Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:2412

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-03-2020
Datum publicatie
03-04-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1692
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Op basis van de thans voorhanden stukken moet de voorzieningenrechter er rekening mee houden dat de begunstigingstermijn reeds nagenoeg is verstreken en verzoekster dus de dwangsom verbeurt als zij nu niet aan de last heeft voldaan. Tegelijkertijd stelt de voorzieningenrechter vast dat verweerder er 4,5 jaar over heeft gedaan om een besluit te nemen op het bezwaar. De voorzieningenrechter ziet aanleiding een ordemaatregel te treffen en zowel het primaire besluit (last onder dwangsom) als het bestreden besluit te schorsen voor de duur van drie weken met ingang van heden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/1692

uitspraak (ordemaatregel) van de voorzieningenrechter van 30 maart 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster,

gemachtigde: mr. W.J.M. Loomans, advocaat te Hoorn,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Koggenland, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd.

Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 23 september 2015 is de last onder dwangsom geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

Bij besluit van 17 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder - zakelijk weergegeven - het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit voorzien van een aanvulling van de wettelijke grondslag.

Verzoekster heeft op 30 maart 2020 beroep ingesteld alsmede een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Verweerder heeft verzoekster op straffe van een dwangsom van € 15.000,-- per week met een maximum van € 45.000,-- gelast om - zakelijk weergegeven - binnen drie weken na verzending van het primaire besluit de samenvoeging van twee brandcompartimenten tot één in haar winkel aan de [locatie] ongedaan te maken.

3. Verzoekster heeft in haar verzoek van 30 maart 2020 verzocht het besluit op bezwaar alsmede het primaire besluit te schorsen tot zes weken nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep. Na de ontvangst van het verzoek heeft de griffier getracht om telefonisch met verweerder contact op te nemen teneinde duidelijkheid te krijgen wanneer volgens verweerder de begunstigingstermijn afloopt en om te informeren of verweerder bereid is de begunstigingstermijn te verlengen. Niemand was bij de gemeente te bereiken die nadere informatie kon verstrekken.

4. De voorzieningenrechter concludeert op basis van het beroep- en verzoekschrift en de daarbij gevoegde stukken dat de schorsing van de last onder dwangsom op 31 maart 2020 aanstaande (morgen derhalve) eindigt. Toen de voorzieningenrechter het primaire besluit in 2015 op de 28e dag na dat besluit schorste, waren er sedert het primaire besluit meer dan drie weken verstreken. In het bestreden besluit heeft verweerder zich niet over een begunstigingstermijn uitgelaten. Op basis van de thans voorhanden stukken moet de voorzieningenrechter er rekening mee houden dat de begunstigingstermijn reeds nagenoeg is verstreken en verzoekster dus de dwangsom verbeurt als zij nu niet aan de last heeft voldaan. Tegelijkertijd stelt de voorzieningenrechter vast dat verweerder er 4,5 jaar over heeft gedaan om een besluit te nemen op het bezwaar.

5. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen hiervoor is overwogen aanleiding om een ordemaatregel te treffen en zowel het primaire besluit als het bestreden besluit te schorsen voor de duur van drie weken met ingang van heden. Die periode zal worden benut om het verzoek om een voorlopige voorziening inhoudelijk te behandelen.

6. De voorzieningenrechter verzoekt verweerder in eerste instantie de op de zaak betrekking hebbende stukken in te zenden en zich uiterlijk vrijdag 3 april 2020 schriftelijk uit te laten over het verzoek. De voorzieningenrechter verzoekt verweerder met name zich uit te laten over de vraag of hij bereid is de begunstigingstermijn te verlengen totdat op het beroep, althans het verzoek (na een zitting) is beslist. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat gelet op de corona-crisis behandeling van het beroep op een gewone zitting niet op de gebruikelijke korte termijn zal kunnen plaatsvinden.

7. De voorzieningenrechter houdt iedere verdere beslissing aan, waaronder die over de proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het primaire besluit alsmede het bestreden besluit met ingang van heden voor de duur van drie weken;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. Poggemeier, griffier, op 30 maart 2020.

Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare zitting. Zodra dat weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier De voorzieningenrechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.