Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:2379

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
01-04-2020
Zaaknummer
8316385 \ KG EXPL 20-14
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering verhuurder tot ontruiming woning in kort geding toegewezen. Geweldsincident tussen buren met lichamelijk letsel tot gevolg. Voldoende aannemelijk dat huurder zich niet als goed huurder heeft gedragen. Daarnaast huurachterstand van vijf maanden en heeft huurder al vijf maanden geen hoofdverblijf meer in het gehuurde. Tekortkomingen zodanig ernstig dat naar voorlopig oordeel ontbinding en ontruiming in bodemprocedure gerechtvaardigd. Belangenafweging in voordeel verhuurder, die spoedeisend belang heeft bij ontruiming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 8316385 \ KG EXPL 20-14 BL

Uitspraakdatum: 25 maart 2020

Vonnis van de kantonrechter in kort geding in de zaak van:

de stichting Woningstichting Het Grootslag

gevestigd te Wervershoof

eiseres

verder te noemen: Het Grootslag

gemachtigde: mr. J.J. de Boer

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma

1 Het procesverloop

1.1.

Het Grootslag heeft [gedaagde] op 20 februari 2020 gedagvaard.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 maart 2020. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten, Het Grootslag mede aan de hand van pleitaantekeningen, naar voren hebben gebracht.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] huurt met ingang van 1 oktober 2010 van Het Grootslag de benedenwoning aan de [adres] (hierna: de woning).

2.2.

Van de huurovereenkomst maken deel uit de ‘Algemene Huurvoorwaarden 1 februari 2005’ (hierna: de algemene huurvoorwaarden).

2.3.

In de algemene huurvoorwaarden is (voor zover relevant) het volgende bepaald:

“6.1.
Huurder voldoet de te betalen prijs voor het gehuurde in zijn geheel, bij vooruitbetaling, vóór de eerste van de maand (…).

6.4.


Huurder zal het gehuurde gedurende de huurtijd zelf als woonruimte (…) bewonen en er zijn hoofdverblijf hebben. (…)

6.6.


Huurder dient ervoor zorg te dragen dat aan omwonenden geen overlast of hinder wordt veroorzaakt door huurder (…) of door derden die zich vanwege huurder in het gehuurde of in de gemeenschappelijke ruimten bevinden.”

2.4.

Na ontvangst van een melding van de bovenburen van [gedaagde] dat hij zijn tuin verwaarloosde, zijn medewerkers van Het Grootslag (onder wie [medewerker] van team Leefbaarheid) op 31 mei 2019 bij [gedaagde] op huisbezoek geweest.

2.5.

Naar aanleiding van dit huisbezoek schreef [medewerker] op 31 mei 2019 in een e-mail aan de wijkagent:
“Even ter info.
Wij hebben vanmorgen het adres [adres] bezocht. Hier is woonachtig meneer [gedaagde] .
Hij heeft een conflict met zijn bovenbuurman (…).
Meneer [gedaagde] heeft een behoorlijk opvliegend karakter en gaf aan dat hij zijn buurman wat gaat aandoen.
Uiteraard dit hem afgeraden. Hij wilt verder geen bemoeienis m.b.t. het conflict van ons of de politie. Heeft volgens hem met respect te maken.
Wij zagen bij het betreden van de woning dat er een bijl en een groot vleesmes voor het grijpen lagen nabij de voordeur.
(vanwege dat laatste speel ik deze info dus even door).”

2.6.

Op 10 oktober 2019 omstreeks 13.30 uur heeft zich op de [straat] , nabij de woning, een incident voorgedaan, waarbij [gedaagde] en zijn bovenburen betrokken waren. Hierbij is een van de bovenburen gewond geraakt aan zijn oog, door een priem of schroevendraaier die [gedaagde] in zijn hand had.

2.7.

De betreffende bovenbuurman heeft bij de politie aangifte tegen [gedaagde] gedaan van poging tot doodslag dan wel moord.

2.8.

Sinds 10 oktober 2019 zit [gedaagde] gedetineerd en staat de woning leeg. De behandeling van de strafzaak tegen [gedaagde] is in januari 2020 aangehouden tot 16 april 2020, in afwachting van neurologisch onderzoek van [gedaagde] .

2.9.

[gedaagde] heeft de huur vanaf 1 november 2019 onbetaald gelaten.

3 De vordering

3.1.

Het Grootslag vordert dat de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening [gedaagde] veroordeelt om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de woning, met al degenen en al hetgeen zich daarin of daarop bevinden respectievelijk bevindt, volledig en behoorlijk te (doen) verlaten en te (doen) ontruimen, alsmede de woning onder afgifte van de sleutels in lege, oorspronkelijke en behoorlijke staat ter vrije beschikking van Het Grootslag te (doen) stellen en vervolgens verlaten en ontruimd te houden, zulks met machtiging aan Het Grootslag om bij gebreke van volledige voldoening hieraan deze verlating en ontruiming zelf te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van politie en justitie en op kosten van [gedaagde] , met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en nakosten.

3.2.

Het Grootslag legt aan de vordering – kort weergegeven – het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft gehandeld in strijd met de algemene huurvoorwaarden en met zijn wettelijke verplichting om zich als goed huurder te gedragen. Hij gedraagt zich explosief en dreigend, zonder aanwijsbare oorzaak. Dit veroorzaakt druk op de leefomgeving. Ook op medewerkers van Het Grootslag kwam [gedaagde] tijdens huisbezoeken gespannen, onbetrouwbaar en intimiderend over. Op 10 oktober 2019 heeft [gedaagde] zijn bovenbuurmannen op straat aangevallen, en één van hen met een priem of schroevendraaier in het oog gestoken. Aanleiding was (vermoedelijk) hun melding bij Het Grootslag van verwaarlozing van zijn tuin. Buren zijn getuige geweest van het incident, dat de buurtbewoners geschokt heeft en hun gevoel van basisveiligheid heeft aangetast. Het Grootslag heeft ook het belang van de omwonende huurders te respecteren en moet alles in het werk stellen om hen te vrijwaren van agressie zoals die zich heeft voorgedaan. Verder staat de woning sinds 10 oktober 2019 leeg en is onduidelijk wanneer [gedaagde] zal terugkeren. Daarmee schendt [gedaagde] zijn verplichting om in de woning zijn hoofdverblijf te hebben. Bovendien is de leegstand niet te verenigen met de verplichting van Het Grootslag om schaarse sociale huurwoningen adequaat aan woningzoekenden ter beschikking te stellen. Daarnaast is sprake van een oplopende huurachterstand. De tekortkomingen van [gedaagde] zijn van voldoende gewicht om ontbinding van de huurovereenkomst in een bodemprocedure te rechtvaardigen. Eventuele geestelijke problemen van [gedaagde] doen hieraan niet af, nu voor ontbinding van de huurovereenkomst geen toerekenbaarheid vereist is. Vooruitlopend op ontbinding in een bodemprocedure heeft Het Grootslag een gerechtvaardigd belang bij ontruiming van de woning.

4 Het verweer

4.1.

[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering, dan wel (subsidiair) aanhouding van deze zaak, dan wel (meer subsidiair) de ontruimingstermijn te stellen op drie maanden.

4.2.

[gedaagde] voert daartoe – samengevat – het volgende aan. [gedaagde] heeft jarenlang veel moeten slikken van zijn bovenburen. Zij hebben [gedaagde] structureel getreiterd, belaagd, racistische opmerkingen tegen hem gemaakt, hun kattenbak in zijn tuin geleegd, in zijn tuin geürineerd en andere troep in zijn tuin gegooid. Bij de politie en Het Grootslag vond [gedaagde] hierover geen gehoor. Ondanks de langdurige wrijving tussen [gedaagde] en zijn bovenburen heeft zich slechts één incident voorgedaan. Het waren de bovenburen die op 10 oktober 2019 scheldend op [gedaagde] afstormden. [gedaagde] heeft een van hen toen op de wang geslagen. Daarbij had [gedaagde] een priem in zijn hand, omdat die toevallig net uit een gat in zijn plastic tasje was gevallen, en [gedaagde] deze had opgeraapt. Bij dit incident heeft [gedaagde] zelf een snijwond aan zijn hand opgelopen, die niet door de priem kan zijn veroorzaakt. Op 16 april 2020 wordt de behandeling van de strafzaak tegen [gedaagde] voortgezet. Het belang van [gedaagde] bij het behoud van de woning ten behoeve van zijn resocialisatie is groter dan het belang van Het Grootslag bij ontruiming daarvan. Het risico op herhaling is gering. [gedaagde] zal bij terugkeer in de woning onder toezicht van de reclassering staan en een proeftijd hebben. Ook kunnen er speciale voorwaarden aan zijn vrijlating worden verbonden. Na afloop van zijn detentie zal de uitkering van [gedaagde] hervat worden, waarna een regeling voor de huurachterstand getroffen kan worden.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de door Het Grootslag gevorderde ontruiming van de woning moet worden toegewezen. Ontruiming van de woning is een ingrijpende maatregel. Voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding zal dan ook alleen plaats zijn als met een grote mate van waarschijnlijkheid valt te verwachten dat in een gewone procedure (de bodemprocedure) de huurovereenkomst wordt ontbonden en dat [gedaagde] daarbij zal worden veroordeeld om de woning te ontruimen.

5.2.

Daarbij geldt dat de door Het Grootslag aan de vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden in dit kort geding voldoende aannemelijk moeten zijn. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

5.3.

Verder moet Het Grootslag een spoedeisend belang hebben bij ontruiming en moet er sprake zijn van een zodanig ernstige tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst door [gedaagde] dat de beslissing in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht.

5.4.

Naar het oordeel van de kantonrechter is met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst tussen Het Grootslag en [gedaagde] zal worden ontbonden, en dat [gedaagde] zal worden veroordeeld om de woning te ontruimen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

5.5.

De stellingen van Het Grootslag met betrekking tot de toedracht van het incident dat plaatsvond op 10 oktober 2019 en de aanloop daarnaartoe, worden gesteund door een verklaring van medewerkster [medewerker] , het proces-verbaal van aangifte van de betreffende bovenbuurman van [gedaagde] , en verklaringen van twee andere buurtbewoners.

5.6.

[medewerker] is op 31 mei 2019 bij [gedaagde] op huisbezoek gegaan. Zij verklaart bij die gelegenheid bewust een mannelijke collega meegevraagd te hebben, omdat [gedaagde] bij een eerder huisbezoek onbetrouwbaar op haar was overgekomen. Bij het betreden van de woning op 31 mei 2019 zagen [medewerker] en haar collega nabij de voordeur een groot vleesmes en een bijl liggen. Verder verklaart [medewerker] : “Tijdens het gesprek dat wij vervolgens voerden en de tuin bespreekbaar probeerden te maken werd [gedaagde] met regelmaat erg boos. Hij gaf aan geen tuinonderhoud te gaan plegen vanwege zijn gestoorde bovenbuurmannen. Zij zouden volgens zijn zeggen kattenontlasting en andere goederen over hun balkonrand naar beneden gooien. Zij zouden zelfs over hun balkonrand urineren. [gedaagde] kon dit niet met bewijs aantonen, wij zagen namelijk geen kattenontlasting of iets dergelijks in zijn tuin liggen. Wij zagen wel dat zijn tuin verwilderd was. [gedaagde] kwam tijdens het gesprek af en toe erg boos over. Hij gebaarde wild met zijn armen en hij verhief met regelmaat zijn stem. Hij vertelde aan ons dat recentelijk zijn autoruit was ingegooid. Toen wij hem vroegen of hij de politie had ingeschakeld gaf hij aan geen vertrouwen te hebben in dat soort organisaties. Ook van ons wilde hij verder niks. Hij ging het allemaal zelf regelen. Hij zou mensen zelf gaan aanpakken. Hij benoemde zelfs dat hij zijn buurmannen wat ging aandoen. Uiteraard hebben wij hem verteld dit niet te doen en uitgelegd dat hij zich dan schuldig zou maken aan een strafbaar feit.”

5.7.

In het proces-verbaal van aangifte door de bovenbuurman is opgenomen: “(…) Enkele maanden geleden ben ik naar de woningbouw gestapt met de vraag of ze bij de buurman zijn tuin wilde controleren in verband met rotzooi. (…) Door de woningbouw werd vervolgens aangegeven dat de buurman mij de schuld gaf (…). De woningbouw waarschuwde mij om niet met hem in contact te treden. Ik heb hem dus de hele zomer ontlopen. Afgelopen donderdag liepen we naar de auto. (…) Ik stapte in en de buurman kwam als een gek op onze auto afstormen en sloeg op de auto. Ik heb snel de auto op slot gedaan (…). Mijn vriend stapte uit (…) en vroeg waarom hij zo deed. Toen liep hij ineens naar zijn auto toe en pakte iets. Vervolgens kwam hij op ons afstormen en begon hij op mij in te steken. (…) Mijn vriend begon heel erg te roepen en te gillen. Ik had op een gegeven moment mijn hoofd omlaag en toen heeft hij expres mij in mijn oog gestoken. Ik had het toen zelf nog niet eens in de gaten maar ik was enorm aan het bloeden. De buurman lachte toen en zei dat dit het begin was en dat er nog meer zou volgen (…)”

5.8.

[XX] , huurder van [een woning] , was getuige van het incident en verklaart: “Op donderdag 10 oktober 2019 bevond ik mij in mijn keuken. Vanuit mijn keuken heb ik zicht op straat. Ik zag dat er een conflict gaande was tussen drie buurmannen. Twee daarvan zijn een stel, zij zijn blank [de bovenburen] en de andere is een lange Surinaamse man [ [gedaagde] ]. Ik zag dat de twee blanke mannen erg bang waren. Zij namen geen verdedigende houding aan, maar een beschermende. Ik bedoel dan met de armen gekruist boven hun hoofd. Ik hoorde de kleinste gillen; “Niet slaan, niet slaan” en de andere probeerde te vluchten. De Surinaamse man kreeg hem echter te pakken en ik zag dat hij een slaande beweging naar hem maakte. Toen ik dit zag ben ik naar buiten gerend en ben ik tussen beiden gesprongen. Pas toen zag ik dat de Surinaamse man een schroevendraaier in zijn hand hield.”

5.9.

[YY] , de naaste buurvrouw van [gedaagde] , verklaart dat zij aanvankelijk goed burencontact met hem had, maar in de loop der jaren meer afstand van [gedaagde] heeft genomen omdat zijn gedrag steeds vreemder werd. [gedaagde] reageerde steeds geagiteerder, keek verwilderd om zich heen, kwam agressief en negatief over en het leek alsof hij in een andere realiteit leefde, aldus deze buurvrouw. Ze verklaart verder: “Iedere dag word ik herinnerd aan [gedaagde] en het geweldsincident. Wanneer ik hem nu zou zien zou ik 112 bellen. Ik vind de gebeurtenis zeer aangrijpend en mijn veiligheidsgevoel is aangetast. (…) Ik wil met een fijn gevoel in mijn woning wonen en geen gevaarlijke buurman naast mij hebben.”

5.10.

Het relaas van [gedaagde] staat lijnrecht tegenover dat van Het Grootslag, en is gebaseerd op zijn stelling dat hij jarenlang het slachtoffer is geweest van extreem, niet aflatend treitergedrag met racistische ondertoon van zijn bovenburen. Volgens [gedaagde] waren het juist de bovenburen die op de dag van het incident op hem afstormden, waartegen hij zich heeft verweerd, zo begrijpt de kantonrechter. [medewerker] heeft desgevraagd ter zitting verklaard niets te weten over dergelijk structureel treitergedrag van de bovenburen, en buiten de eigen verklaring van [gedaagde] ontbreekt ieder bewijs daarvan. Verder heeft [medewerker] verklaard dat zij twee keer in de tuin van [gedaagde] is geweest, op een moment dat volgens [gedaagde] de bovenburen net de kattenbak daarin hadden geleegd, en dat zij in die tuin toen geen kattenbakkorrels of –ontlasting heeft gezien. Van de zijde van [gedaagde] zijn ook op dit punt geen stukken overgelegd die zijn stellingen onderbouwen.

5.11.

Niet is verklaard waarom medewerkers van Het Grootslag en andere buurtbewoners een leugenachtige verklaring van de bovenburen zouden bevestigen. Daarbij komt dat Het Grootslag al op 31 mei 2019 aan de politie heeft gemeld dat [gedaagde] had aangekondigd zijn bovenbuurman iets aan te gaan doen. Ook neemt de kantonrechter in aanmerking dat [gedaagde] ter zitting heeft verklaard dat zijn bovenburen meteen naar binnen renden als ze hem zagen. Verder heeft [gedaagde] ter zitting gezegd dat de bovenburen meestal hun huis verlaten en weggaan als ze horen dat [gedaagde] onder de douche staat. Dit is in lijn met de verklaring van de bovenbuurman in het proces-verbaal van aangifte dat hij [gedaagde] de hele zomer heeft ontlopen. Ook strookt dit met de verklaring van [medewerker] dat zij de bovenburen heeft leren kennen als angstige, emotionele mensen. Niet goed valt in te zien waarom de bovenburen zich kennelijk steeds uit de voeten maken om [gedaagde] te ontlopen, als hun doel zou zijn [gedaagde] het leven zuur te maken door hem structureel te treiteren en te belagen. [gedaagde] heeft hiervoor geen verklaring gegeven.

5.12.

Gelet op het voorgaande heeft Het Grootslag naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] zijn buurman heeft aangevallen en met een priem of schroevendraaier in het oog heeft gestoken. Dit heeft [gedaagde] onvoldoende kunnen weerleggen, nu buiten zijn eigen verklaring ieder bewijs van de door hem gestelde gang van zaken ontbreekt.

5.13.

Uitgaande van de toedracht van het geweldsincident met lichamelijk letsel tot gevolg zoals door de bovenbuurman en ooggetuige [XX] beschreven, heeft [gedaagde] evident gehandeld in strijd met zijn wettelijke verplichting om zich als goed huurder te gedragen. Dat het incident plaatsvond buiten het gehuurde doet hieraan niet af. Het was immers specifiek gericht tegen de bovenburen en vond plaats in de directe woonomgeving. Daarenboven heeft het incident gevoelens van onveiligheid en onrust veroorzaakt bij andere bewoners van Het Grootslag. Ook hun belangen heeft Het Grootslag te behartigen.

5.14.

Daarnaast staat onbetwist vast dat [gedaagde] sinds november 2019 de huur onbetaald heeft gelaten, zodat inmiddels sprake is van een huurachterstand van vijf maanden, en heeft [gedaagde] al ruim 5 maanden zijn hoofdverblijf niet meer in het gehuurde, hetgeen in strijd is met de huurovereenkomst en de daarop van toepassing zijnde algemene huurvoorwaarden.

5.15.

De hiervoor genoemde tekortkomingen in de nakoming van de huurovereenkomst zijn zodanig ernstig dat deze naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter ontbinding van de huurovereenkomst met ontruiming van de woning in een bodemprocedure zullen rechtvaardigen. [gedaagde] heeft niets aangevoerd waaruit volgt dat een ontruiming voor hem ernstiger gevolgen heeft dan een ontruiming in zijn algemeenheid voor een huurder heeft. De omstandigheid dat [gedaagde] op enig moment zal moeten resocialiseren is daartoe onvoldoende, te meer nu Het Grootslag onbetwist heeft gesteld dat ex-gedetineerden in dat kader voorrang krijgen bij toewijzing van een nieuwe woning. Mede gelet op de aard en ernst van de schending door [gedaagde] van zijn uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen weegt zijn belang om de woning te behouden niet zwaar genoeg tegenover het belang van Het Grootslag bij ontruiming.

5.16.

Ook is sprake van een spoedeisend belang van Het Grootslag bij ontruiming, en kan van haar niet gevergd worden om de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat Het Grootslag ook tegenover haar overige huurders de verplichting heeft om te zorgen voor een veilige, leefbare woonomgeving. De aard van het incident, ten gevolge waarvan [gedaagde] sinds 10 oktober 2019 gedetineerd zit, heeft de buurtbewoners geschokt en het is te begrijpen dat men zich zorgen maakt over zijn eventuele terugkeer in de woning. Het Grootslag heeft er een gerechtvaardigd belang bij hen zo snel mogelijk duidelijkheid te kunnen verschaffen over de vraag of [gedaagde] in de woning zal terugkeren. Daarbij komt dat, gelet op het verhandelde ter zitting, niet te verwachten is dat [gedaagde] de huurachterstand en de lopende huur op korte termijn wel (tijdig) zal kunnen voldoen, zodat de schade oploopt. Daarnaast betwist [gedaagde] niet de stelling van Het Grootslag dat het gaat om een huurwoning, waarvoor een wachtlijst van zeven jaar bestaat, en Het Grootslag deze thans leegstaande woning dringend nodig heeft voor de huisvesting van anderen.

5.17.

De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van Het Grootslag zal toewijzen. De kantonrechter ziet aanleiding de termijn van de ontruiming te bepalen op twee weken na betekening van het vonnis. Daarmee wordt aan [gedaagde] enige tijd gegeven om vanuit detentie de ontruiming te (doen) bewerkstelligen. De gevorderde machtiging tot gedwongen ontruiming is niet toewijsbaar. Indien noodzakelijk voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis, kan de deurwaarder met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 555 e.v. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zonder toestemming van de bewoner / gebruiker het betreffende pand betreden en ontruimen. Ontruimingskosten zijn evenmin toewijsbaar, omdat niet op voorhand kan worden beoordeeld en vastgesteld of deze in redelijkheid zijn gemaakt.

5.18.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt. Daarbij wordt [gedaagde] ook veroordeeld tot betaling van € 120,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door Het Grootslag worden gemaakt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis de woning gelegen aan de [adres] , met al degenen die en al hetgeen zich daarin of daarop bevinden respectievelijk bevindt, volledig en behoorlijk te (doen) verlaten en te (doen) ontruimen, alsmede de woning onder afgifte van de sleutels in lege, oorspronkelijke en behoorlijke staat ter vrije beschikking van Het Grootslag te (doen) stellen en vervolgens verlaten en ontruimd te houden;

6.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Het Grootslag tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 102,96

griffierecht € 124,00

salaris gemachtigde € 480,00

en veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 120,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door Het Grootslag worden gemaakt;

6.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken door mr. L.J. Saarloos in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter