Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:2416

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-02-2020
Datum publicatie
01-04-2020
Zaaknummer
C/15/299294 / KG ZA 20-88
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Afwijzing vordering tot opheffing conservatoir beslag. Niet summierlijk gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering van de beslaglegger.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/299294 / KG ZA 20-88

Vonnis in kort geding van 21 februari 2020

in de zaak van

[eiser] , handelend onder de naam SEM FIETSEN,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat: mr. J.P. Sanchez Montoto te Den Haag,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VIATOR B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat: mr. A. Kotan te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en Viator genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 12 februari 2020 met producties 1 tot en met 4, alsmede één aanvullende productie van de zijde van [eiser];

  • -

    de door Viator in het geding gebrachte producties 1 tot en met 3;

  • -

    de mondelinge behandeling van 14 februari 2020, waarbij namens Viator pleitaantekeningen zijn overgelegd.

1.2.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 14 februari 2020 zijn verschenen:

  • -

    [eiser], bijgestaan door mr. Sanchez Montoto voornoemd;

  • -

    mevrouw [A.], de echtgenote van [eiser];

  • -

    namens Viator: de heer [B.], bijgestaan door een tolk en mr. Kotan voornoemd.

1.3.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] exploiteert een fietsenwinkel onder de naam Sem Fietsen. Hij gebruikt daartoe (onder meer) een winkel en opslag in [woonplaats].

2.2.

Op 3 december 2018 hebben [eiser] en Viator, vertegenwoordigd door de heer [B.] (hierna: [B.]), een overeenkomst ondertekend, opgesteld in de Turkse taal, waarvan de Nederlandse vertaling - voor zover hier van belang - als volgt luidt (hierna: overeenkomst 1):

1. Partijen hebben zoals in de bijlage aangegeven bij Kroone en Liefting BV te Limmen 37 stuks fietsen (16 stuks van merk COLNACO en 21 stuks van het merk EDDY MERC) gekocht voor een bedrag van € 51.000. (…)

5. De opbrengst van de verkoop van de fietsen zal eerst worden gebruikt voor de aflossing van de door Viator beschikbaar gestelde € 51.000 en aan Viator worden betaald en na het bereiken van dit bedrag zal de resterende extra opbrengst als winst tussen Viator en [eiser], toevoeging voorzieningenrechter] worden verdeeld, en wel ieder de helft, na aftrek van de door Viator gemaakte extra kosten, te betalen belastingen, enzovoorts. Indien de fietsen uiterlijk op 30-05-2019 niet zullen zijn verkocht stemt [eiser] er mee in en zegt toe om onder aftrek van het reeds aan Viator’s rekening bijgeschreven bedrag voor de reeds verkochte fietsen, voor een totaalbedrag van € 60.000 van Viator over te zullen nemen.

6. Voorts komen partijen met elkaar overeen om op het adres van [adres] een winkel te openen voor verkoop en reparatie van fietsen.

7. Deze winkel zal officieel te naam worden gesteld van Viator. Alle protocollaire werkzaamheden ten behoeve van de winkel zullen worden uitgevoerd door [eiser]. Alle benodigde apparatuur zal worden voorzien door [eiser]. De hiervoor benodigde kosten komen op rekening van [eiser] en door Viator zal de helft van deze kosten aan [eiser] worden betaald uit de in art. 5 van deze overeenkomst vermelde handel gemaakte mogelijke winst nadat de winst een feit is geworden en met dien verstande dat dit bedrag niet hoger zal zijn dan € 5.000. (…)

8. De kosten van de winkel zullen door partijen gezamenlijk worden gedragen.”

2.3.

Op 28 december 2018 hebben [eiser] en [B.] (namens Viator) een tweede overeenkomst ondertekend in de Turkse taal, waarvan de Nederlandse vertaling - voor zover hier van belang - als volgt luidt (hierna: overeenkomst 2):

1. Viator heeft de op 27-12-2018 bij Tweewielercentrum Hellendoorn BV aangeschafte en contant per bank betaalde fietsen aan [eiser] verkocht.

2. De betaling van de eerste termijn van de totale verkoopsom van € 13.000 zijnde € 6.500 zal op 30-01-2019 en de tweede termijn zijnde € 6.500 op 28-02-2019 door [eiser] zonder waarschuwing vooraf of opzegging door [eiser] aan Viator worden betaald. (…)

4. Indien een deel van de gekochte fietsen in de toekomst in de door de partijen gezamenlijk te openen winkel dan wel winkels worden geplaatst zal [eiser] hiervan geen winst opeisen en zal de winst van de in de winkel verkochte fietsen na aftrek van de kosten in de vorm van ieder de helft worden verdeeld.”

2.4.

Op 24 januari 2019 hebben [eiser] en [B.] (namens Viator) een derde overeenkomst ondertekend in de Turkse taal, waarvan de Nederlandse vertaling - voor zover hier van belang - als volgt luidt (hierna: overeenkomst 3):

“1. Viator heeft de op 23-01-2019 bij BOERSON BIKE TOTAAL SCHAGEN aangeschafte en contant via de bank betaalde ELEKTRISCHE fietsen aan [eiser] verkocht.

2. De verkoopsom van € 18.000 zal op 15-3-2019 zonder waarschuwing vooraf of opzegging door [eiser] aan Viator worden betaald. (…)

4. Indien een deel van de gekochte fietsen in de toekomst in de door de partijen gezamenlijk te openen winkel dan wel winkels worden geplaatst zal [eiser] hiervan geen winst opeisen en zal de winst van de in de winkel verkochte fietsen na aftrek van de kosten in de vorm van ieder de helft worden verdeeld.”

2.5.

Onder meer in april, augustus en september 2019 heeft [B.] [eiser] per WhatsApp aangesproken tot betaling, en daarbij tevens facturen van Viator aan [eiser] verzonden. [eiser] heeft daarop steeds geantwoord dat op korte termijn betaling(en) door hem zullen worden verricht.

2.6.

Per brief van 25 september 2019 heeft Viator [eiser] gesommeerd tot betaling binnen 7 dagen van € 80.000, te vermeerderen met rente en kosten.

2.7.

Op 19 oktober 2019 heeft [eiser] aan Wim de Vos Fietsen bevestigd dat hij een partij racefietsen heeft omgeruild met een partij elektrische fietsen van Wim de Vos Fietsen, tegen een inkoopwaarde van € 23.000.

2.8.

Viator heeft [eiser] op 28 januari 2020 gedagvaard en gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van € 80.000 vermeerderd met rente en kosten (hierna: de bodemprocedure).

2.9.

Bij verzoekschrift van 28 januari 2020 (hierna: het beslagrekest) heeft Viator de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht verlof te verlenen om conservatoir derdenbeslag te leggen ten laste van [eiser] en mevrouw [A.] (de echtgenote van [eiser], hierna: Akkas). Bij beschikking van 31 januari 2020 is aan Viator verlof verleend om beslag te leggen ten laste van [eiser]. De vordering van Viator is met inbegrip van rente en kosten begroot op € 108.920. Het verzochte verlof om ten laste van Akkas beslag te leggen is afgewezen.

2.10.

Viator heeft op 6 februari 2020 ten laste van [eiser] conservatoir derdenbeslag gelegd onder ABN AMRO Bank N.V. (hierna: ABN), [C.] (handelend onder de naam Jan Hoedje), en [D.].

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op alle dagen en uren en op de minuut, Viator veroordeelt om het conservatoir derdenbeslag dat zij heeft doen leggen onder ABN, Jan Hoedje en [D.] binnen twee dagen na betekening van dit vonnis op te heffen, met veroordeling van Viator in de kosten van het geding.

3.2.

Hieraan legt [eiser] - zakelijk weergegeven - ten grondslag dat de ondeugdelijkheid van de vordering van Viator summierlijk blijkt, omdat Viator ten onrechte heeft nagelaten een aantal posten in mindering te brengen op haar vordering. Daarnaast heeft Viator de voorzieningenrechter hierover in het beslagrekest onjuist voorgelicht. Ook de te maken belangenafweging wijst in het voordeel van [eiser], omdat door de gelegde beslagen de onderneming van [eiser] wordt lamgelegd en zijn relatie met twee belangrijke afnemers (Jan Hoedje en [D.]) in gevaar komt. Opheffing van de beslagen is bovendien tevens in het belang van Viator, omdat Viator niet slechts investeerder is, maar ook zakenpartner van [eiser], aldus steeds [eiser].

3.3.

Viator voert verweer, dat hierna - voor zover van belang - zal worden besproken.

4 De beoordeling

4.1.

De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht (artikel 705 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert (in dit geval: [eiser]) om feiten en omstandigheden aan te voeren en te onderbouwen, waaruit de ondeugdelijkheid van de vordering van de beslaglegger (in dit geval: Viator) blijkt. Bij de beoordeling hiervan is een afweging vereist van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag.

4.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering van Viator. Daartoe is het navolgende redengevend.

4.3.

[eiser] erkent dat hij op grond van overeenkomsten 2 en 3 € 13.000 en € 18.000 verschuldigd is aan Viator. Ook de vordering uit overeenkomst 1 heeft [eiser] erkend, tot een bedrag van € 51.000.

Volgens Viator bedraagt de vordering uit overeenkomst 1 € 60.000. [eiser] vindt dat echter onredelijk, omdat de inkoopprijs voor de partij fietsen € 51.000 was, en omdat een deel van de partij fietsen onverkoopbaar is doordat Viator onderdelen van die fietsen achterhoudt. Dit kan echter in het kader van deze procedure in het midden blijven, omdat ook indien [eiser] veronderstellenderwijs wordt gevolgd in zijn betoog dat de vordering uit overeenkomst 1 € 51.000 bedraagt, er onvoldoende aanleiding bestaat voor de gevorderde opheffing van de beslagen, gezien het navolgende.

4.4.

De door [eiser] erkende vordering van Viator bedraagt derhalve (€ 13.000 + € 18.000 + € 51.000 =) € 82.000. Viator heeft op haar beurt erkend dat op haar vordering bedragen van € 11.000 (betalingen per bank van [eiser] aan Viator) en € 3.000 (door Viator ontvangen opbrengst van vijf verkochte fietsen) in mindering moeten worden gebracht. Op basis van de in dit geding tussen partijen vaststaande feiten resteert daarom een vordering van Viator op [eiser] van € 68.000.

4.5.

[eiser] heeft aangevoerd dat van dit bedrag de volgende posten moeten worden afgetrokken:

  1. (nogmaals) € 11.000, zijnde door [eiser] aan Viator verrichte contante betalingen;

  2. € 8.800, zijnde de helft van de kosten van de winkel in Amstelveen (artikel 9 van overeenkomst 1);

  3. € 8.750, zijnde de (per bank aan Viator betaalde) verkoopopbrengst van vijf door Viator verkochte fietsen;

  4. € 17.250, zijnde de waarde van vijftien e-bikes die onverkoopbaar zijn, omdat Viator daarvan de display, lader en accu achterhoudt;

  5. € 3.500, zijnde de waarde van twee fietsen die Viator uit de opslag van [eiser] heeft meegenomen;

  6. € 10.000, zijnde het verlies dat is geleden door de omruilactie van 19 oktober 2019;

  7. een nader te bepalen bedrag, op grond van artikel 4 van overeenkomsten 2 en 3, waarin is bepaald dat de winst en kosten gezamenlijk door partijen worden gedragen.

Volgens [eiser] is hiermee voldoende aannemelijk dat de vordering van Viator in de bodemprocedure niet (volledig) zal worden toegewezen, en dat slechts een vordering van Viator van (maximaal) € 8.700 resteert.

4.6.

Viator heeft deze standpunten van [eiser] echter gemotiveerd weersproken. Bijvoorbeeld betwist Viator dat [eiser] de kosten van de winkel in Amstelveen bij haar in rekening kan brengen (post b), nu tussen partijen vast staat dat die winkel nimmer op naam van Viator is gesteld, terwijl dat wel was vereist op grond van artikel 7 van overeenkomst 1. Viator heeft bovendien de hoogte van de (niet onderbouwde) kosten van de winkel in Amstelveen betwist, en daarnaast aangevoerd dat haar bijdrage in artikel 7 van overeenkomst 1 is beperkt tot maximaal € 5.000.

Volgens Viator is er bovendien geen sprake van onverkoopbaarheid van fietsen (post d). Viator heeft van slechts zes fietsen onderdelen weggenomen, en dit is uitsluitend gebeurd om te voorkomen dat [eiser] die onderdelen gebruikt voor andere fietsen. Indien een klant een fiets wil kopen, brengt Viator de onderdelen naar [eiser], zodat de verkoop doorgang kan vinden, aldus steeds Viator.

Ook over het verlies als gevolg van de omruilactie van 19 oktober 2019 (post f) zijn partijen het niet eens. Viator heeft aangevoerd dat dit verlies niet op haar kan worden afgewenteld, omdat zij in overeenkomst 1 met [eiser] heeft afgesproken dat als [eiser] de fietsen niet vóór 1 mei 2019 heeft verkocht, [eiser] aan Viator € 60.000 verschuldigd is, ongeacht de hoogte van de verkoopopbrengst van de fietsen.

Verder heeft Viator betwist dat [eiser] contante betalingen ter hoogte van € 11.000 aan Viator heeft verricht (post a), dat Viator de verkoopopbrengst van vijf verkochte fietsen ter hoogte van € 8.750 heeft ontvangen (post c), dat Viator twee fietsen ter waarde van € 3.500 uit de voorraad van [eiser] heeft meegenomen (post e), en dat Viator verplicht is de helft van de kosten en eventuele winst te verrekenen met [eiser] (post g).

4.7.

Bij de beoordeling hiervan wordt (nogmaals) benadrukt, dat in deze procedure niet de vraag voorligt of de vordering van Viator wel of niet kan worden toegewezen. [eiser] betoogt dat er gelet op de posten a-g twijfel kan bestaan over de gegrondheid van de vordering van Viator, en dat die vordering (nog) niet vast staat, maar dat is onvoldoende voor de opheffing van de gelegde beslagen. De aard van een conservatoir beslag strekt er immers toe om te waarborgen dat verhaal mogelijk is voor het geval de vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, ook indien die vordering vooralsnog niet vast staat (vgl. Hoge Raad 14 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2105, NJ 1997/481).

Getoetst moet daarom worden of summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering van Viator. Daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake. [eiser] heeft immers erkend dat Viator een vordering op hem heeft van € 68.000, terwijl de daarop volgens [eiser] in mindering te brengen posten door Viator inhoudelijk en gemotiveerd worden betwist. [eiser] heeft de aftrekposten niet van een nadere (schriftelijke) onderbouwing voorzien, bijvoorbeeld stukken waaruit de gestelde betalingen per bank of de gemaakte kosten blijken, terwijl dat wel op zijn weg had gelegen. In het licht van de hiervoor vermelde toetsingsmaatstaf, bestaat er bij deze stand van zaken geen grond voor de gevorderde opheffing van de door Viator gelegde beslagen.

4.8.

De stelling van [eiser] dat Viator de voorzieningenrechter onjuist heeft ingelicht in het beslagrekest, en dat de beslagen daarom dienen te worden opgeheven wegens schending van artikel 21 Rv, wordt evenmin gevolgd. Partijen hebben het beslagrekest niet in deze procedure overgelegd, maar uit de stellingen van [eiser] begrijpt de voorzieningenrechter dat Viator daarin niet heeft vermeld dat een bedrag van € 3.000 in mindering moet worden gebracht op haar vordering (zie nr. 4.4 van dit vonnis). Volgens Viator is sprake van een vergissing in het beslagrekest. Mede gelet op de hoogte van dit bedrag (€ 3.000) in verhouding tot de gestelde totale vordering van Viator waarvoor de beslagen zijn gelegd (volgens Viator € 80.000) kan het onvermeld laten van het ontvangen bedrag niet worden aangemerkt als een schending van artikel 21 Rv, althans niet in die mate dat dit moet leiden tot opheffing van de beslagen.

Voor zover [eiser] stelt dat Viator artikel 21 Rv heeft geschonden door de aftrekposten a‑g niet te vermelden in het beslagrekest, faalt dit betoog. Er is immers niet gebleken dat Viator voorafgaand aan het indienen van het beslagrekest bekend was met deze verweren van [eiser], zodat zij die verweren ook niet kon vermelden in het beslagrekest.

4.9.

Ook de te maken belangenafweging kan de gevorderde opheffing van de beslagen in dit geval niet rechtvaardigen. Aan dit betoog legt [eiser] onder meer ten grondslag dat na aftrek van de posten a-g nog slechts een vordering van Viator van € 8.700 resteert. In het voorgaande is reeds overwogen dat de voorzieningenrechter [eiser] hierin voorshands niet volgt. De stelling van [eiser] dat zijn bedrijf volledig is lamgelegd is voorts onvoldoende concreet onderbouwd. Uit de verklaringen van [eiser] ter zitting volgt immers dat hij nog in staat is fietsen te verkopen in zijn winkel in [woonplaats]. Op de handelsvoorraad is door Viator geen beslag gelegd. Evenmin heeft [eiser] toegelicht dat zijn relatie met twee belangrijke afnemers (Jan Hoedje en [D.]) daadwerkelijk in gevaar is en dat dit de opheffing van de beslagen rechtvaardigt. Het enkele feit dat Viator onder laatstgenoemde derden beslag heeft gelegd is daartoe in ieder geval onvoldoende.

[eiser] heeft verder aangevoerd dat de gelegde beslagen in strijd zijn met de door partijen beoogde samenwerking. De voorzieningenrechter overweegt hierover dat die (beoogde) samenwerking voorshands niet betekent dat Viator geen terugbetaling van zijn investeringen kan of mag vorderen zolang [eiser] de fietsen niet heeft doorverkocht, zoals [eiser] lijkt te veronderstellen. Partijen zijn in de overeenkomsten immers duidelijke termijnen overeengekomen, waarbinnen [eiser] de investeringen van Viator moest terugbetalen, hetgeen [eiser] heeft nagelaten. Daarbij komt nog dat Viator voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de beoogde samenwerking in de vorm van een gezamenlijke winkel in Amstelveen op naam van Viator, niet tot stand is gekomen.

Viator heeft voorts voldoende toegelicht dat zij vreest dat [eiser] geen (andere) verhaalsmogelijkheden biedt voor de aanzienlijke vorderingen van [eiser] en bovendien de gekochte fietsen onvindbaar zal proberen te maken voor Viator, door de fietsen weg te halen uit de winkel en opslag in [woonplaats]. Gezien het voorgaande laat de voorzieningenrechter het belang van Viator bij handhaving van het beslag daarom zwaarder wegen dan het belang van [eiser] bij opheffing daarvan.

4.10.

Een en ander leidt tot de slotsom dat de vordering van [eiser] zal worden afgewezen.

4.11.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, die aan de zijde van Viator tot op heden worden begroot op € 1.636 (waarvan € 980 aan salaris advocaat en € 656 aan griffierecht).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Viator tot op heden begroot op € 1.636;

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Sicking en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. Bruin op 21 februari 2020.1

Bij verhindering van mr. S. Sicking is dit vonnis ondertekend door mr. A.H. Schotman, voorzieningenrechter van deze rechtbank.

1 type: coll: