Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:2360

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-04-2020
Datum publicatie
03-04-2020
Zaaknummer
8130150 \ CV EXPL 19-16660
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Incident. Oproeping in vrijwaring van medegedaagde toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8130150 \ CV EXPL 19-16660

Uitspraakdatum: 1 april 2020

Vonnis van de kantonrechter in het incident in de zaak van:

1 de vennootschap onder firma [eiseres]
gevestigd te [plaats] ,
2. [vennoot 1] , (vennoot)
wonende te [plaats]
3. [vennoot 2] , (vennoot)

wonende te [plaats]

eisers in de hoofdzaak, verweerders in het incident

verder te noemen: [eiseres]

gemachtigde: Bill incasso B.V.

tegen

1 [gedaagde sub 1]

wonende te [plaats]
gedaagde in de hoofdzaak
verder te noemen: [gedaagde sub 1]
procederend in persoon

2 [gedaagde sub 2]

wonende te [plaats]

gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident

verder te noemen: [gedaagde sub 2]

gemachtigde: mr. D.S. de Ploeg

1 Het procesverloop

1.1.

[eiseres] heeft bij dagvaarding van 18 oktober 2019 een vordering tegen [gedaagde sub 1] (hierna: [gedaagde sub 1] ) en [gedaagde sub 2] ingesteld. [gedaagde sub 1] heeft op 30 oktober 2019 geantwoord, waarbij [gedaagde sub 2] uitstel heeft gekregen voor conclusie van antwoord.

1.2.

[gedaagde sub 2] heeft op 8 januari 2020 een incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring genomen en aanvullend geantwoord in de hoofdzaak.
[eiseres] heeft schriftelijk geantwoord in het incident.

2 De vordering in de hoofdzaak

2.1.

[eiseres] vordert in de hoofdzaak dat de kantonrechter [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] veroordeelt tot betaling van € 1.793,83, te vermeerderen met rente en kosten.
[eiseres] legt aan de vordering – kort weergegeven – ten grondslag dat zij met [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , in hun hoedanigheid als vennoten van de (voormalige) vennootschap onder firma [gedaagde sub 1] & [gedaagde sub 2] (ontbonden per 1 december 2018), op 30 augustus 2018 een overeenkomst tot het leveren van software support is aangegaan voor de duur van een jaar tegen betaling van € 169,40 per maand. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn hun betalingsverplichtingen niet nagekomen door de facturen over de periode januari 2019 tot en met september 2019 onbetaald te laten.

2.2.

Bij mondeling antwoord op 30 oktober 2019 heeft [gedaagde sub 1] de vordering erkend.

3 De vordering in het incident

3.1.

[gedaagde sub 2] vordert dat hem zal worden toegestaan [gedaagde sub 1] in vrijwaring op te roepen.
Hij legt aan de vordering ten grondslag dat hij vanaf 1 december 2018 is uitgeschreven als vennoot en dat [gedaagde sub 1] de vennootschap alleen heeft voortgezet, hetgeen ook is doorgegeven aan Bezorgservice die daarmee heeft ingestemd. Indien hij de gevorderde bedragen (hoofdelijk) verschuldigd zou zijn - hetgeen hij betwist – dan is [gedaagde sub 1] op zijn beurt een bedrag aan [gedaagde sub 2] verschuldigd gelijk aan de som van deze bedragen, aangezien [gedaagde sub 1] de overeenkomst met [eiseres] is aangegaan en degene is die de onderneming in de periode in geding alleen heeft gedreven. Hij heeft, in geval van een veroordeling in de hoofdzaak, bijzonder belang bij een gelijktijdige uitspraak gelet op de regresverhouding tussen hem en [gedaagde sub 1] .

4 Het verweer in het incident

4.2.

[eiseres] verzet zich tegen toestemming aan [gedaagde sub 2] om [gedaagde sub 1] in vrijwaring op te roepen. Zij voert aan – samengevat – dat de overeenkomst is aangegaan met de inmiddels ontbonden vennootschap onder firma [gedaagde sub 1] & [gedaagde sub 2] en niet met [gedaagde sub 1] . Beide vennoten zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden die zijn aangegaan tijdens het bestaan van die vennootschap onder firma.
[eiseres] heeft geen belang bij het in vrijwaring oproepen van [gedaagde sub 1] door [gedaagde sub 2] op grond van een eventueel later uit te oefenen regresrecht. [eiseres] heeft belang bij een hoofdelijke veroordeling van beide voormalige vennoten en zou in een mindere positie worden gebracht indien de vordering zou worden voortgezet tegen slechts één voormalig vennoot van de vennootschap onder firma.

5 De beoordeling in het incident

5.1.

Op grond van artikel 210 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) dient een conclusie tot oproeping in vrijwaring genomen te worden vóór alle weren op de voor het nemen van de conclusie van antwoord bepaalde roldatum. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde sub 2] weliswaar op de roldatum van 30 oktober 2019 is verschenen, maar daar uitstel heeft gekregen voor het nemen van een conclusie van antwoord. Het incident is opgeworpen bij schriftelijke conclusie van 18 januari 2020, voor al zijn weren, en derhalve is aan het vereiste van artikel 210 lid 1 Rv voldaan.

5.2.

De kantonrechter stelt voorop dat een vordering tot oproeping van een derde in vrijwaring in beginsel toewijsbaar is, indien voldoende gemotiveerd en concreet wordt gesteld dat men krachtens een rechtsverhouding met die derde recht en belang heeft om de nadelige gevolgen van een ongunstige afloop van de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk op die derde te verhalen, dit in een zoveel mogelijk tegelijkertijd met de hoofdzaak te behandelen vrijwaringszaak.
5.3. Het verweer van [eiseres] tegen toewijzing van de incidentele vordering kan niet slagen. De stelling van [eiseres] dat toewijzing van de vordering om een andere partij in vrijwaring op te roepen er toe leidt dat in de hoofdzaak [gedaagde sub 2] niet langer als gedaagde geldt, is een onjuiste uitleg van de betreffende wetsbepalingen en is nergens op gebaseerd. Een door [gedaagde sub 2] te voeren vrijwaringszaak heeft immers slechts betrekking op de mogelijkheid van [gedaagde sub 2] om regres te kunnen nemen op [gedaagde sub 1] , maar laat de mogelijkheid van een veroordeling van [gedaagde sub 2] in de hoofdzaak onverlet. Voor toewijzing van de vordering in dit incident is wel vereist dat, uitgaande van de juistheid van de stellingen van [gedaagde sub 2] , een veroordeling van [gedaagde sub 2] in de hoofdzaak tot gevolg kan hebben dat [gedaagde sub 2] op grond van zijn rechtsverhouding met [gedaagde sub 1] geheel dan wel gedeeltelijk regres zal kunnen nemen op [gedaagde sub 1] . Mede gelet op hetgeen [gedaagde sub 1] bij zijn mondeling antwoord heeft verklaard, heeft [gedaagde sub 2] naar het oordeel van de kantonrechter, weliswaar summier, maar voldoende aannemelijk gemaakt dat een veroordeling van hem in de hoofdzaak tot gevolg kan hebben, dat hij op grond van zijn rechtsverhouding met [gedaagde sub 1] geheel dan wel gedeeltelijk regres zal kunnen nemen op [gedaagde sub 1] .

5.5.

Gesteld noch gebleken is dat de procedure in de hoofdzaak door de vrijwaring onevenredig zal worden vertraagd. De kantonrechter zal de vordering tot oproeping in vrijwaring toewijzen.

5.6.

De kantonrechter ziet aanleiding om de proceskosten in het incident te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

in het incident:

6.1.

staat [gedaagde sub 2] toe te dagvaarden [gedaagde sub 1] tegen de rolzitting van 29 april 2020 te 10.00 uur om op de eis in de vrijwaring te antwoorden;

6.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

in de hoofdzaak:

6.3.

verwijst de zaak naar diezelfde rolzitting voor repliek;

in het incident en in de hoofdzaak:

6.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M. de Vries en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter