft opleiding Moderne Bedrijfs Administratie gedaan en wil daarmee verder komen. Afgesproken is om dit ook te laten zien.”

2.3.

Naar aanleiding van bovengenoemd functioneringsgesprek is [verweerster] per 1 januari 2018 andere werkzaamheden gaan verrichten. De werkzaamheden die [verweerster] vóór 1 januari 2018 verrichtte, zijn uitbesteed aan een bedrijf in Duitsland.

2.4.

Op 4 april 2018 heeft [verweerster] een auto-ongeluk gehad en heeft ze zich ziek moeten melden.

2.5.

Per 1 juli 2019 is [verweerster] volledig hersteld verklaard door de bedrijfsarts en heeft ze haar werkzaamheden hervat.

2.6.

Bij brief van 5 augustus 2019 heeft Hoenderdaell aan [verweerster] onder meer het volgende bericht:
“Conform ons gesprek van vandaag zien wij ons helaas genoodzaakt onze arbeidsovereenkomst per 31 oktober 2019 te beëindigen. De beëindiging is gebaseerd op de wijze van functioneren in de huidige functie en niet op basis van persoonlijke geschillen. (…) In ons gesprek van 5 augustus 2019 hebben wij een voorstel gedaan om een beëindigingsovereenkomst met wederzijds goedvinden overeen te komen. (…) Wij wensen u veel succes bij het vinden van een andere passende functie en wensen u al het goede voor de toekomst.”

2.7.

Op 6 augustus 2019 heeft [verweerster] zich ziek gemeld.

2.8.

Op 14 november 2019 heeft de bedrijfsarts in zijn probleemanalyse geoordeeld dat er vanaf 29 augustus 2019 geen sprake is van arbeidsongeschiktheid van [verweerster] , maar van een arbeidsconflict.

2.9.

[verweerster] is per 29 augustus 2019 op non-actief gesteld.

3 Het verzoek

3.1.

Hoenderdaell verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te ontbinden vanwege – kort gezegd – een verstoorde arbeidsverhouding, disfunctioneren, verwijtbaar gedrag, dan wel andere omstandigheden die zodanig zijn dat van Hoenderdaell redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

3.2.

Hoenderdaell heeft ter onderbouwing van haar verzoek naar voren gebracht dat [verweerster] eind 2017 heeft gezegd meer verdieping in haar taken te willen en meer te willen doen op boekhoudkundig gebied, maar dat er toen al bedenkingen waren bij Hoenderdaell of [verweerster] wel voldoende inzicht had om die werkzaamheden te doen. Hoenderdaell stelt dat zij destijds heeft besloten om [verweerster] een kans te geven, omdat zij daar nadrukkelijk om vroeg, maar dat [verweerster] zich niet heeft kunnen bewijzen in haar nieuwe functie. Volgens Hoenderdaell maakt [verweerster] te veel fouten en leert zij daar niet van, waardoor in het team waarin [verweerster] werkt ook grote onrust en frustratie is ontstaan. Terugkeer in de huidige en oude functie is daardoor uitgesloten, zo meent Hoenderdaell, ook omdat naast het disfunctioneren inmiddels tevens sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Overigens is terugkeer naar de oude functie ook uitgesloten, omdat deze taken inmiddels zijn ondergebracht bij een ander bedrijf in Duitsland, aldus Hoenderdaell. Bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst is Hoenderdaell bereid om aan [verweerster] een transitievergoeding van € 7.117,00 bruto te betalen.

4 Het verweer en het tegenverzoek

4.1.

[verweerster] erkent dat de arbeidsovereenkomst dient te worden ontbonden wegens een volledig verstoorde arbeidsverhouding, maar zij meent dat die verstoring is ontstaan door toedoen van Hoenderdaell. Door [verweerster] van de ene op de andere dag te confronteren met een ontslag is Hoenderdaell er volgens [verweerster] ‘met gestrekt been ingegaan’. Daarbij wijst [verweerster] er ook op dat er geen dossier is ten aanzien van het gestelde disfunctioneren en dat geen verbetertraject heeft plaatsgevonden. Gelet daarop is de ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de visie van [verweerster] het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen van Hoenderdaell en verzoekt [verweerster] daarom om toekenning van een billijke vergoeding van
€ 176.251,00 bruto.

4.2.

[verweerster] heeft ook zelf voorwaardelijk verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst, voor het geval Hoenderdaell overgaat tot intrekking van haar verzoek om ontbinding. Verder wordt bij wijze van tegenverzoek verzocht om Hoenderdaell te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding. Ook wordt verzocht om Hoenderdaell te veroordelen tot betaling van vakantiegeld en betaling van opgebouwde en niet-genoten vakantiedagen. Verder verzoekt [verweerster] om een positief getuigschrift, om haar in de gelegenheid te stellen om haar werkplek persoonlijk op te ruimen en om betaling van de volledige advocaatkosten.

5 De beoordeling

het verzoek

5.1.

Het gaat in deze zaak in de eerste plaats om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.

5.2.

De arbeidsovereenkomst kan op grond van de wet, het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), alleen worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt (artikel 7:669 lid 1 BW).

5.3.

Omdat partijen het erover eens zijn dat de arbeidsverhouding onherstelbaar is verstoord en herplaatsing niet meer mogelijk is, zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden. Een onherstelbare verstoring van de arbeidsverhouding levert immers een redelijke grond voor ontbinding op (artikel 7:669 lid 3, onderdeel g, BW).

5.4.

De kantonrechter onderkent dat Hoenderdaell ook heeft verzocht om ontbinding wegens verwijtbaar handelen of disfunctioneren, dan wel andere omstandigheden die zodanig zijn dat van haar niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst voort te laten duren. Er is echter geen reden om daarover een beslissing te nemen, omdat de arbeidsovereenkomst al wordt ontbonden vanwege een verstoorde arbeidsverhouding. Ontbinding vanwege verwijtbaar gedrag, disfunctioneren dan wel wegens andere omstandigheden leidt in dit geval niet tot een ander resultaat of rechtsgevolg. Bovendien heeft Hoenderdaell haar verzoeken in dit verband niet primair en subsidiair gedaan.

5.5.

De arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden met ingang van 1 juni 2020. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd (artikel 7:671b lid 9, onderdeel a, BW). Hierna zal worden geoordeeld dat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Hoenderdaell. Dat betekent dat de duur van deze procedure niet in mindering zal worden gebracht op de opzegtermijn.

5.6.

De kantonrechter ziet aanleiding om aan [verweerster] een billijke vergoeding toe te kennen. Daarbij is het volgende van belang.

5.7.

Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever (artikel 7:671b lid 9, onderdeel c, BW). Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate heeft geschonden (Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34).

5.8.

Partijen zijn het erover eens dat [verweerster] tot en met 2017 goed heeft gefunctioneerd. [verweerster] hield zich destijds vooral bezig met debiteurenadministratie. Eind 2017 heeft [verweerster] de wens geuit meer verdieping in haar functie te willen, in de vorm van het verrichten van verdergaande boekhoudkundige werkzaamheden, en Hoenderdaell is daarmee akkoord gegaan. Op de zitting is niet betwist de stelling van [verweerster] dat zij begin 2018 een aanvang heeft gemaakt met werkzaamheden in haar nieuwe functie als medewerker boekhouding, maar deels ook haar oude werkzaamheden is blijven verrichten als medewerker debiteurenadministratie, mede ten behoeve van het inwerken van een nieuwe medewerker. Vast staat ook dat [verweerster] ongeveer twee maanden haar nieuwe werkzaamheden heeft verricht en dat zij vervolgens op 4 april 2018 wegens ziekte is uitgevallen in verband met een auto-ongeluk. Na het ongeval is [verweerster] gaan re-integreren en op 1 juli 2019 is zij volledig hersteld verklaard.

5.9.

Hoenderdaell stelt dat sprake was van disfunctioneren van [verweerster] in haar nieuwe functie als medewerker boekhouding en dat zij daarover herhaaldelijk met [verweerster] heeft gesproken. De kantonrechter kan Hoenderdaell daarin niet volgen.

5.10.

Wat betreft de periode van begin 2018 tot de uitval wegens ziekte op 4 april 2018 geldt dat onvoldoende is gebleken van disfunctioneren en dat Hoenderdaell haar standpunt daarover ook onvoldoende heeft gemotiveerd en onderbouwd. Er zijn in die periode geen functionerings- of beoordelingsgesprekken gevoerd, althans zijn geen gegevens of stukken overgelegd waaruit dit kan blijken. Hoenderdaell heeft wat betreft deze periode ook slechts één concreet punt van kritiek benoemd, namelijk dat [verweerster] een fout zou hebben gemaakt bij het opstellen van de lijsten met zogenoemde ‘transitorische posten’. [verweerster] heeft erkend dat dit niet goed is gegaan, maar zij heeft onweersproken gesteld dat zij het opstellen van deze lijsten plots moest overnemen van een collega die was uitgevallen. Ook heeft zij opgemerkt dat zij met betrekking tot deze werkzaamheden nog een daarop gerichte cursus moest volgen. Weliswaar stelt Hoenderdaell dat [verweerster] die cursus al wel had gevolgd, maar daarvan is niet gebleken. Hoe dan ook, het maken van een enkele fout kan geen disfunctioneren opleveren, en al helemaal niet als [verweerster] eerst nog genoemde cursus moest volgen.

5.11.

Hoenderdaell heeft verklaringen overgelegd van verschillende collega’s, waarin naar voren komt dat [verweerster] haar werk in de periode na april 2018 en tot juli 2019 niet naar behoren zou hebben verricht, ondanks daarop te zijn aangesproken. Deze verklaringen kunnen echter niet tot de conclusie leiden dat [verweerster] disfunctioneerde. Die verklaringen zien namelijk op de periode gelegen tussen 4 april 2018 en 1 juli 2019, te weten de periode dat [verweerster] wegens ziekte ongeschikt was voor haar werk. [verweerster] was in die periode dus bezig met haar re-integratie, waarbij als vaststaand moet worden aangenomen dat haar ziekte mede van invloed was op haar functioneren. Dat blijkt temeer uit het feit dat [verweerster] op de zitting onweersproken heeft toegelicht dat zij als gevolg van het auto-ongeluk tot december 2018 helemaal niet heeft kunnen werken en pas daarna is gaan re-integreren, aanvankelijk op een (zeer) beperkt aantal uren per week. In die situatie kan dus niet worden gesproken van disfunctioneren, althans niet van disfunctioneren als bedoeld in de wettelijke regels daarvoor (artikel 7:669 lid 3, onderdeel d, BW), maar alleen van re-integreren tijdens ziekte. Dat [verweerster] haar re-integratieverplichtingen in die periode niet zou zijn nagekomen, is niet gesteld of gebleken.

5.12.

Het had daarom op de weg gelegen van Hoenderdaell om na de hersteldverklaring van [verweerster] met ingang van 1 juli 2019 het functioneren opnieuw met haar te bespreken, [verweerster] in kennis te stellen van eventuele verbeterpunten en met haar een adequaat verbetertraject af te spreken. Pas na de hersteldverklaring kon immers worden gewerkt aan een dergelijk traject. Dat heeft Hoenderdaell echter niet gedaan. [verweerster] is direct na haar hersteldverklaring geconfronteerd met kritiek op haar werk in e-mails van een collega van 5 juli 2019 en 11 juli 2019. Vervolgens heeft Hoenderdaell kort daarna met haar brief van 5 augustus 2019 aan [verweerster] meegedeeld dat Hoenderdaell de arbeidsovereenkomst gaat beëindigen vanwege de wijze van functioneren. Dat betekent dat Hoenderdaell vrijwel direct na de hersteldverklaring van [verweerster] ‘de deur heeft dicht gegooid’ en geen deugdelijk en adequaat functionerings- en verbetertraject heeft gevolgd. Voor zover al sprake zou zijn van ongeschiktheid van [verweerster] tot het verrichten van haar arbeid op en na 1 juli 2019, is ook niet gebleken dat zij na die datum daarvan tijdig en voldoende concreet in kennis is gesteld. Ook is daardoor ieder onderzoek naar of bespreking van herplaatsing achterwege gebleven.

5.13.

Door na te laten om na 1 juli 2019 een deugdelijk functionerings- en verbetertraject aan te gaan met [verweerster] , door na te laten een eventuele herplaatsing te onderzoeken en te bespreken, en door vrijwel direct na de hersteldverklaring aan te sturen op een beëindiging van de arbeidsovereenkomst, heeft Hoenderdaell haar verplichtingen als werkgever ernstig geschonden. Dat heeft geleid tot de verstoorde arbeidsverhouding en de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Daarmee is die ontbinding het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Hoenderdaell. [verweerster] kan dus aanspraak maken op een billijke vergoeding.

5.14.

Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in rechtspraak uitgangspunten geformuleerd (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 9 juni 2018, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2018:878 (Zinzia)). De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van de ontbinding kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.

5.15.

Indien [verweerster] wel een deugdelijk functionerings- en verbetertraject had kunnen doorlopen, had de arbeidsovereenkomst tussen partijen mogelijk nog geruime tijd geduurd. Anderzijds is er gelet op de stukken en de discussie van partijen over de invulling van de nieuwe functie door [verweerster] ook enige aanleiding om aan te nemen dat de arbeidsovereenkomst eerder tot een einde zou zijn gekomen en in ieder geval niet zou hebben voortgeduurd tot de pensioengerechtigde leeftijd van [verweerster] . De kantonrechter zal, rekening houdend met goede en kwade kansen, ervan uitgaan dat de arbeidsovereenkomst in ieder geval nog vier jaar had geduurd.

5.16.

Verder kan naar redelijke verwachting worden aangenomen dat [verweerster] een WW-uitkering zal ontvangen, en dat [verweerster] op termijn en in ieder geval na afloop van de WW-uitkering nog in staat zal zijn om een andere baan te vinden, waarmee zij ten minste 70% van haar huidige salaris kan verdienen. Dat [verweerster] daarin helemaal niet meer zal slagen, zoals zij stelt, is gelet op haar werkervaring, arbeidsverleden en opleiding, en mede gelet op de huidige arbeidsmarkt, onvoldoende aannemelijk. Daarnaast staat vast dat [verweerster] recht heeft op een transitievergoeding van € 7.117,00 bruto. Deels rekening houdend met die transitievergoeding en gezien het bovenstaande is over genoemde periode van vier jaar sprake van een inkomensschade van ongeveer € 45.000,00 bruto.

5.17.

De billijke vergoeding zal gelet op het voorgaande worden vastgesteld op een bedrag van € 45.000,00 bruto. Daarmee wordt [verweerster] naar het oordeel van de kantonrechter voldoende gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Hoenderdaell. De gevorderde wettelijke rente daarover is toewijsbaar met ingang van 1 juni 2020, omdat de billijke vergoeding opeisbaar is vanaf de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

5.18.

Omdat aan de ontbinding een billijke vergoeding wordt verbonden, zal Hoenderdaell in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek in te trekken, binnen de hierna genoemde termijn (artikel 7:686a lid 6 BW).

5.19.

De proceskosten komen voor rekening van Hoenderdaell, omdat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Hoenderdaell. Daarbij zal het salaris van de gemachtigde van [verweerster] worden vastgesteld op € 720,00. Indien Hoenderdaell het verzoek intrekt, zal zij de proceskosten van [verweerster] ook moeten betalen. De kantonrechter ziet geen aanleiding om Hoenderdaell te veroordelen in de werkelijke proceskosten, omdat er onvoldoende reden is om te oordelen dat sprake is van misbruik van procesrecht door Hoenderdaell.

het tegenverzoek

5.20.

Het verzoek om Hoenderdaell te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding kan worden toegewezen. Partijen zijn het erover eens dat [verweerster] recht heeft op een transitievergoeding en zij zijn het ook eens over de hoogte daarvan, te weten € 7.117,00 bruto. Hoenderdaell zal dus worden veroordeeld tot betaling daarvan. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding zal worden toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 juli 2020 (artikel 7:686a lid 1 BW).

5.21.

[verweerster] heeft een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst gedaan, voor het geval Hoenderdaell overgaat tot intrekking van het door haar ingediende verzoekschrift tot ontbinding. Dat verzoek kan worden toegewezen als sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen (artikel 7:671c lid 1 BW). Dat is hier het geval, omdat hiervoor is geoordeeld dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen die ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt.

5.22.

De kantonrechter ziet aanleiding de arbeidsovereenkomst in dat geval te ontbinden met ingang van 1 juni 2020.

5.23.

Gelet op het feit dat ook deze ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Hoenderdaell, zoals volgt uit wat hiervoor is overwogen, zal Hoenderdaell worden veroordeeld tot betaling van eenzelfde billijke vergoeding.

5.24.

Omdat aan de ontbinding een billijke vergoeding wordt verbonden die lager is dan waarom [verweerster] heeft verzocht, zal zij in de gelegenheid worden gesteld om haar tegenverzoek in te trekken, binnen de hierna genoemde termijn (artikel 7:686a lid 6 en 7 BW).

5.25.

Over de andere tegenverzoeken van [verweerster] wordt het volgende overwogen.

5.26.

Het verzoek van [verweerster] om te bepalen dat Hoenderdaell aan haar een getuigschrift verstrekt, kan worden toegewezen, omdat op de zitting door Hoenderdaell is toegezegd dat dit getuigschrift kan worden verstrekt. Op de zitting heeft Hoenderdaell voorgesteld om de door [verweerster] genoemd zinsnede “in verband met inkrimping van ons bedrijf” in een te verstrekken getuigschrift te wijzigen in “het vervallen van de functie/werkzaamheden”, en [verweerster] heeft daarmee ingestemd. Het verzoek zal dan ook op die manier worden toegewezen.

5.27.

Het verzoek van [verweerster] om haar in de gelegenheid te stellen om – kort gezegd –

haar werkplek op te ruimen en e-mails van haar computer te verwijderen, zal worden toegewezen, nu Hoenderdaell daar geen verweer tegen heeft gevoerd.

5.28.

[verweerster] heeft verder verzocht om veroordeling van Hoenderdaell tot betaling van
€ 2.041,24 bruto vanwege niet opgenomen verlof- en vakantiedagen, te vermeerderen met € 290,88 bruto per maand. Nu die vordering inhoudelijk niet is weersproken, zal deze worden toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde wettelijke rente daarover zal worden afgewezen, omdat Hoenderdaell niet in verzuim is met de betaling.

5.29.

Ook het verzoek om veroordeling van Hoenderdaell tot betaling van € 244,00 bruto per maand wegens vakantiegeld zal worden toegewezen, omdat deze vordering niet inhoudelijk is weersproken. De gevorderde wettelijke rente daarover zal worden afgewezen, omdat Hoenderdaell niet in verzuim is met de betaling.

5.30.

De proceskosten komen voor rekening van Hoenderdaell, omdat sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van Hoenderdaell. Daarbij zal het salaris van de gemachtigde van [verweerster] op nihil worden bepaald, vanwege de samenhang met de zaak van het verzoek. Als [verweerster] haar verzoek intrekt, moet zij de proceskosten van Hoenderdaell betalen, maar die worden ook in dat geval op nihil vastgesteld. Ook hier ziet de kantonrechter in hetgeen [verweerster] heeft betoogd geen aanleiding om Hoenderdaell te veroordelen in de werkelijke proceskosten.

6 De beslissing

De kantonrechter:

het verzoek

6.1.

bepaalt dat de termijn, waarbinnen Hoenderdaell het verzoek kan intrekken (door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van de) wederpartij), zal lopen tot en met 17 maart 2020;

voor het geval Hoenderdaell het verzoek niet binnen die termijn intrekt:

6.2.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juni 2020;

6.3.

veroordeelt Hoenderdaell om aan [verweerster] een billijke vergoeding te betalen van € 45.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2020 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.4.

veroordeelt Hoenderdaell tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [verweerster] vaststelt op een bedrag van € 720,00 aan salaris voor de gemachtigde van [verweerster] ;

6.5.

verklaart onderdeel 6.3 en 6.4 van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

voor het geval Hoenderdaell het verzoek binnen die termijn intrekt:

6.6.

veroordeelt Hoenderdaell tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter vaststelt op een bedrag van € 720,00 aan salaris voor de gemachtigde van [verweerster] ;

6.7.

verklaart onderdeel 6.6. van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
het tegenverzoek


voor het geval Hoenderdaell haar verzoek niet intrekt:

6.8.

veroordeelt Hoenderdaell om aan [verweerster] een transitievergoeding te betalen van € 7.117,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 juli 2020 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.9.

veroordeelt Hoenderdaell om aan [verweerster] te betalen aan vakantiegeld een bedrag van € 244,00 bruto per maand, vanaf januari 2020 tot 1 juni 2020;

6.10.

veroordeelt Hoenderdaell om aan [verweerster] te betalen vanwege niet opgenomen verlof- en vakantiedagen een bedrag van € 2.041,24 bruto, te vermeerderen met € 290,88 per maand vanaf 16 januari 2020 tot 1 juni 2020;

6.11.

bepaalt dat Hoenderdaell binnen 14 dagen na ontbinding van de arbeidsovereenkomst [verweerster] in de gelegenheid stelt haar werkplek persoonlijk op te ruimen en de privécode en e-mails betreffende pensioen en arboarts van haar computer te verwijderen;

6.12.

bepaalt dat Hoenderdaell aan [verweerster] een getuigschrift dient af te geven met de door haar aangeleverde tekst, overgelegd als productie 29 bij verweerschrift, met dien verstande dat de zinsnede “in verband met inkrimping van ons bedrijf” dient te worden gewijzigd in “het vervallen van de functie/werkzaamheden”;

6.13.

verklaart onderdeel 6.8., 6.9. en 6.10 van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

voor het geval Hoenderdaell haar verzoek intrekt:

6.14.

bepaalt dat de termijn, waarbinnen [verweerster] haar tegenverzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan intrekken (door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van de) wederpartij), zal lopen tot en met 1 april 2020;

voor het geval Hoenderdaell haar verzoek intrekt en [verweerster] haar tegenverzoek niet binnen die termijn intrekt:

6.15.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juni 2020;

6.16.

veroordeelt Hoenderdaell om aan [verweerster] een billijke vergoeding te betalen van
€ 45.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2020 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.17.

veroordeelt Hoenderdaell om aan [verweerster] een transitievergoeding te betalen van
€ 7.117,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 juli 2020 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.18.

veroordeelt Hoenderdaell om aan [verweerster] te betalen aan vakantiegeld een bedrag van € 244,00 bruto per maand, vanaf januari 2020 tot 1 juni 2020;

6.19.

veroordeelt Hoenderdaell om aan [verweerster] te betalen vanwege niet opgenomen verlof- en vakantiedagen een bedrag van € 2.041,24 bruto, te vermeerderen met € 290,88 per maand vanaf 16 januari 2020 tot 1 juni 2020;

6.20.

bepaalt dat Hoenderdaell binnen 14 dagen na ontbinding van de arbeidsovereenkomst [verweerster] in de gelegenheid stelt haar werkplek persoonlijk op te ruimen en de privécode en e-mails betreffende pensioen en arboarts van haar computer te verwijderen;

6.21.

bepaalt dat Hoenderdaell aan [verweerster] een getuigschrift dient af te geven met de door haar aangeleverde tekst, overgelegd als productie 29 bij verweerschrift, met dien verstande dat de zinsnede “in verband met inkrimping van ons bedrijf” dient te worden veranderd in “het vervallen van de functie/werkzaamheden”;

6.22.

veroordeelt Hoenderdaell tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter vaststelt op nihil;

6.23.

verklaart onderdeel 6.16. tot en met 6.19 van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

voor het geval [verweerster] haar tegenverzoek binnen die termijn intrekt:

6.24.

veroordeelt [verweerster] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter vaststelt op nihil.


Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Jansen en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter